Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Acomplia (rimonabant) – Samenvatting van de productkenmerken - A08AX01

Updated on site: 05-Oct-2017

Naam van geneesmiddelAcomplia
ATC codeA08AX01
Werkzame stofrimonabant
Producentsanofi-aventis
Geneesmiddel niet langer geregistreerd

4.1 Therapeutische indicaties

4. KLINISCHE GEGEVENS

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

ACOMPLIA 20 mg filmomhulde tabletten

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elk tablet bevat 20 mg rimonabant.

Hulpstoffen:

De tabletten bevatten circa 115 mg lactose.

Voor een volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

geregistreerd

3.FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet

Biconvexe, traanvormige, witte tabletten met aan één zijde de inscriptie '20'.

Als aanvulling op dieet en lichaamsbeweging voorlangerde behandeling van patiënten met obesitas

(BMI 30 kg/m2), of patiënten met overgewicht (BMI > 27 kg/m2) in combinatie met risicofactor(en), zoals diabetes type 2 of dyslipidemie (zie rubriek 5.1).

4.2Dosering en wijze van toediening

Bij volwassenen is de aanbevolen dosering dagelijks één tablet van 20 mg die 's ochtends vóór het ontbijt moet worden ingenomen.

De behandeling dient te worden ingeleid met een licht caloriebeperkt dieet.

De veiligheid en werkzaamheid van rimonabant zijn niet langer dan 2 jaar onderzocht.

Geneesmiddel

niet

Speciale populaties

Ouderen:

Er is geen doseringsaanpassing vereist bij ouderen (zie rubriek 5.2). ACOMPLIA dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten ouder dan 75 jaar (zie rubriek 4.4).

Patiënten met leverinsufficiëntie:

Er is geen doseringsaanpassing vereist bij patiënten met lichte of matige leverinsufficiëntie. ACOMPLIA dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij patiënten met matige leverinsufficiëntie. ACOMPLIA dient niet te worden gebruikt bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie (zie rubriek 4.4 en 5.2).

Patiënten met nierinsufficiëntie:

Er is geen doseringsaanpassing vereist bij patiënten met lichte en matige nierinsufficiëntie (zie rubriek 5.2). ACOMPLIA dient niet te worden gebruikt bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie (zie rubriek 4.4 en 5.2).

Kinderen:

ACOMPLIA wordt niet aanbevolen voor het gebruik bij kinderen jonger dan 18 jaar vanwege onvoldoende gegevens over veiligheid en werkzaamheid.

4.3 Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor het werkzame bestanddeel of voor één van de hulpstoffen. Borstvoeding.

Patiënten die op dit moment lijden aan een ernstige depressie en/of behandeld worden met antidepressiva (zie rubriek 4.4).

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Depressieve stoornissen

Depressieve stoornissen of stemmingswisselingen met depressieve symptomengeregistreerdkomen voor bij een

kleine 10% van de patiënten die met rimonabant worden behandeld en suïcidale gedachten werden gerapporteerd bij een kleine 1% van de patiënten (zie rubriek 4.8). Rimonabant dient niet te worden gebruikt bij patiënten met suïcidale gedachten en/of met een voorgeschiedenis van depressieve stoornissen of suïcidale gedachten, tenzij de voordelen van de behandeling opwegen tegen de risico’s voor de specifieke patiënt (zie rubriek 4.3 en 4.8).

Obesitas is een aandoening die geassocieerd kan worden met depressieve stoornissen. Depressieve stoornissen kunnen worden geassocieerd met een verhoogd risico op suïcidale gedachten, zelfverwonding en suïcide.

stoornissen teneinde de mogelijke risico’s van de behandeling met rimonabant te kunnen beoordelen.

Reacties van depressieve aard kunnen zich voordoen bij patiënten zonder voor de hand liggende risicofactoren, naast die van de obesitas zelf.

De voorschrijver dient zorgvuldig na te gaan of de langerpatiënt een voorgeschiedenis heeft van depressieve

Uit post marketing ervaring is gebleken dat bij meer dan de helft van de patiënten bij wie dergelijke reacties voorkwamen, deze binnen 1 maand na het starten van de behandeling optraden, en bij 80% binnen 3 maanden.

niet stoornissen/stemmingswisselingenGeneesmiddel(en zijn/haar familieleden of andere relevante personen), dienen te worden gewezen op de noodzaak alert te zijn op het ontwikkelen van dergelijke symptomen. Indien

Patiënten die zijn gestart met de behandeling dienen actief te worden gecontroleerd op het optreden van tekenen en symptomen van psychiatrische aandoeningen, met name van depressie.

Als depressieviteit tijdens de behandeling met rimanobant wordt vastgesteld,dient de behandeling met rimonabant te worden gestopt De patiënt moet worden gemonitord en adequaat worden behandeld.

Patiënten, in het bijzonder die met een voorgeschiedenis van depressieve

dergelijke symptomen ontstaan, dient de patiënt onmiddellijk medisch advies in te winnen.

Andere psychiatrische aandoeningen

Behandeling met rimonabant wordt niet aanbevolen bij patiënten met een ongecontroleerde

psychiatrische aandoening.

Indien tijdens de behandeling met rimonabant een psychiatrische aandoening wordt gediagnosticeerd, dient de behandeling te worden stopgezet.

Epileptische aanvallen

Rimonabant is niet onderzocht bij patiënten die voor epilepsie worden behandeld. Bij klinische onderzoeken werd geen verschil waargenomen in de incidentie van epileptische aanvallen bij patiënten die rimonabant of een placebo ontvingen. Rimonabant dient bij deze patiënten echter met voorzichtigheid te worden gebruikt, zie tevens rubriek 5.3.

Leverinsufficiëntie

Omdat rimonabant door de lever wordt gemetaboliseerd, is voorzichtigheid geboden bij patiënten met matige leverinsufficiëntie. De farmacokinetiek en veiligheid van rimonabant zijn niet onderzocht bij patiënten met ernstige leverinsufficiëntie; het gebruik bij deze patiënten wordt niet aangeraden.

Nierinsufficiëntie

Er zijn beperkte gegevens bij patiënten met matige nierinsufficiëntie en geen gegevens bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie. Rimonabant dient niet te worden gebruikt bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie (zie rubriek 4.2 en 5.2).

Ouderen

De werkzaamheid en veiligheid van behandeling met rimonabant bij patiënten ouder dan 75 jaar is onvoldoende vastgesteld. Rimonabant dient bij deze populatie met voorzichtigheid te worden gebruikt (zie rubriek 5.2).

Etnische groepen

Het klinische effect (gewichtsverlies) van rimonabant bij negroïde patiënten was geringer dan bij mensen van het Kaukasische ras. Dit kan worden veroorzaakt door een hogere rimonabantklaring dan bij mensen van het Kaukasische ras, resulterend in een lagere blootstelling (zie rubriek 5.2).

Diabetsiche patiënten

Ten gevolge van het effect van rimonabant op de bloedsuikerspiegels,geregistreerdkan indien rimonabant aan diabetische patiënten wordt toegediend, hypoglykemie optreden.(zie rubriek 4.8). Het wordt

aanbevolen bij deze patiënten de bloedsuikerspiegels te controleren.

Interactie met geneesmiddelen

Rimonabant dient met voorzichtigheid te worden gebruikt in combinatie met sterke CYP3A4-remmers (bijv. ketoconazol, itraconazol, ritonavir, telitromycine, claritromycine, nefazodon) (zie rubriek 4.5).

• Lactose

Aangezien ACOMPLIA-tabletten lactose bevatten,langerdienen patiënten met de zeldzame erfelijke

problemen galactose-intolerantie, Lapp-lactasedeficiëntie of glucose-galactosemalabsorptie dit geneesmiddel niet te gebruiken.

Patiënten dienen te worden opgedragen hunnietdosis ACOMPLIA niet te verhogen.

Patiënten die gedurende de laatste 6 maanden een cardiovasculair voorval (myocardinfarct, beroerte etc.) hebben gehad, werden van de onderzoeken naar rimonabant uitgesloten.

4.5GeneesmiddelInteracties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Rimonabant wordt in vitro gemetaboliseerd via CYP3A4 en amidohydrolase (voornamelijk hepatisch). Gelijktijdige toediening van CYP3A4-remmers zal leiden tot verhoogde blootstelling aan rimonabant. Gelijktijdige toediening van CYP3A4-inductors zal naar verwachting de blootstelling aan rimonabant verminderen.

Vermogen van andere geneesmiddelen om rimonabant te beïnvloeden:

Gelijktijdige toediening van ketoconazol (een sterke CYP3A4-remmer) verhoogde de AUC van rimonabant tot 104 % (95 % voorspellingsinterval: 40 % - 197 %). Een vergelijkbare blootstellingstoename wordt verwacht bij andere sterke CYP3A4-remmers. Voorzichtigheid is geboden gedurende gelijktijdig gebruik van ACOMPLIA en sterke CYP3A4-remmers (bijv. ketoconazol, itraconazol, ritonavir, telitromycine, claritromycine, nefazodon).

Hoewel gelijktijdige toediening van CYP3A4-inductors (bijv. rifampicine, fenytoïne, fenobarbital, carbamazepine, St. Jans-kruid) niet is onderzocht, wordt verwacht dat gelijktijdige toediening van sterke CYP3A4-inductors de plasmaconcentratie van rimonabant kan verlagen en kan resulteren in verminderde werkzaamheid.

Gelijktijdige toediening van orlistat, ethanol of lorazepam had geen significant effect op de plasmaconcentratie van rimonabant.

4.8 Bijwerkingen

Vermogen van rimonabant om andere geneesmiddelen te beïnvloeden:

Het remmende effect op CYP2C8 in vivo is niet onderzocht. In vitro had rimonabant echter een licht remmend effect op CYP2C8. Het vermogen voor inhibitie van CYP2C8 in vivo lijkt laag te zijn. Rimonabant remt of induceert andere CYP-enzymen of P-glycoprotëïne (P-gp) in vitro niet. Dit werd klinisch bevestigd met specifieke steekproefstudies waarbij gebruik werd gemaakt van midazolam (CYP 3A4-substraat), warfarine (CYP 2C9-substraat) en digoxine (een P-gp-substraat).

De steady-state-farmacokinetiek van een oraal anticonceptiemiddel met de combinatie ethinylestradiol/levonorgestrel werd niet significant gewijzigd door gelijktijdige toediening van rimonabant.

4.6 Zwangerschap en borstvoeding

Diergegevens zijn niet eenduidig, maar wijzen op mogelijke schadelijke effecten op de

Er zijn geen adequate of goed gecontroleerde onderzoeken bij zwangeregeregistreerdvrouwen uitgevoerd.

embryonale/foetale ontwikkeling (zie rubriek 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Het gebruik bij zwangerschap wordt derhalve niet aangeraden. Patiënten dienen hun arts te waarschuwen als ze tijdens behandeling met ACOMPLIA zwanger worden.

Rimonabant is aangetroffen in de melk van zogende ratten en rimonabant kan de zuigreflex remmen. Het is niet bekend of rimonabant in moedermelk wordt uitgescheiden. ACOMPLIA is gecontra- indiceerd gedurende de borstvoeding (zie rubriek 4.3)langer.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.

Cognitief onderzoek bij klinisch-farmacologische studies wees uit dat rimonabant geen significant cognitief of sedatief effect heeft.

ACOMPLIA 20 mg is onderzocht op veiligheidniet bij ongeveer 2500 patiënten die deelnamen aan

onderzoeken waarbij de effecten op metabolisme en gewichtsverlies bij patiënten met overgewicht en obesitas werden onderzocht en bij ongeveer 3800 patiënten voor andere indicaties. Bij placebo- gecontroleerde onderzoeken gebeurd het stopzetten van de behandeling vanwege bijwerkingen in

15.7 % van de patiënten die rimonabant ontvingen. De meest voorkomende bijwerkingen die in het stopzettenGeneesmiddelvan de behandeling resulteerden waren: misselijkheid, stemmingsverandering met depressieve symptomen, depressieve stoornissen, angst en duizeligheid.

Depressieve stoornissen werden gemeld bij 3,2% van de patiënten met obesitas of bij patiënten met overgewicht met geassocieerde risicofactor(en), die behandeld werden met rimonabant 20 mg. Deze depressieve stoornissen waren meestal licht of matig van ernst en resulteerden, na corrigerende behandeling of stopzetting van rimonabant, in alle gevallen in herstel en hadden geen onderscheidende kenmerken vergeleken met in de controlegroepen gemelde gevallen.

De volgende tabel (tabel 1) toont alle tijdens de behandeling optredende bijwerkingen van placebo- gecontroleerde onderzoeken onder patiënten behandeld voor overgewicht en aanverwante metabolische stoornissen wanneer deze incidenties statistisch significant hoger waren dan het corresponderende placebopercentage (voor bijwerkingen 1 %) of als klinisch relevant werden beschouwd (voor bijwerkingen < 1 %).

Classificatie van verwachte frequentie van bijwerkingen:

Zeer vaak (10 %); Vaak (≥ 1, < 10 %); Soms (0.1, < 1 %); Zelden (0.01, < 0.1 %); Zeer zelden (< 0.01 %); Niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden geschat).

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.

Tabel 1:

 

 

 

 

geregistreerd

 

 

 

 

 

 

 

 

Systeem Orgaan

Zeer vaak

 

 

Vaak

 

Soms

Zelden

Klasse

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Infecties en parasitaire

Infectie van de

 

Gastro-enteritis

 

 

aandoeningen

bovenste luchtwegen

 

 

 

 

 

Stofwisselings- en

 

 

 

 

 

Hypoglykemie*

 

voedingsstoornissen

 

 

 

 

 

 

 

Psychische stoornissen

 

 

 

Depressieve

 

Panieksymptomen

Hallucinaties

 

 

 

 

stoornissen

 

Woede

 

 

 

 

 

Stemmings-

 

Dysforie

 

 

 

 

 

veranderingen

 

Emotionele stoornis

 

 

 

 

 

met depressieve

Suïcidale gedachten

 

 

 

 

 

symptomen

 

Agressiviteit

 

 

 

 

 

Angst

 

Agressief gedrag

 

 

 

 

 

Prikkelbaarheid

 

 

 

 

 

 

Zenuwachtigheid

 

 

 

 

 

 

Slapeloosheid

 

 

 

 

 

 

 

Slaapstoornissen

 

 

 

 

 

 

Parasomnie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

langer

 

Lethargie

 

Zenuwstelsel-

 

 

 

Geheugenverlies

 

aandoeningen

 

 

 

Duizeligheid

 

Tremor

 

 

 

 

 

Hypo-esthesie

 

 

 

 

 

 

 

Sciatica

 

 

 

 

 

 

 

Paresthesie

 

 

 

Bloedvataandoeningen

 

 

 

Opvliegers

 

 

 

Ademhalingsstelsel-,

 

 

 

 

 

Hikken

 

borstkas- en

 

niet

 

 

 

 

 

mediastinum-

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maagdarmstelsel-

Misselijkheid

 

Diarree

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

Overgeven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huid- en onderhuid-

 

 

 

Pruritus

 

Nachtelijk zweten

 

Geneesmiddel

 

 

Hyperhidrose

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

 

 

 

Skeletspierstelsel- en

 

 

 

Peesontsteking

 

 

 

bindweefsel-

 

 

 

Spierkramp

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

Spierspasmen

 

 

 

Algemene

 

 

 

Asthenie/

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

Vermoeidheid

 

 

 

 

 

 

 

Griep

 

 

 

Letsels, intoxicaties en

 

 

 

Vallen

 

 

 

verrichtings-

 

 

 

Kneuzing

 

 

 

complicaties

 

 

 

Gewrichtsverstuik

 

 

 

 

 

 

ing

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

* frequentie is gebaseerd op gegevens van patiënten met obesitas of overgewicht.

4.9 Overdosering

Er is niet gebleken dat ACOMPLIA laboratoriumtestwaarden
Bijwerkingen in het laboratorium

Bij klinische onderzoeken voor andere indicaties werden vaak de volgendegeregistreerdextra bijwerkingen gemeld: De ervaring met rimonabant bij overdosering is beperkt. Bij een verdraagbaarheidsonderzoek met

− infecties en parasitaire aandoeningen: sinusitis

− voedings- en stofwisselingsstoornissen: anorexie, verminderde eetlust − maagdarmstelselaandoeningen: maagklachten, droge mond.

Post-Marketing

Daarnaast werden de volgende bijwerkingen gerapporteerd gedurende postmarketing (frequentie

onbekend):

- Psychische stoornissen: psychotische aandoeningen incl. waanvoorstellingen, zinsbegoocheling en paranoia.

- Aandoeningen aan huid en onderhuid: jeuk.

- Zenuwstelselaandoeningen: zenuwtrekkingen, aandachtsstoornissen, hoofdpijn . - Maagdarmstelsel aandoeningen: pijn in de onderbuik.

verandert.

werden alleen onschuldige symptomen gemeld. Hiertoe behoorden hoofdpijn, euforie, vermoeidheid en slapeloosheid. Het farmacokinetische profiel laat zien dat een blootstellingsplateau wordt bereikt bij 180 mg. Er is geen specifiek antidotum voor rimonabant. Daarom dienen geschikte ondersteunende maatregelen te worden getroffen in geval van overdosering. Behandeling dient te bestaan uit de algemene maatregelen die worden toegepast bij de behandeling van overdoses, zoals het openhouden van de luchtwegen, het controleren van de cardiovasculaire functie en algemene symptomatische en ondersteunende maatregelen.

eenmalige dosis werden doses tot 300 mg toegediendlangeraan een beperkt aantal proefpersonen. Hierbij

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Geneesmiddel

 

Farmacotherapeutische categorie: Anti obesitas middel

ATC-code: A08AX01

niet

Rimonabant is een selectieve cannabinoïde-1 (CB1) receptorantagonist die de farmacologische effecten van cannabinoïde-agonisten in vitro en in vivo remt.

Het endocannabinoïde systeem is een fysiologisch systeem dat aanwezig is in hersenen en perifere weefsels (inclusief adipocyten) dat van invloed is op energiebalans, glucose- en lipidenmetabolisme en lichaamsgewicht, en in neuronen van het mesolimbische systeem de opname van zeer smakelijke, zoete of vette voedingsmiddelen regelt.

14.2 % (10 %; 19 %)

Tabel 2:

 

 

geregistreerd

 

 

 

 

 

Onderzoeken met niet-diabetici

Onderzoek met diabetici

 

Placebo

ACOMPLIA

Placebo

ACOMPLIA

 

 

20 mg

 

20 mg

nITT

Baseline-gewicht

(kg)

19.7 %

50.8 %

14.5 %

49.4 %

Proefpersonen met

5 % gewichtsafname

 

langer

 

 

Verschil (CI 95%)

31.1 % (28 %; 34 %)

34.9 % (28 %; 41 %)

Proefpersonen met

7.8 %

27.0 %

2.0 %

16.2 %

10 % gewichtsafname

19.2 %niet(17 %; 22 %)

 

 

Verschil (CI 95%)

 

 

Geneesmiddel

 

 

 

Resultaten van klinisch onderzoek

Gewichtsbeheersing

In totaal werden meer dan 6800 patiënten in de fase-II- en fase-III klinische onderzoeken opgenomen. De patiënten die in de fase 3-onderzoeken werden opgenomen volgden gedurende het onderzoek een restrictief dieet dat was voorgeschreven door een diëtist en aan hen werd geadviseerd om hun lichamelijke activiteit te verhogen. De patiënten hadden bij opname in het onderzoek een BMI

30 kg/m² of BMI > 27 kg/m² met hypertensie en/of dyslipidemie. Ongeveer 80% van de populatie bestond uit vrouwen, 87 % van het Kaukasische ras en 9 % van het negroïde ras. De ervaring bij patiënten > 75 jaar en Oriëntaalse/Aziatische mensen was beperkt.

Bij drie onderzoeken uitgevoerd bij niet-diabetische patiënten werden voor ACOMPLIA 20 mg versus placebo significante gemiddelde gewichtsafnames van baseline tot één jaar aangetoond. Een gemiddeld gewichtsverlies van 6.5 kg van baseline tot één jaar werd aangetoond voor ACOMPLIA 20 mg versus een gemiddeld gewichtsverlies van 1.6 kg voor placebo (verschil –4.9 kg CI95% -5.3;-4.4, p< 0.001).

Het percentage patiënten dat na 1 jaar behandeling 5 % en 10 % van hun baseline-lichaamsgewicht had verloren is aangegeven in tabel 2:

Het grootste deel van de waargenomen gewichtsafname werd binnen de eerste negen maanden van de behandeling bereikt. Met ACOMPLIA 20 mg werd het gewichtsverlies tot twee jaar effectief gehandhaafd. Het gewichtsverlies na twee jaar was 5.1 kg voor patiënten die ACOMPLIA 20 mg ontvingen en 1.2 kg met placebo (verschil -3.8 kg; CI95% -4.4, -3.3; p< 0.001).

Rimonabant 20 mg verlaagde het risico van hernieuwde gewichtstoename. Patiënten die gedurende één jaar ACOMPLIA 20 mg ontvingen kregen opnieuw willekeurig ACOMPLIA 20 mg of een placebo toegewezen. Na twee jaar, hadden patiënten die rimonabant gebruikten een totaal gewichtsverlies van 7.5 kg t.o.v. baseline terwijl bij de placebogroep een totaal gewichtsverlies van 3.1 kg plaatsvond na twee jaar. Na twee jaar was het verschil van totaal gewichtsverlies tussen ACOMPLIA en placebo –4.2 kg (CI95% -5.0; -3.4, p< 0.001).

Behandeling met rimonabant ging gepaard met significante afname van de middelomtrek, een bekende indicator van intra-abdominaal vet.

aantal negroïde patiënten was het gewichtsverlies minder sterk (gemiddelde verschil t.o.v. placebo - 2.9 kg). Vanwege het lage aantal patiënten kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de effecten bij patiënten ouder dan 75 jaar of bij Aziatische/Oriëntaalse patiënten.

De effecten op het lichaamsgewicht leken bij mannen en vrouwen overeengeregistreerdte komen. Bij het beperkte

Gewichtsbeheersing en aanvullende risicofactoren

Bij de onderzoeken met niet-diabetici inclusief een gemengde populatie van proefpersonen met/zonder (behandelde) dyslipidemie werd (na één jaar) een toename van HDL-C en een afname van triglyceriden waargenomen. Bij HDL-C werd een gemiddelde toename van 16.4 % waargenomen met rimonabant 20 mg (baseline HDL-C 1.24 mmol/l) vergeleken met een toename van 8.9 % voor placebo (baseline HDL-C 1.21 mmol/l). Het verschil was statistisch significant (verschil 7.9 % CI95% 6.6 %; 9.2 %, p< 0.001). Bij de triglyceriden werd een gemiddelde afname van 6.9 % waargenomen met rimonabant 20 mg (baseline TG 1.62 mmol/l) vergeleken met een toename van 5.8 % voor placebo (baseline TG 1.65 mmol/l). Het verschil was statistisch significant (verschil -13.3 % CI95% - 16.5; -10.2 % p< 0.001). Er wordt geschat dat de waargenomen verbetering van HDL-C en triglyceriden bij patiënten die rimonabant 20 mg ontvingen ongeveer de helft hoger lag dan wat op basis van gewichtsverlies alleen werd verwacht.

Over het algemeen had ACOMPLIA 20 mg geen significant effect op de concentratie totaal C of LDL- C.

en waren behandeld met metformine of sulfonylureum werden verbeteringen in HbA1c en

In het onderzoek bij patiënten met diabetes type 2 (RIOlanger-Diabetes) die overgewicht of obesitas hadden

lichaamsgewicht waargenomen. Het absolute verschil in HbA1c na één jaar was -0.6 voor rimonabant 20 mg (baseline 7.3 %) en +0.1 met placebo (baseline 7.2 %). De verschillen waren statistisch

significant (verschil -0.7 %, CI95% -0.80;-0.5, p< 0.001).

Na één jaar werd een gemiddeld gewichtsverlies gezien van 5.3 kg bij ACOMPLIA 20 mg versus een

gewichtsverlies van 1.4 kg bij placebo (verschil -3.9 kg CI95% -4.6;-3.3 p<0.001). Het percentage

patiënten met na 1 jaar behandeling een gewichtsverlies van 5% en 10% t.o.v. baseline staat vermeld

in tabel 2.

rimonabant 20 mg en -0.3 met placebo (verschil -0.51 CI95% -0.78,-0.24 p<0.001). Het percentage

In een tweede onderzoek bij onbehandelde diabetes type 2 obese patiënten (Serenade), was na zes maanden het absolute verschil in HbA1cniet(met een baseline van 7.9% voor beide groepen) -0.8 voor

patiënten dat een HbA1c <7% bereikten was 51% in de rimonabant groep en 35% in de placebo groep.

Het verschil in de gemiddelde gewichtsverandering tussen de 20 mg en placebo groepen was 3.8 kg

(CI95% -5.0, -2.6 p<0.001).

De veranderingen in HDL-C en TG bij deze populatie waren vergelijkbaar met die van de niet- diabetischeGeneesmiddelpopulatie. Er wordt geschat dat de gemiddelde verbetering in HbA1c bij patiënten die

rimonabant 20 mg ontvingen ongeveer de helft hoger lag dan wat op basis van gewichtsverlies alleen werd verwacht.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

De farmacokinetiek van rimonabant is tamelijk dosisproportioneel tot ongeveer 20 mg. De AUC steeg boven 20 mg minder dan in verhouding tot de dosis.

Absorptie:

geregistreerd

 

Rimonabant vertoont een hoge in-vitropermeabiliteit en is geen substraat van P-glycoproteïne. De absolute biologische beschikbaarheid van rimonabant is niet bepaald. Na multipele eenmaal daagse doses van 20 mg bij gezonde proefpersonen op de nuchtere maag worden maximale plasmaconcentraties van rimonabant bereikt in ongeveer 2 uur en steady state plasmaconcentraties

binnen 13 dagen (Cmax = 196 ± 28.1 ng/ml; Cdal = 91.6 14.1 ng/ml; AUC0-24 = 2960 ± 268 ng.h/ml). Steady state blootstelling aan rimonabant is 3.3 keer zo hoog als waargenomen na de eerste dosis.

Populatie-farmacokinetische analyse wees minder schommeling in piek-dal plasmaconcentratie uit, maar geen verschillen in steady state AUC bij toename van het gewicht. Bij toename van het gewicht van 65 naar 200 kg, zal Cmax naar verwachting afnemen met 24 % en Cdal naar verwachting toenemen met 5 %. De tijd tot steady state is langer bij patiënten met obesitas (25 dagen) ten gevolge van het hogere distributievolume bij deze patiënten. Populatie-farmacokinetische analyse gaf aan dat de farmacokinetiek van rimonabant bij gezonde niet-rokende proefpersonen en patiënten die roken vergelijkbaar is.

Effect van voedsel:

Toediening van rimonabant aan gezonde proefpersonen op de nuchtere maag of met een vetrijke maaltijd liet zien dat Cmax en AUC bij voeding respectievelijk 67 % en 48 % toenamen. Bij klinische onderzoeken werd ACOMPLIA 20 mg 's ochtends meestal vóór het ontbijt ingenomen.

Distributie:

De in-vitrobinding van rimonabant aan menselijk plasma-eiwit is hoog (> 99.9 %) en onverzadigbaar over een breed concentratiebereik. Het perifere distributievolume van rimonabant lijkt kennelijk verband te houden met het lichaamsgewicht, waarbij patiënten met obesitas een hoger distributievolume hebben dan proefpersonen met een normaal gewicht.

Biotransformatie:

Rimonabant wordt in vitro gemetaboliseerd via CYP3A4 en amidohydrolase (voornamelijk hepatisch). Circulerende metabolieten dragen niet bij aan de farmacologische activiteit van rimonabant.

Uitscheiding:

niet

langer

Rimonabant wordt voornamelijk uitgescheiden door metabolisme en daaropvolgende biliaire excretie van metabolieten. Slechts ongeveer 3 % van de dosis rimonabant wordt uitgescheiden in de urine, terwijl ongeveer 86 % van de dosis wordt uitgescheiden in de feces als onveranderd geneesmiddel en metabolieten. Bij patiënten met obesitas is de eliminatiehalfwaardetijd langer (ongeveer 16 dagen) dan

bij patiënten zonder obesitas (ongeveer 9 dagen) vanwege een groter distributievolume.

Etnische groepen:

SpecialeGeneesmiddelpopulaties

Bij onderzoeken met eenmalige en herhaalde doses waren de Cmax en AUC van rimonabant vergelijkbaar bij gezonde Japanse proefpersonen en proefpersonen van het Kaukasische ras, terwijl de eliminatiehalfwaardetijd korter was bij Japanse proefpersonen (3-4 dagen) vergeleken met proefpersonen van het Kaukasisische ras (ongeveer 9 dagen). Het verschil in halfwaardetijd was het gevolg van verschillen in perifeer distributievolume als gevolg van een lager gewicht bij Japanse proefpersonen.

Patiënten van het negroïde ras kunnen een tot 31 % lagere Cmax en een tot 43 % lagere AUC hebben dan patiënten van andere rassen.

Geslacht:

De farmacokinetiek van rimonabant is bij vrouwelijke en mannelijke patiënten vergelijkbaar.

Ouderen:

Bij oudere patiënten is de blootstelling iets hoger dan bij jonge patiënten. Op basis van een populatie- farmacokinetische analyse (leeftijdsgroep 18 - 81 jaar) wordt geschat dat een 75 jaar oude patiënt een 21 % hogere Cmax en een 27 % hogere AUC heeft dan een 40 jaar oude patiënt.

Patiënten met leverinsufficiëntie:

geregistreerd

 

Lichte leverinsufficiëntie heeft geen effect op de blootstelling aan rimonabant. Er zijn onvoldoende gegevens om conclusies te trekken met betrekking tot de farmacokinetiek bij matige leverinsufficiëntie. Er zijn geen patiënten met ernstige leverinsufficiëntie onderzocht.

Patiënten met nierinsufficiëntie:

Het effect van de nierfunctie op de farmacokinetiek van rimonabant is niet specifiek onderzocht. Op basis van gegevens van populatie-farmacokinetische studies lijken lichte nierinsufficiëntie de

farmacokinetiek van rimonabant niet te beïnvloeden. De beperkte gegevens wijzen op een verhoogde blootstelling bij patiënten met matige nierinsufficiëntie (40 % toename van AUC). Er zijn geen gegevens bij ernstige nierinsufficiëntie.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

De volgende bijwerkingen, welke relevant zouden kunnen zijn voor klinisch gebruik, zijn weliswaar niet waargenomen in klinische onderzoeken, maar wel bij dieren bij soortgelijke blootstellingsniveaus als de klinische blootstellingsniveaus:

Bij studies met knaagdieren en makaken werden sporadisch convulsies waargenomen. Bij honden werden gedurende een onderzoek van 3 maanden geen convulsies waargenomen. In sommige (maar niet alle) gevallen leek het begin van de convulsies verband te houden met procedurestress zoals de behandeling van de dieren. Bij één van de twee farmacologischelanger veiligheidsstudies werd een convulsiebevorderende werking van rimonabant waargenomen. Er werd geen negatief effect van rimonabantbehandeling waargenomen op de EEG-patronen bij ratten.

Bij knaagdierstudies werd een verhoogde incidentie en/of ernst waargenomen van de klinische tekenen die duiden op verhoogde gevoeligheid van de huid (hyperesthesie). Een direct effect van rimonabant kan niet worden uitgesloten.

Tijdens langetermijnstudies bij de rat werden leversteatose en een dosisgerelateerde toename van

toediening gedurende een langere behandelingsperiodeniet voorafgaand aan paring (9 weken) die herstel

centrilobulaire necrose waargenomen. Een direct effect van rimonabant kan niet worden uitgesloten.

Bij standaard vruchtbaarheidsstudies met vrouwtjesratten (toediening gedurende 2 weken vóór paring)

werd een abnormale oestrus en een afname van het aantal corpora lutea en de vruchtbaarheidsindex

waargenomen bij doses rimonabant die maternale toxiciteit veroorzaakten (30 en 60 mg/kg/dag). Na

steeds effecten waargenomen (afname van het aantal corpora lutea, totale aantal innestelingen en levensvatbare foetussen).

van de initiële effecten van rimonabant mogelijk maakte, werden geen negatieve effecten waargenomenGeneesmiddelop vruchtbaarheid of oestrus. Wat betreft de reproductieparameters werden bij 30 mg/kg geen verschillen waargenomen tussen behandelde dieren en controledieren; bij 60 mg/kg werden nog

Sporadische misvormingen (anencefalie, micro-oftalmie, verwijde hersenventrikels en omfalokèle) werden waargenomen bij embryofoetale toxiciteitsstudies met konijnen bij doses die resulteerden in blootstellingen vergelijkbaar met de klinische blootstellingen. Hoewel bij deze doses maternale toxiciteit werd waargenomen, kan een verband met de behandeling niet worden uitgesloten. Er werden geen behandelingsgerelateerde misvormingen waargenomen bij de rat.

Bij de rat werden effecten van rimonabant op de pre- en postnatale ontwikkelinggeregistreerdbeoordeeld bij doses tot 10 mg/kg/dag. Er was een behandelingsgerelateerde toename van de mortaliteit van de jongen in de

periode vóór het spenen. De toegenomen mortaliteit van de jongen kan te wijten zijn aan achterwege blijven van verzorging door het moederdier of opname van rimonabant in melk en/of remming van de zuigreflex die volgens de literatuur bij neonatale muizen wordt veroorzaakt door endocannabinoïde signalering via CB1-receptoren. Er zijn meldingen in de literatuur dat (bij zowel knaagdieren als mensen) de ruimtelijke verdeling en dichtheid van CB1-receptoren in de hersenen tijdens de ontwikkeling verandert. De mogelijke relevantie hiervan voor toediening van een CB1-antagonist is onbekend. Bij het onderzoek naar de pre- en postnatale ontwikkeling van ratten veroorzaakte blootstelling aan rimonabant in utero en via lactatie geen veranderingen in leervermogen of geheugen, maar bij de jongen werden arbitraire effecten op motorische activiteit en auditieve schrikreactie waargenomen ten gevolge van blootstelling aan rimonabant.

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Tabletkern:

maïszetmeel,

lactosemonohydraat, povidon K 30 (E1201),

croscarmellosenatrium (E468), natriumlaurylsulfaat (E487), microkristallijne cellulose (E460), magnesiumstearaat

Tabletomhulling:

 

langer

lactosemonohydraat,

 

hypromellose 15 mPa.s (E464),

 

titaniumdioxide (E171),

 

macrogol 3000

 

 

Tabletglansmiddel:

 

 

carnaubawas (E903)

 

 

6.2

Gevallen van onverenigbaarheid

 

 

 

niet

 

Niet van toepassing.

 

 

6.3

Houdbaarheid

 

 

3 jaar

 

 

 

6.4

Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

VoorGeneesmiddeldit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

PVC-aluminium blisterverpakkingen met daarin 14, 28, 30, 56, 84, 90 en 98 filmomhulde tabletten 70 x 1 filmomhulde tablet in PVC-aluminium geperforeerde eenheidsdosis blisterverpakkingen Opaakwitte HDPE-flesjes met daarin 28, 98 en 500 filmomhulde tabletten

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.

geregistreerd

 

7.

HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

sanofi-aventis.

 

174, Avenue de France

 

F-75013 Paris

 

Frankrijk

 

8.

NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/06/344/001-011

 

9.

DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN

 

DE VERGUNNING

 

19 juni 2006

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

 

 

langer

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europese

Geneesmiddelen Bureau (EMEA) http://www.emea.europa.eu/.

Geneesmiddel

niet

 

 

 

 

A. HOUDER(S) VAN DE VERGUNNING(EN) VOOR DE

VERVAARDIGING VERANTWOORDELIJK VOOR

VRIJGIFTE

VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

geregistreerd BIJLAGElangerII

B. VOORWAARDEN VERBONDEN AAN DE VERGUNNING

Geneesmiddel

niet

 

• ANDERE VOORWAARDEN

AFLEVERING EN HET GEBRUIK

geregistreerd

A. HOUDER(S) VAN DE VERGUNNING(EN) VOOR DE VERVAARDIGING VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE

Naam en adres van de fabrikant(en) verantwoordelijk voor vrijgifte

Sanofi Winthrop Industrie, 30-36 Avenue Gustave Eiffel, BP 27166, F-37071 Tours Cedex 2, Frankrijk

sanofi-aventis S.p.A., Strada Statale 17, Km 22 , 67019 Scoppito (AQ), Italië

In de gedrukte bijsluiter van het geneesmiddel dienen de naam en het adres van de fabrikant die verantwoordelijk is voor vrijgifte van de desbetreffende partij te zijn opgenomen.

B. VOORWAARDEN VERBONDEN AAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

• VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN OPGELEGD AAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN TEN AANZIEN VAN DE

Aan medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel.langer

• VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN VEILIG

EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL

Niet van toepassing.

niet onderzoeksprogrammaGeneesmiddelen de additionele geneesmiddelenbewakingsactiviteiten, die in de

De houder van de vergunning voor het in de handel brengen dient ervoor te zorgen dat voordat het product op de markt komt het geneesmiddelenbewakingsysteem klaar en operationeel is.

De houder van de vergunning voor het in de handel brengen verplicht zich om het

Pharmacovigilance Plan beschreven zijn, worden uitgevoerd.

Een geupdate risicomanagementplan dient aangeleverd te worden volgens de CHMP richtlijn over risicomanagementsystemen voor medicinale producten voor humaan gebruik.

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld