Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Amyvid (florbetapir (18F)) – Samenvatting van de productkenmerken - V09AX05

Updated on site: 05-Oct-2017

Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Amyvid 800 MBq/ml, oplossing voor injectie

Amyvid 1900 MBq/ml, oplossing voor injectie

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Amyvid 800 MBq/ml, oplossing voor injectie

Elke ml oplossing voor injectie bevat 800 MBq florbetapir (18F) op datum en tijdstip van kalibratie (ToC).

De radioactiviteit per injectieflacon varieert van 800 MBq tot 12.000 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Amyvid 1900 MBq/ml, oplossing voor injectie

Elke ml oplossing voor injectie bevat 1900 MBq florbetapir (18F) op datum en tijdstip van kalibratie (ToC).

De radioactiviteit per injectieflacon varieert van 1900 MBq tot 28.500 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Fluor-18 (18F) vervalt tot stabiel zuurstof (18O) met een halfwaardetijd van ongeveer 110 minuten door afgifte van een positronstraling van 634 keV, gevolgd door fotonische annihilatiestraling van 511 keV.

Hulpstoffen met bekend effect

Dit geneesmiddel bevat 79 mg/ml ethanol en maximaal 37 gram natrium.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Oplossing voor injectie.

Heldere, kleurloze oplossing.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Dit geneesmiddel is uitsluitend voor diagnostisch gebruik.

Amyvid is een radiofarmacon en geïndiceerd voor positronemissietomografie- (PET-) beeldvorming van de dichtheid van β-amyloïde neuritische plaques in de hersenen van volwassen patiënten met cognitieve stoornis, die geëvalueerd worden op verdenking van de ziekte van Alzheimer (AD) en andere oorzaken van cognitieve stoornis. Amyvid dient in combinatie met een klinische evaluatie gebruikt te worden.

Een negatieve scan wijst op weinig of geen plaques, wat niet consistent is met een diagnose van AD. Voor de beperkingen van de interpretatie van een positieve scan, zie rubriek 4.4 en 5.1.

4.2Dosering en wijze van toediening

Een PET-scan met florbetapir (18F) mag alleen worden aangevraagd door artsen gekwalificeerd op het gebied van klinische behandeling van neurodegeneratieve stoornissen.

Amyvid-beelden dienen alleen geïnterpreteerd te worden door beoordelaars die getraind zijn in de interpretatie van PET-beelden met florbetapir (18F). Als er onzekerheid is over de locatie van de grijze stof en over de rand van de grijze en witte stof in de PET-scan is een recente tegelijkertijd geregistreerde CT-scan (Computertomogram) of een MR-beeld (Magnetische Resonantie) van de patiënt aan te bevelen om een samengesteld PET-CT-beeld of PET-MR- beeld te krijgen (zie rubriek 4.4, Beeldinterpretatie).

Dosering:

De aanbevolen hoeveelheid radioactiviteit voor een volwassene van 70 kg is 370 MBq florbetapir (18F). Het volume van de injectie mag niet minder dan 1 ml zijn en niet meer dan 10 ml.

Speciale populaties

Ouderen

Er wordt geen dosisaanpassing gebaseerd op leeftijd aanbevolen.

Nier- en leverfunctiestoornis:

Het is noodzakelijk de toe te dienen radioactiviteit nauwkeurig te overwegen omdat bij deze patiënten een verhoogde blootstelling aan straling mogelijk is. Zie rubriek 4.4.

Er zijn met het geneesmiddel bij normale en speciale populaties geen uitgebreide studies gedaan naar de dosisspreiding en -aanpassing. De farmacokinetiek van florbetapir (18F) bij patiënten met nier- en leverfunctiestoornissen is niet gekarakteriseerd.

Pediatrische patiënten

Er is geen relevante toepassing van Amyvid bij pediatrische patiënten.

Wijze van toediening

Voor intraveneus gebruik.

Voor meerdere doseringen.

De radioactiviteit van florbetapir (18F) moet direct vóór de injectie worden gemeten met een radioactiviteitmeter (dosiscalibrator).

De dosis wordt toegediend per intraveneuze bolusinjectie, gevolgd door een overmaat natriumchloride 9 mg/ml (0,9%) oplossing voor injectie om er zeker van te zijn dat de volledige dosis wordt toegediend.

Injectie van Amyvid via een korte intraveneuze katheter (ongeveer 4 cm of minder) vermindert de mogelijke adsorptie van de werkzame stof door de katheter.

Florbetapir (18F) moet intraveneus worden toegediend zowel om straling ten gevolge van lokale extravasatie te vermijden als om artefacten in de beelden te voorkomen.

Beeldverwerving

Ongeveer 30 tot 50 minuten na intraveneuze injectie van Amyvid dient een 10-minuten PET- beeld gemaakt te worden. Patiënten moeten op hun rug liggen met het hoofd zodanig gepositioneerd dat de hersenen, inclusief het cerebellum in het zichtveld van de PET-scanner zijn gecentreerd. Bewegingen van het hoofd kunnen met tape of andere flexibele hoofdbanden worden gereduceerd. Reconstructie dient verzwakkingscorrectie met resulterende transaxiale pixelgrootten tussen 2,0 en 3,0 mm te omvatten.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor het werkzaam bestanddeel of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Rechtvaardiging van het individuele nut/risico

Voor elke patiënt moet de blootstelling aan straling te rechtvaardigen zijn ten opzichte van het waarschijnlijk nut. De toegediende radioactiviteit moet in ieder geval zo laag gehouden worden als redelijkerwijs aannemelijk is om de vereiste diagnostische informatie te verkrijgen.

Nier- en leverfunctiestoornis

De verhouding tussen nut en risico dient voor deze patiënten zorgvuldig overwogen te worden omdat een verhoogde blootstelling aan straling mogelijk is. Florbetapir (18F) wordt voornamelijk uitgescheiden via het hepatobiliair systeem en patiënten met leverfunctiestoornissen kunnen een verhoogde blootstelling aan straling hebben. Zie rubriek 4.2.

Pediatrische patiënten

Zie de rubrieken 4.2 of 5.1 voor informatie over het gebruik bij pediatrische patiënten.

Interpretatie van de Amyvid-beelden

Amyvid-beelden dienen alleen geïnterpreteerd te worden door beoordelaars die getraind zijn in de interpretatie van PET-beelden met florbetapir (18F). Een negatieve scan indiceert weinig of geen dichtheid van corticale β-amyloïde plaques. Een positieve scan indiceert een matige of hoge dichtheid. Er zijn bij de schatting van de β-amyloïde neuritische plaques in de hersenen beeldinterpretatiefouten inclusief vals-negatieven gezien.

Beoordeling van beelden dient primair in de transaxiale oriëntatie te gebeuren met indien nodig toegang tot de sagittale en coronale vlakken. Aanbevolen wordt dat beoordeling van beelden alle transaxiale doorsneden van de hersens omvatten, gebruik makend van een zwart- wit schaal met de maximale intensiteit van de schaal ingesteld op de maximale intensiteit van alle hersenpixels.

Interpretatie van het beeld als negatief of positief wordt gedaan door de radioactiviteit in de corticale grijze stof visueel te vergelijken met de radioactiviteit in de aangrenzende witte stof (zie figuur 1.)

Negatieve scans hebben meer radioactiviteit in de witte stof dan in de grijze stof en geven heldere grijs-witte contrasten. Positieve scans zullen ofwel:

a)twee of meer hersengebieden (elk groter dan een enkele corticale gyrus) hebben met een gereduceerd of afwezig grijs-wit contrast; dit is de meest voorkomende verschijningsvorm van een positieve scan; ofwel

b)een of meer gebieden hebben waar in de grijze stof radioactiviteit intens is en duidelijk de radioactiviteit in aangrenzende witte stof overstijgt.

Figuur 1: Amyvid-PET-gevallen die voorbeelden laten zien van negatieve scans (bovenste twee rijen) en positieve scans (onderste twee rijen). Van links naar rechts zien we sagittale, coronale en transverse PET-beelddoorsneden. De uiterst rechtse rij laat vergrote beelden van het hersengebied in het vierkant zien. De bovenste twee pijlen wijzen naar een normaal gebleven grijs-wit contrast met de corticale radioactiviteit minder dan de aangrenzende witte stof. De onderste twee pijlen wijzen naar gebieden van verminderd grijs-wit contrast met verhoogde corticale radioactiviteit die vergelijkbaar is met de radioactiviteit in de aangrenzende witte stof.

AMYVID-PET-BEELDEN

Sagittaal Coronaal Transvers

Negatief

Positief

Aanvullend gebruik van kwantitatieve informatie voor interpretatie van de beelden:

Aanvullend gebruik van kwantitatieve amyloïd PET-informatie dient alleen toegepast te worden door beoordelaars die getraind zijn in de toepassing van kwantitatieve informatie om de visuele beeldinterpretatie te ondersteunen; daaronder vallen aanbevelingen voor de selectie van passende software om de methodes te ondersteunen. Integratie van kwantitatieve informatie gegenereerd door CE-gemarkeerde software voor beeldkwantitering als aanvulling op de visuele interpretatiemethode kan de nauwkeurigheid van de beoordelaar verbeteren. Beoordelaars dienen de scan visueel te interpreteren en vervolgens de kwantitering uit te voeren volgens de instructies van de fabrikant, waaronder kwaliteitschecks van het kwantitatieve proces, en zij dienen kwantitering van de scan te vergelijken met de normale waarden voor negatieve en positieve scans. Indien het resultaat van de kwantitering niet consistent is met de oorspronkelijke visuele interpretatie:

1.De ruimtelijke normalisatie en de aanpassing van de scan aan de template dient nogmaals gecontroleerd te worden om de nauwkeurigheid te bevestigen van de plaatsing van de gebieden die van belang zijn (regions of interest, ROI’s); zoek naar CSV of bot binnen de ROI en evalueer de mogelijke impact van atrofie of ventriculomegalie op de kwantitering.

2.De basis om een visueel positieve of negatieve beoordeling te maken dient geëvalueerd te worden:

a.In geval van een amyloïd-positieve initiële visuele beoordeling en negatieve kwantitering dient de arts te overwegen of de positieve visuele interpretatie gebaseerd kan zijn op retentie van tracer in gebieden buiten de ROI’s die bijdragen aan de corticale gemiddelde gestandaardiseerde opnamewaarde ratio (standardised uptake value ratio, SUVR).

b.In geval van een amyloïd-negatieve initiële visuele beoordeling en een amyloïd- positieve kwantitering dienen de gebieden overeenkomend met de ROI’s met verhoogde SUVR onderzocht te worden om te bepalen of er een verlies is van contrast tussen grijze en witte stof in deze gebieden.

3.Het gebied van het cerebellum dient onderzocht te worden om de aanpassing van de ROI en het niveau van het contrast tussen grijze en witte stof te bevestigen, wat een standaard voor de visuele vergelijking met de cortex aangeeft. Mogelijke structurele anomalieën die de kwantitering van het gebied van het cerebellum kunnen beïnvloeden dienen in overweging genomen te worden.

4.Een uiteindelijke interpretatie van de scan dient te gebeuren op basis van de uiteindelijke visuele beoordeling na de resolutiestappen 1 – 3 hierboven uitgevoerd te hebben.

Beperkingen van het gebruik

Een positieve scan alleen stelt een diagnose AD of een andere cognitieve stoornis niet onomstotelijk vast omdat afzetting van neuritische plaques in grijze stof aanwezig kan zijn bij ouderen zonder symptomen en bij sommige neurodegeneratieve dementieën (ziekte van Alzheimer, Lewy body-dementie, dementie door de ziekte van Parkinson).

Voor beperkingen van gebruik bij patiënten met een milde cognitieve stoornis (MCI), zie rubriek 5.1.

De effectiviteit van Amyvid bij het voorspellen van de ontwikkeling van AD of voor het monitoren van respons op behandeling is niet vastgesteld (zie rubriek 5.1).

Sommige scans kunnen moeilijk te interpreteren zijn vanwege beeldruis, atrofie met een verdunde corticale schors of beeldonscherpte, die tot interpretatiefouten kunnen leiden. Voor gevallen waarin er onzekerheid is voor wat betreft de locatie van de grijze stof of de rand van de grijze/witte stof op de PET-scan en wanneer een tegelijk geregistreerd recent CT- of MR-

beeld beschikbaar is, dient degene die de scan interpreteert het samengestelde PET-CT- of PET-MR-beeld te onderzoeken om de relatie van de PET-radioactiviteit en de anatomie van de grijze stof te verhelderen.

Er is in enkele gevallen een verhoogde opname waargenomen in extracerebrale structuren zoals speekselklieren, huid, spieren en botten (zie rubriek 5.2). Onderzoek van sagittale beelden en tegelijkertijd geregistreerde CT- of MR-beelden kunnen helpen om een onderscheid te maken tussen achterhoofdsbot en grijze stof in het achterhoofd.

Na de procedure

Nauw contact met kinderen en zwangere vrouwen dient gedurende 24 uur na de injectie beperkt te worden.

Specifieke waarschuwingen

Het gehalte aan natrium is hoger dan 1 mmol (tot 37 mg per dosis). Hiermee dient rekening gehouden te worden bij patiënten met een natriumbeperkt dieet.

Dit geneesmiddel bevat 10 vol% ethanol (alcohol), dat is tot 790 mg per dosis, equivalent aan 20 ml bier of 8 ml wijn per dosis.

Deze hoeveelheid kan schadelijk zijn voor alcoholisten en hiermee dient rekening gehouden te worden bij vrouwen die zwanger zijn of borstvoeding geven en bij groepen met een hoog risico zoals patiënten met leveraandoeningen of epilepsie.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er zijn geen in vivo interactiestudies uitgevoerd.

In vitro bindingsstudies lieten bij aanwezigheid van andere gebruikelijke geneesmiddelen die door AD-patiënten gebruikt worden, geen interferentie zien van florbetapir (18F)-binding aan β-amyloïde plaques.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Vrouwen in de vruchtbare leeftijd

Wanneer men het voornemen heeft radiofarmaca toe te dienen aan een vrouw die zwanger kan worden, is het belangrijk vast te stellen of zij zwanger is of niet. Van elke vrouw die een menstruatie heeft overgeslagen, moet worden aangenomen dat zij zwanger is tenzij het tegendeel bewezen is. Als er twijfels zijn over een mogelijke zwangerschap (als de vrouw een menstruatie heeft overgeslagen, als zij een onregelmatige cyclus heeft enz.) dienen alternatieve technieken zonder ioniserende straling (als die er zijn) aan de patiënt te worden aangeboden.

Zwangerschap

Radionuclideprocedures uitgevoerd bij zwangere vrouwen brengen met zich mee dat ook de foetus een stralingsdosis krijgt. Daarom dienen alleen essentiële onderzoeken tijdens de zwangerschap te worden uitgevoerd, als het mogelijke nut het risico voor moeder en kind verre overtreffen.

Er zijn geen studies uitgevoerd bij zwangere vrouwen. Er zijn geen dierstudies uitgevoerd om de effecten van florbetapir (18F) op de reproductie te onderzoeken (zie rubriek 5.3).

Borstvoeding

Het is niet bekend of florbetapir (18F) tijdens de borstvoedingperiode in de moedermelk wordt uitgescheiden. Voordat radiofarmaca worden toegediend aan een moeder die borstvoeding

geeft, dient overwogen te worden of de toediening van radionuclide kan worden uitgesteld totdat de moeder is gestopt met het geven van borstvoeding. Ook dient overwogen te worden wat het meest geschikte radiofarmacon is, waarbij de uitscheiding van radioactiviteit in de moedermelk in ogenschouw genomen moet worden. Als de toediening noodzakelijk geacht wordt, dient de borstvoeding gedurende 24 uur onderbroken te worden en de afgekolfde voeding te worden weggegooid.

Nauw contact met kinderen dient gedurende 24 uur na injectie beperkt te worden.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen vruchtbaarheidsstudies gedaan.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Niet van toepassing.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

In klinische studies zijn bijwerkingen verzameld die betrekking hadden op 555 individuen en 665 toedieningen van Amyvid oplossing voor injectie. Er zijn geen ernstige bijwerkingen gerelateerd aan Amyvid-toediening gemeld.

Lijst van bijwerkingen

De frequenties zijn gedefinieerd als zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms

(≥ 1/1.000, < 1/100), zelden (≥1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (<1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Terwijl ze in werkelijkheid bij lagere frequenties dan hieronder aangegeven kunnen voorkomen, was de omvang van de brondatabase niet groot genoeg om frequentiecategorieën lager dan de categorie soms

(≥ 1/1.000, < 1/100) toe te kennen.

Zenuwstelselaandoeningen

Vaak: hoofdpijn

Soms: dysgeusie

Bloedvataandoeningen

Soms: blozen

Maagdarmstelselaandoeningen

Soms: misselijkheid

Huid- en onderhuidaandoeningen

Soms: pruritus, urticaria

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Soms: uitslag op de infusieplaats, reacties op de injectieplaats (waaronder bloedingen, irritatie en pijn op de injectieplaats)

Blootstelling aan ioniserende straling wordt in verband gebracht met de inductie van kanker en met de mogelijke ontwikkeling van erfelijke afwijkingen. Omdat de effectieve dosis 7 mSv is als de aanbevolen radioactiviteit van 370 MBq florbetapir (18F) wordt toegediend is er naar verwachting een lage kans dat deze bijwerkingen voorkomen.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Vanwege de kleine hoeveelheid florbetapir (18F) in iedere dosis zal een overdosis naar verwachting geen farmacologische effecten veroorzaken. In geval van toediening van een stralingsoverdosis dient de door de patiënt geabsorbeerde dosis waar mogelijk gereduceerd te worden door de eliminatie van radionuclide uit het lichaam te verhogen door frequent urineren en ontlasten. Het kan helpen de effectieve dosis die werd toegepast te schatten.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: radiofarmaca voor diagnostiek van het centraal zenuwstelsel, ATC-code: V09AX05

Werkingsmechanisme

Florbetapir (18F) bindt zich aan β-amyloïde neuritische plaques. Bindingsstudies, die post mortem de traditionele neuropathologische kleuringsmethoden gebruiken in de hersenen van AD-patiënten, toonden statistisch significante (p< 0,0001) correlaties aan tussen in vitro florbetapir (18F)-binding en β-amyloïde-aggregatie-afzetting. In vivo werden bij patiënten aan het eind van hun leven correlaties bepaald tussen florbetapir (18F)-opname in de corticale grijze stof en de totale β-amyloïdelast, gebruikmakend van 4G8 anti-amyloïd antilichaam dat β-amyloïde kleurt dat zowel in neuritische als in diffuse plaques gevonden wordt. De in vivo binding van florbetapir (18F) aan andere β-amyloïde structuren of andere hersenstructuren of receptoren blijft onbekend.

Farmacodynamische effecten

Bij de lage chemische concentraties die in Amyvid aanwezig zijn, heeft florbetapir (18F) geen detecteerbare farmacologische activiteit.

In afgeronde klinische onderzoeken werd de opname van florbetapir (18F) in 6 van te voren gedefinieerde corticale gebieden van de hersenen (precuneus, frontaal, anterieur cingularis, posterieur cingularis, pariëtaal en temporaal) kwantitatief gemeten met gebruikmaking van Gestandaardiseerde Opnamewaarden (Standardised Uptake Values = SUV). De corticale gemiddelde SUV-ratio’s (SUVR's, in verhouding tot het cerebellum) zijn bij AD-patiënten hoger vergeleken met die van gezonde vrijwilligers. De gemiddelde corticale ten opzichte van cerebellaire SUVR-waarden bij AD-patiënten laten aanhoudend substantiële verhogingen zien van tijdstip nul tot 30 minuten na toediening, met alleen kleine wijzigingen tot 90 minuten na de injectie. Er werden geen verschillen in SUVR-resultaten waargenomen bij personen die de gebruikelijke AD-behandelingen ondergingen vergeleken met degenen die geen AD- behandeling kregen.

Klinische werkzaamheid

Een kernstudie waarin 59 patiënten aan het eind van hun leven geïncludeerd waren, was bedoeld om de diagnostische prestatie van Amyvid om de corticale neuritische

plaquedichtheid (geen of weinig versus matig of hoog) te detecteren. De PET-resultaten werden vergeleken met de maximale neuritische plaquedichtheid gemeten in delen van de frontale, temporale of pariëtale cortex bij de autopsie van de patiënt binnen 24 maanden na de PET-scan. De cognitieve status van de patiënten kon niet op betrouwbare wijze worden gemeten. Bij alle 59 personen resulteerde een geblindeerde beoordeling van de PET door 5 nucleair geneeskundigen in een bij meerderheid beoordeelde sensitiviteit van 92% (95% BI: 78-98%) en specificiteit van 100% (95% BI: 80-100%). In een studie van 47 jonge (<40 jaar oud) gezonde vrijwilligers, er van uitgaand dat ze β-amyloïde vrij zijn, waren alle PET-scans negatief.

Sensitiviteit en specificiteit van Amyvid om corticale neuritische plaquedichtheid te detecteren werd verder onderzocht in twee aanvullende studies, waarin verschillende koppels van beoordelaars de beelden interpreteerden van enkele personen die in de kernstudie werden gevolgd tot en met de autopsie. De resultaten van deze studies sloten nauw aan op de resultaten zoals die in de kernstudie werden verkregen. De interbeoordelaarovereenkomst, bepaald met Fleiss’ kappa-waarden, liep uiteen van 0,75 tot 0,85.

In een longitudinale studie ondergingen 142 personen (klinisch gediagnosticeerd als MCI, AD of cognitief normaal) florbetapir (18F)-PET-scans in de uitgangssituatie en werden gedurende 3 jaar gevolgd om de relatie tussen Amyvid-beelden en veranderingen in status van de diagnose te evalueren.

Diagnostische resultaatwaarden van florbetapir (18F)-PET zijn hieronder in tabelvorm te vinden.

 

Overeenstemming met MCI

Overeenstemming met

 

als diagnose in de

klinische AD als diagnose

 

uitgangssituatie

in de uitgangssituatie

 

N=51

N=31

Sensitiviteit

19/51 = 37,3%

21/31 = 67,7%

(95% BI: 24,1-51,9%)

(95% BI: 51,3-84,2%)

 

 

Gebruikmakend van non-

Gebruikmakend van non-

 

MCI-cases

AD-cases

Specificiteit

(cognitief normaal &

(cognitief normaal &

klinische AD)

MCI)

 

 

69/100 = 69,0%

91/120 = 75,8%

Positieve

(95% BI: 59,9-78,1%)

(95% BI: 68,2-83,5%)

1,20 (95% BI: 0,76-1,91)

2,80 (95% BI: 1,88-4,18)

waarschijnlijkheidsratio

 

 

Van de patiënten die aan het begin van de studie klinisch gediagnosticeerd zijn met MCI, werd 36 maanden later bij 9 (19%) patiënten klinische AD vastgesteld. Van de 17 MCI- patiënten die een positieve PET-scan hadden, werden 36 maanden later 6 (35%) patiënten gediagnosticeerd met klinisch waarschijnlijke AD vergeleken met 3 (10%) van de 30 patiënten met een negatieve scan. Sensitiviteit van Amyvid-scans die de MCI-conversie naar AD laten zien in 9 converters was 66,7% (95% BI:35-88%), specificiteit in 38 non-converters was 71,0% (95% BI: 55-83%) en de positieve waarschijnlijkheidsratio was 2,31 (95% BI: 1,2-4,5). De opzet van deze studie staat niet toe om schattingen van het risico van MCI- progressie naar klinische AD te maken.

Aanvullend gebruik van kwantitatieve informatie voor interpretatie van de beelden

De haalbaarheid en betrouwbaarheid van het gebruik van CE-gemarkeerde kwantitatieve software als een aanvulling op klinische kwalitatieve interpretatie werd onderzocht in twee

onderzoeken die gebruik maakten van drie verschillende commercieel beschikbare kwantitatieve softwarepakketten. De deelnemende beoordelaars evalueerden eerst een set van 96 PET-scans, waaronder 46 scans met een door autopsie bewezen standaard, gebruik makend van de visuele kwalitatieve beoordelingsmethode om een baseline vast te stellen en werden vervolgens gevraagd dezelfde set van scans te herevalueren met of zonder toegang tot kwantitatieve software-informatie. Voor alle deelnemende beoordelaars die toegang hadden tot kwantitatieve informatie verbeterde de gemiddelde nauwkeurigheid van de beoordelaar voor de met een door autopsie bewezen standaard scans van 90,1% bij baseline tot 93,1% (p- waarde <0,0001), zonder waargenomen vermindering van gevoeligheid of specificiteit.

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting om de resultaten in te dienen van onderzoek met Amyvid in alle subgroepen van pediatrische patiënten omdat er geen intentie is het bij pediatrische patiënten te gebruiken.

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Distributie

Florbetapir (18F) wordt binnen enkele minuten na de injectie in het lichaam gedistribueerd en wordt dan snel gemetaboliseerd.

Opname in de organen

De maximale opname van florbetapir (18F) in de hersenen vindt plaats binnen enkele minuten na injectie, gevolgd door een snelle klaring in de hersenen gedurende de eerste 30 minuten na injectie. De organen met de hoogste blootstelling zijn de eliminatie-organen, voornamelijk de galblaas, lever en darmen.

Gezonde controlepersonen laten relatief lage niveaus van florbetapir (18F)-retentie zien in de cortex en het cerebellum. Analyse van de verschillende gebieden laten een enigszins hoger niveau van retentie zien in de nucleus caudatus, putamen en hypocampus. Het hoogste opnameniveau is in gebieden die voornamelijk bestaan uit witte stof (pons en centrum semiovale). Bij personen met AD laten de corticale gebieden en het putamen significant hogere opname zien vergeleken met controlepersonen. Zowel bij personen met AD als bij controlepersonen is er een lage retentie in het cerebellum en de hypocampus en hoge retentie in pons en centrum semiovale.

De biofysische basis van de retentie van florbetapir (18F) in de witte stof in de levende menselijke hersenen kan niet definitief worden verklaard. Er wordt verondersteld dat tragere klaring van het radiofarmacon kan bijdragen aan de retentie in witte stof omdat de regionale cerebrale bloedstroom in witte stof minder dan de helft is van die in de cortex. Er is in enkele gevallen een opname waargenomen in extracerebrale structuren zoals hoofdhuid, speekselklieren, spieren en botten van de schedel. De oorzaak van die opname is niet bekend maar zou kunnen worden toegeschreven aan de ophoping van florbetapir (18F) of van een van zijn radioactieve metabolieten of door radioactiviteit van het bloed.

Eliminatie

Eliminatie verloopt primair door klaring via de lever en uitscheiding in de galblaas en de darmen. Ook is enige accumulatie/uitscheiding in de urineblaas waargenomen. Radioactiviteit in de urine is aanwezig als polaire metabolieten van florbetapir (18F).

Halfwaardetijd

Florbetapir (18F) wordt na intraveneuze toediening snel geklaard uit de circulatie. Minder dan 5% van de geïnjecteerde 18F-radioactiviteit blijft 20 minuten na toediening in het bloed en

minder dan 2% is aanwezig 45 minuten na toediening. Het restant 18F dat gedurende de 30-90 minuten van de beeldvorming in de circulatie aanwezig is, is voornamelijk in de vorm van de polaire 18F-vorm. De radioactieve halfwaardetijd van 18F is 110 minuten.

Nier- en leverfunctiestoornis

De farmacokinetiek bij patiënten met nier- of leverfunctiestoornis is niet gekarakteriseerd.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Toxicologie bij dieren en veiligheidsfarmacologie

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie en toxiciteit bij enkelvoudige en herhaalde dosering, waarbij florbetapir [de niet-radioactieve vorm van florbetapir (18F)] werd gebruikt. Bij ratten werd een studie met enkelvoudige doses uitgevoerd en er werd vastgesteld dat de NOAEL (no observable adverse effect level) ten minste 100 keer de maximale humane dosering is. De mogelijke toxiciteit van 28 dagen herhaalde intraveneuze injecties van florbetapir werd getest bij ratten en honden. Men ontdekte dat de NOAEL ten minste 25 keer de maximale humane dosis was.

In een in vitro bacteriële omgekeerde-mutatietest (Ames-test) werden verhogingen in het aantal revertante kolonies waargenomen in 2 van de 5 stammen die aan florbetapir waren blootgesteld. In een in vitro studie betreffende chromosomale afwijkingen met gecultiveerde humane perifere lymfocytencellen verhoogde florbetapir het percentage cellen met structurele afwijkingen na drie uur blootstelling met of zonder activering niet; 22 uur blootstelling veroorzaakte echter een verhoging in structurele afwijkingen bij alle geteste concentraties. Mogelijke in vivo genotoxiciteit van florbetapir werd geëvalueerd in een micronucleusstudie bij ratten. In dit onderzoek verhoogde florbetapir het aantal micronuclische polychromatische erytrocyten bij het hoogst bereikbare dosisniveau, 372 μg/kg/dag, niet als het tweemaal daags op drie opeenvolgende dagen gegeven werd. Deze dosis is ongeveer 500 maal de maximale humane dosis en liet geen bewijs voor mutageniteit zien.

Er zijn geen dierstudies uitgevoerd om de mogelijke carcinogeniteit op lange termijn, effecten op de vruchtbaarheid of op de reproductie van florbetapir (18F) te onderzoeken.

Er zijn met florbetapir (18F) geen diertoxicologische en veiligheidsfarmacologische studies uitgevoerd.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Ethanol, absoluut

Natriumascorbaat

Natriumchloride

Water voor injecties

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

In verband met het ontbreken van onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3Houdbaarheid

Amyvid 800 MBq/ml, oplossing voor injectie 7,5 uur na tijdstip van kalibratie.

Amyvid 1900 MBq/ml, oplossing voor injectie 10 uur na tijdstip van kalibratie.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities wat betreft de temperatuur.

Zie rubriek 6.3 voor de bewaarcondities na eerste opening.

Bewaren van radiofarmaca dient te gebeuren in overeenstemming met de nationale regelgeving betreffende radioactieve materialen.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Amyvid wordt geleverd in 10 ml of 15 ml injectieflacons van type I helder boorsilicaatglas met FluroTec-gecoate chloorbutyl elastomeer stoppen en aluminium verzegeling.

Amyvid 800 MBq/ml, oplossing voor injectie

Eén multidoseringsinjectieflacon met een capaciteit van 10 ml bevat 1 tot 10 ml oplossing overeenkomend met 800 tot 8.000 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Eén multidoseringsinjectieflacon met een capaciteit van 15 ml bevat 1 tot 15 ml oplossing overeenkomend met 800 tot 12.000 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Amyvid 1900 MBq/ml, oplossing voor injectie

Eén multidoseringsinjectieflacon met een capaciteit van 10 ml bevat 1 tot 10 ml oplossing overeenkomend met 1900 tot 19.000 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Eén multidoseringsinjectieflacon met een capaciteit van 15 ml bevat 1 tot 15 ml oplossing overeenkomend met 1900 tot 28.500 MBq op datum en tijdstip van kalibratie.

Ten gevolge van verschillen tijdens de fabricage is het mogelijk dat injectieflacons van sommige partijen van het product worden gedistribueerd met rubber stoppen met een doorprikgaatje.

Elke injectieflacon zit in een beschermende container van geschikte dikte om externe blootstelling aan straling te minimaliseren.

Verpakkingsgrootte: 1 injectieflacon.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Algemene waarschuwing

Radiofarmaca dienen alleen door geautoriseerde personen in daarvoor bestemde klinische omgevingen te worden ontvangen, gebruikt en toegediend. Ontvangst, opslag, gebruik, overdracht en vernietiging zijn onderworpen aan regelgeving en/of van toepassing zijnde vergunningen van de bevoegde officiële organisatie.

Radiofarmaca dienen klaargemaakt te worden op een manier die voldoet aan eisen van zowel stralingsveiligheid als farmaceutische kwaliteit. Er dienen geschikte aseptische voorzorgen in acht genomen te worden.

De injectieflacon mag niet worden gebruikt als deze beschadigd is.

Bij de toediening dienen procedures in acht te worden genomen om het contaminatierisico van het geneesmiddel en de straling ten opzichte van de behandelaar te minimaliseren. Adequate afschermende maatregelen zijn verplicht.

De toediening van radiofarmaca creëert risico’s voor andere mensen (waaronder zwangere zorgverleners) door externe straling of contaminatie door resten urine, braaksel enzovoort. Daarom dienen er voorzorgsmaatregelen voor stralingsbescherming genomen te worden conform nationale regelgeving.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Eli Lilly Nederland B.V., Papendorpseweg 83, 3528 BJ Utrecht,, Nederland.

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/805/001

EU/1/12/805/002

EU/1/12/805/003

EU/1/12/805/004

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING

14 januari 2013

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

11.DOSIMETRIE

De geschatte geabsorbeerde stralingsdoses voor organen en weefsels van een gemiddelde volwassen patiënt (70 kg) per 370 MBq florbetapir (18F), gebruik makend van standaardmethoden voor dosimetrieberekeningen (ICRP volume 30) staat hieronder getabelleerd. Er zijn geen aannamen gedaan wat betreft lediging van de urineblaas.

 

Geabsorbeerde dosis per toegediende

 

radioactiviteit

Orgaan/weefsel

(µGy/MBq)

Gemiddeld

Bijnieren

13,6

Hersenen

10,0

 

Geabsorbeerde dosis per toegediende

 

radioactiviteit

Orgaan/weefsel

(µGy/MBq)

Gemiddeld

Borsten

6,2

Galblaaswand

143,0

Wand van de onderste dikke darm

27,8

Dunne darm

65,5

Maagwand

11,7

Wand van de bovenste dikke darm

74,4

Hartwand

12,7

Nieren

13,0

Lever

64,4

Longen

8,5

Spieren

8,6

Eierstokken

17,6

Pancreas

14,4

Rood beenmerg

14,3

Osteogene cellen

27,6

Huid

5,9

Milt

8,9

Testes

6,8

Thymus

7,3

Schildklier

6,8

Urineblaaswand

27,1

Uterus

15,6

Hele lichaam

11,6

Effectieve Dosis [µSv/MBq]a

18,6

aAangenomen kwaliteitsfactor (Q) van 1 voor omzetting van geabsorbeerde dosis naar effectieve dosis voor 18F.

De effectieve dosis na toediening van een dosis van 370 MBq voor een volwassene van 70 kg is ongeveer 7 mSv. Als gelijktijdig een CT-scan wordt uitgevoerd als onderdeel van de PET- procedure zal de blootstelling aan ioniserende straling toenemen met een hoeveelheid die afhangt van de opzet die bij het verkrijgen van de CT-scan gebruikt wordt. Bij een toegediende activiteit van 370 MBq is de kenmerkende stralingsdosis voor het doelorgaan (de hersenen) 3,7 mGy.

Voor een toegediende hoeveelheid radioactiviteit van 370 MBq zijn de kenmerkende stralingsdoses die aan de kritische organen galblaas, wand van de bovenste dikke darm, wand van de onderste dikke darm, dunne darm en lever worden geleverd respectievelijk 53 mGy, 27,5 mGy, 10,3 mGy, 24,2 mGy en 23,8 mGy.

12. INSTRUCTIES VOOR DE BEREIDING VAN RADIOACTIEVE GENEESMIDDELEN

Bereidingswijze

De verpakking moet voor gebruik gecontroleerd worden en de activiteit moet gemeten worden met een radioactiviteitmeter.

Indien vloeistof uit de flacon moet worden opgetrokken dient dit te gebeuren onder aseptische omstandigheden. De injectieflacons mogen niet worden opengemaakt vóór het desinfecteren

van de stop. De oplossing dient via de stop te worden opgetrokken met behulp van een injectiespuit voor eenmalig gebruik met een geschikte beschermende laag en een disposable steriele naald of met behulp van een toegestaan automatisch toedieningssysteem. Er mogen alleen polypropyleen/HDPE-spuiten gebruikt worden. Als de injectieflacon is beschadigd mag het product niet gebruikt worden.

Amyvid mag onder aseptische omstandigheden worden verdund met natriumchloride 9 mg/ml (0,9%) oplossing voor injectie tot een maximale verdunning van 1:5. Het verdunde product dient binnen 4 uur na verdunning gebruikt te worden.

Kwaliteitscontrole

De oplossing dient voor gebruik visueel gecontroleerd te worden. Er dienen alleen heldere oplossingen, vrij van zichtbare deeltjes gebruikt te worden.

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld