Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

BeneFIX (nonacog alfa) – Samenvatting van de productkenmerken - B02BD04

Updated on site: 05-Oct-2017

Naam van geneesmiddelBeneFIX
ATC codeB02BD04
Werkzame stofnonacog alfa
ProducentPfizer Ltd  

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

BeneFIX 250 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 500 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 1000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 1500 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 2000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 3000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

BeneFIX 250 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 250 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 50 IE nonacog alfa.

BeneFIX 500 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 500 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 100 IE nonacog alfa.

BeneFIX 1000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 1000 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 200 IE nonacog alfa.

BeneFIX 1500 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 1500 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 300 IE nonacog alfa.

BeneFIX 2000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 2000 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 400 IE nonacog alfa.

BeneFIX 3000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Elke injectieflacon bevat nominaal 3000 IE nonacog alfa (recombinante coagulatiefactor IX). Na reconstitutie met de bijgeleverde 5 ml (0,234%) natriumchlorideoplossing voor injectie, bevat elke ml oplossing ongeveer 600 IE nonacog alfa.

De sterkte (IE) wordt bepaald met behulp van het eenfasige stollingsonderzoek beschreven in de Europese Farmacopee. De specifieke activiteit van BeneFIX bedraagt niet minder dan 200 IE/mg eiwit.

BeneFIX bevat recombinante coagulatiefactor IX (INN = nonacog alfa). Nonacog alfa is een gezuiverd eiwit dat 415 aminozuren in één enkele keten heeft. Het heeft een primaire aminozuursequentie die vergelijkbaar is met de Ala148 allelische vorm van de van plasma afgeleide factor IX en sommige posttranslationele veranderingen van de recombinantmolecuul zijn verschillend van die van de van plasma afgeleide molecuul. Recombinante coagulatiefactor IX is een glycoproteïne dat wordt afgescheiden door genetisch gemodificeerde zoogdiercellen afkomstig van een Chinesehamsterovarium (CHO)-cellijn.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

BeneFIX 250 IE, 500 IE, 1000 IE, 1500 IE, 2000 IE, 3000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie. Wit/bijna wit poeder en helder en kleurloos oplosmiddel.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Behandeling van en profylaxe tegen bloedingen bij patiënten met hemofilie B (aangeboren factor IX- deficiëntie).

BeneFIX kan voor alle leeftijdsgroepen worden gebruikt.

4.2Dosering en wijze van toediening

De behandeling dient te gebeuren onder toezicht van een arts die ervaring heeft met de behandeling van hemofilie.

Controle van de behandeling

Gedurende het verloop van de behandeling wordt aanbevolen om de factor IX-waarden te bepalen om als leidraad te dienen voor de toe te dienen dosis en de herhalingsfrequentie van de infusies. De respons op factor IX kan van patiënt tot patiënt verschillen, wat te zien is aan verschillende halfwaardetijden en recuperatieniveau’s. Doses die zijn gebaseerd op lichaamsgewicht, dienen mogelijk te worden aangepast bij patiënten met ondergewicht of overgewicht. Vooral bij zware chirurgische ingrepen is het noodzakelijk de substitutietherapie zorgvuldig te controleren en te volgen door middel van een bloedstollingsonderzoek (factor IX-activiteit in het plasma).

Voor het bepalen van de factor IX-activiteit in bloedmonsters van patiënten kunnen bij het gebruik van een op tromboplastinetijd (aPTT) gebaseerde eenfasig in vitro-stollingsonderzoek de resultaten voor de factor IX-activiteit in het plasma significant worden beïnvloed door zowel het type aPTT-reagens als de in het onderzoek gebruikte referentiestandaard. Dit is met name van belang bij het veranderen van laboratorium en/of in het onderzoek gebruikte reagentia.

Dosering

Dosis en duur van de substitutietherapie zijn afhankelijk van de ernst van de factor IX-deficiëntie, van de locatie en de omvang van de bloedingen, en van de klinische toestand van de patiënt.

Het aantal toegediende factor IX-eenheden wordt uitgedrukt in Internationale Eenheden (IE), wat in overeenstemming is met de huidige WHO-standaard voor factor IX-producten. De factor IX-activiteit in plasma wordt uitgedrukt in procenten (ten opzichte van normaal humaan plasma) of in Internationale Eenheden (ten opzichte van een internationale standaard voor factor IX in plasma).

Eén Internationale Eenheid (IE) factor IX-activiteit komt overeen met de hoeveelheid factor IX in één ml normaal humaan plasma.

On-demand behandeling

De berekening van de vereiste dosis BeneFIX kan worden gebaseerd op de verwachting dat één eenheid factor IX-activiteit per kg lichaamsgewicht bij patiënten van 12 jaar of ouder het circulatieniveau van factor IX met een gemiddelde van 0,8 IE/dl doet stijgen (spreiding van 0,4 tot 1,4 IE/dl) (nadere informatie in rubriek 5.2).

De vereiste dosis wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

Vereiste aantal IE =

lichaamsgewicht

x gewenste stijging van

x reciproke van

factor IX

(in kg)

factor IX (%) of (IE/dl)

waargenomen

 

 

 

recovery

Voorbeeld: voor een recovery van 0,8 IE/dl luidt de formule:

Vereiste aantal IE =

lichaamsgewicht

x gewenste stijging van

x 1,3 IE/kg

factor IX

(in kg)

factor IX (%) of (IE/dl)

 

De toe te dienen hoeveelheid en de frequentie van toediening dienen steeds per patiënt te worden bepaald in relatie tot de klinische effectiviteit.

In geval van volgende bloedingen mag de factor IX-activiteit niet dalen tot onder de gegeven niveaus van de plasma-activiteit (uitgedrukt in % ten opzichte van de normale waarde of in IE/dl) in de overeenkomstige periode. De volgende tabel kan dienen als leidraad voor de dosering bij bloedingen en tijdens een chirurgische ingreep:

Ernst van de bloeding / Aard

Vereiste factor

Frequentie van toediening (uren) /

van de chirurgische ingreep

IX-activiteit (%)

Therapieduur (dagen)

 

of (IE/dl)

 

Bloeding

 

 

Beginnende hemartrose,

20-40

Herhaal de infusie om de 24 uur, ten minste

spierbloeding of bloeding in de

 

1 dag, tot de bloeding stopt (de pijn weg is)

mondholte

 

of tot genezing van de wond is bereikt.

Meer uitgebreide hemartrose,

30-60

Herhaal de infusie om de 24 uur gedurende

spierbloeding of hematoom

 

3-4 dagen of langer tot de pijn en het acute

 

 

functieverlies verdwenen zijn.

Levensbedreigende bloedingen

60-100

Herhaal de infusie om de 8 tot 24 uur tot het

 

 

levensgevaar geweken is.

Chirurgische ingreep

 

 

Kleine ingrepen:

30-60

Om de 24 uur, ten minste 1 dag, tot genezing

met inbegrip van tandextracties

 

van de wond bereikt is.

Zware ingrepen

80-100

Herhaal de infusie om de 8-24 uur tot

 

(pre- en

adequate genezing van de wond. Vervolgens

 

postoperatief)

behandelen gedurende nog ten minste 7

 

 

dagen om de factor IX-activiteit tussen 30%

 

 

en 60% (IE/dl) te houden.

Profylaxe

BeneFIX kan worden toegediend voor langetermijnprofylaxe tegen bloedingen bij patiënten met ernstige hemofilie B. In een klinische studie naar secundaire routineprofylaxe bedroeg de gemiddelde dosis voor eerder behandelde patiënten (PTP’s) 40 IE/kg (spreiding van 13 tot 78 IE/kg) met intervallen van 3 tot 4 dagen.

In sommige gevallen, met name bij jongere patiënten, kunnen kortere doseringsintervallen of hogere doses noodzakelijk zijn.

Pediatrische patiënten

Er is beperkte documentatie over on-demand behandeling en chirurgie bij pediatrische patiënten jonger dan 6 jaar die met BeneFIX zijn behandeld.

De gemiddelde dosering ( standaarddeviatie) voor profylaxe was 63,7 ( 19,1) IE/kg met intervallen van 3 tot 7 dagen. Bij jongere patiënten kunnen kortere doseringsintervallen of hogere doses noodzakelijk zijn. Het verbruik van FIX voor routineprofylaxe bij 22 beoordeelbare patiënten was 4607 ( 1849) IE/kg per jaar en 378 ( 152) IE/kg per maand.

Nauwkeurige controle van de factor IX-plasma-activiteit moet worden uitgevoerd zoals klinisch geïndiceerd en een berekening van de farmacokinetische parameters, zoals recovery en halfwaardetijd, moet worden uitgevoerd. Dit om de doses juist te kunnen aanpassen.

Oudere patiënten

In klinische onderzoeken met BeneFIX zijn niet genoeg patiënten van 65 jaar en ouder opgenomen om te kunnen bepalen of zij anders reageren dan jongere patiënten. De dosering dient voor een oudere patiënt, net als voor elke patiënt die BeneFIX krijgt, individueel te worden vastgesteld.

Wijze van toediening

BeneFIX wordt toegediend als intraveneuze infusie na reconstitutie van het gevriesdroogde poeder voor oplossing voor injectie met 0,234% natriumchlorideoplossing (zie rubriek 6.6).

BeneFIX moet worden toegediend met een lage infusiesnelheid. In de meeste gevallen is een infusiesnelheid van maximaal 4 ml per minuut aangehouden. De toedieningssnelheid dient te worden bepaald aan de hand van het comfortniveau van de patiënt.

Indien er een vermoedelijke overgevoeligheidsreactie optreedt waarvan wordt gedacht dat deze gerelateerd is aan de toediening van BeneFIX, dient de infusiesnelheid te worden verlaagd of dient de infusie te worden stopgezet (zie rubrieken 4.4 en 4.8).

Agglutinatie van rode bloedcellen in de infuusslang/spuit

Er zijn meldingen geweest van agglutinatie van rode bloedcellen in de infuusslang/spuit bij toediening van BeneFIX. Er zijn in relatie tot deze meldingen geen bijwerkingen gemeld. Om de mogelijkheid van agglutinatie te minimaliseren, is het belangrijk om de hoeveelheid bloed die de infuusslang in gaat, te beperken. Er dient geen bloed in de injectiespuit te komen. Indien agglutinatie van rode bloedcellen in de infuusslang/spuit waargenomen wordt, gooit u alle gebruikte materiaal (infuusslang, spuit en BeneFIX-oplossing) weg en hervat u de toediening met een nieuwe verpakking.

Continue infusie

Toediening door middel van continue infusie is niet goedgekeurd en wordt niet aanbevolen (zie ook rubrieken 4.4 en 6.6).

Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

Bekende allergische reactie op hamstereiwitten.

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Overgevoeligheid

Allergie-achtige overgevoeligheidsreacties kunnen worden waargenomen met BeneFIX. Het product bevat sporen van hamstereiwitten. Mogelijk levensbedreigende anafylactische/anafylactoïde reacties zijn opgetreden bij gebruik van factor IX-producten, waaronder BeneFIX. Indien er symptomen van overgevoeligheid optreden, dient patiënten te worden geadviseerd om onmiddellijk te stoppen met het gebruik van het geneesmiddel en contact op te nemen met hun arts. Patiënten moeten worden geïnformeerd over de vroege tekenen van overgevoeligheidsreacties, zoals ademhalingsproblemen, kortademigheid, zwelling, galbulten (netelroos), gegeneraliseerde urticaria, jeuk, gevoel van

beklemming op de borst, bronchospasme, laryngospasme, piepende ademhaling, hypotensie, wazig zien en anafylaxie.

In sommige gevallen hebben deze reacties zich ontwikkeld tot ernstige anafylaxie. In geval van shock moeten de huidige medische richtlijnen voor de behandeling van shock worden gevolgd. In geval van ernstige allergische reacties moeten alternatieve hemostatische maatregelen worden overwogen.

Remmers

Remmers worden soms aangetroffen bij eerder behandelde patiënten (Previously Treated Patients, PTP’s) die werden behandeld met producten die factor IX bevatten. Aangezien één PTP die is behandeld met BeneFIX een klinisch relevante remmer met een lage respons heeft ontwikkeld gedurende klinische studies en aangezien de ervaring met de antigeniciteit van recombinante factor IX nog steeds beperkt is, moeten patiënten die met BeneFIX worden behandeld nauwkeurig worden gevolgd om de ontwikkeling van factor IX-remmers na te gaan die moeten worden getitreerd in Bethesda-eenheden door gebruik te maken van de daarvoor bestemde biologische testen.

Er zijn meldingen in de wetenschappelijke literatuur die een verband aantonen tussen het voorkomen van een factor IX-remmer en allergische reacties. Patiënten die allergische reacties ondervinden moeten dan ook worden gecontroleerd op de aanwezigheid van een remmer. Er moet worden opgemerkt dat patiënten met factor IX-remmers een verhoogd risico kunnen lopen op anafylaxie bij daaropvolgende hernieuwde toediening van factor IX. De preliminaire informatie suggereert dat er een relatie kan bestaan tussen de aanwezigheid van aanzienlijke deletiemutaties in een factor IX-gen van een patiënt en een verhoogd risico op de vorming van een remmer en het optreden van acute overgevoeligheidsreacties. Patiënten van wie bekend is dat zij aanzienlijke deletiemutaties van het factor IX-gen hebben dienen nauwlettend geobserveerd te worden op verschijnselen en symptomen van acute overgevoeligheidsreacties, met name tijdens de vroege fases van eerste blootstelling aan het product.

Als gevolg van het risico op allergische reacties met factor IX-concentraten moeten de initiële toedieningen van factor IX, volgens het oordeel van de behandelende arts, worden uitgevoerd onder medisch toezicht daar waar de juiste medische behandeling voor allergische reacties kan worden gegeven.

Trombose

Hoewel BeneFIX alleen factor IX bevat, moet het risico op trombose en diffuse intravasale stolling (DIS) worden onderkend. Aangezien het gebruik van concentraten van factor IX-complexen historisch werd geassocieerd met de ontwikkeling van trombo-embolische complicaties, kan het gebruik van producten die factor IX bevatten mogelijk gevaarlijk zijn bij patiënten die tekenen vertonen van fibrinolyse en bij patiënten met diffuse intravasale stolling (DIS). Gezien het potentiële risico op trombotische complicaties, moet klinische controle op vroege tekenen van trombotische coagulopathie en verbruikscoagulopathie met de daarvoor bestemde biologische testen worden ingesteld bij de toediening van dit product aan patiënten met een leveraandoening, postoperatieve patiënten, pasgeborenen of patiënten die risico lopen op trombotische voorvallen of DIS. In elk van deze situaties moet het voordeel van een behandeling met BeneFIX worden afgewogen tegen het risico op deze complicaties.

De veiligheid en werkzaamheid van BeneFIX toegediend door middel van continue infusie zijn niet vastgesteld (zie ook rubrieken 4.2 en 4.8). Er zijn postmarketingmeldingen geweest van trombotische voorvallen, inclusief levensbedreigend vena cava superior (VCS)-syndroom bij zieke neonaten in kritieke toestand, terwijl zij continue infusie met BeneFIX kregen via een centraal veneuze katheter (zie ook rubriek 4.8).

Cardiovasculaire voorvallen

Bij patiënten met reeds bestaande cardiovasculaire risicofactoren kan substitutietherapie met FIX het cardiovasculaire risico verhogen.

Nefrotisch syndroom

Het optreden van een nefrotisch syndroom werd gemeld na een poging tot inductie van immunotolerantie bij hemofilie B-patiënten met factor IX-remmers en een voorgeschiedenis van allergische reacties. De veiligheid en de werkzaamheid van BeneFIX om immunotolerantie te induceren, werden niet vastgesteld.

Speciale populaties

Er zijn onvoldoende gegevens bekend uit klinische onderzoeken met BeneFIX over de behandeling van patiënten die niet eerder behandeld werden (Previously Untreated Patients, PUP’s).

Registratie van gebruik

Het wordt sterk aanbevolen om, telkens wanneer BeneFIX aan een patiënt wordt toegediend, de naam en het lotnummer van het product te noteren zodat een koppeling tussen patiënt en het lotnummer van het geneesmiddel wordt bijgehouden. Patiënten kunnen één van de verwijderbare etiketten van de injectieflacon in hun dagboek plakken om het lotnummer daarin vast te leggen of om eventuele bijwerkingen te melden.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er zijn geen interacties van producten met humane coagulatiefactor IX (rDNA) met andere geneesmiddelen gemeld.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Er is geen reproductieonderzoek bij dieren met factor IX uitgevoerd. Op basis van het zeldzame optreden van hemofilie B bij vrouwen bestaat er geen ervaring met het gebruik van factor IX tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding. Daarom mag factor IX uitsluitend worden toegediend tijdens de zwangerschap en de periode van borstvoeding indien hiervoor een duidelijke indicatie bestaat.

Het effect van BeneFIX op de vruchtbaarheid is niet vastgesteld.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

BeneFIX heeft geen invloed op de rijvaardigheid of op het vermogen om machines te bedienen.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Overgevoeligheid of allergische reacties (waaronder mogelijk angio-oedeem, brandend gevoel en stekend gevoel op de infusieplaats, rillingen, overmatig blozen, gegeneraliseerde urticaria, hoofdpijn, galbulten (netelroos), hypotensie, lethargie, misselijkheid, rusteloosheid, tachycardie, beklemd gevoel op de borst, tintelingen, braken, piepende ademhaling) zijn waargenomen en kunnen zich in sommige gevallen ontwikkelen tot ernstige anafylaxie (waaronder shock). In sommige gevallen hebben deze reacties zich ontwikkeld tot ernstige anafylaxie en kwamen deze voor qua tijdstip in nauwe samenhang met de ontwikkeling van factor IX-remmers (zie ook rubriek 4.4). Nefrotisch syndroom is gemeld na een poging tot inductie van immunotolerantie bij hemofilie B-patiënten met factor IX- remmers en een voorgeschiedenis van allergische reacties.

Zeer zelden is ontwikkeling van antilichamen tegen hamstereiwitten met daaraan gerelateerde overgevoeligheidsreacties waargenomen.

Patiënten met hemofilie B kunnen neutraliserende antilichamen (remmers) ontwikkelen tegen factor IX. Indien dergelijke remmers zich ontwikkelen, zal de toestand zich manifesteren als een onvoldoende klinische reactie. In dergelijke gevallen wordt aanbevolen contact op te nemen met een gespecialiseerd centrum voor hemofilie.

Er is een potentieel risico op trombo-embolische episoden na toediening van factor IX-producten, zie rubriek 4.4.

Getabelleerde lijst van bijwerkingen

In de tabel hieronder wordt de indeling volgens de MedDRA-systeem/orgaanclassificatie (systeem/orgaanklasse en voorkeursterm) gevolgd. De frequenties zijn vastgesteld volgens de volgende conventie: zeer vaak (≥ 1/10); vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1.000, < 1/100), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). In de tabel staan bijwerkingen die zijn gemeld in de klinische onderzoeken met eerder behandelde patiënten en die zijn vastgesteld gedurende gebruik na het op de markt brengen. De frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen welke, ongeacht de causaliteit, tijdens gepoolde klinische onderzoeken met 224 personen optraden.

Binnen elke frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst.

Systeem/orgaanklasse

Zeer vaak

Vaak

Soms

Frequentie

 

≥ 1/10

≥ 1/100,

≥ 1/1.000,

niet bekend

 

 

< 1/10

< 1/100

(kan met de

 

 

 

 

beschikbare

 

 

 

 

gegevens niet

 

 

 

 

worden

 

 

 

 

bepaald)

Infecties en parasitaire

 

 

Cellulitis op

 

aandoeningen

 

 

infusieplaatsa

 

Bloed- en

 

 

Factor IX-

 

lymfestelselaandoeningen

 

 

remmersb

 

Immuunsysteemaandoeninge

 

Overgevoeligheidc

 

Anafylactische

n

 

 

 

reactie*

Zenuwstelselaandoeningen

Hoofdpijnd

Duizeligheid;

Somnolentie;

 

 

 

Dysgeusie

Tremor

 

Oogaandoeningen

 

 

Gezichtsstoornisse

 

 

 

 

ne

 

Hartaandoeningen

 

 

Tachycardief

 

Bloedvataandoeningen

 

Flebitis; overmatig

Hypotensieh

Vena cava

 

 

blozeng

 

superior-

 

 

 

 

syndroomi,* ;

 

 

 

 

diepe veneuze

 

 

 

 

trombose*;

 

 

 

 

trombose*;

 

 

 

 

tromboflebitis*

Ademhalingsstelsel-,

Hoestenj

 

 

 

borstkas- en

 

 

 

 

mediastinumaandoeningen

 

 

 

 

Maagdarmstelselaandoening

 

Braken;

 

 

en

 

misselijkheid

 

 

 

 

 

 

 

Huid- en

 

Uitslagk; urticaria

 

 

onderhuidaandoeningen

 

 

 

 

Nier- en

 

 

Nierinfarctl

 

urinewegaandoeningen

 

 

 

 

Algemene aandoeningen en

Pyrexie

Onaangenaam

 

Onvoldoende

toedieningsplaatsstoornissen

 

gevoel op de

 

therapeutische

 

 

borsto; reactie op

 

respons*

 

 

de infusieplaatsn;

 

 

 

 

pijn op de

 

 

 

 

infusieplaatsm

 

 

Onderzoeken

 

 

 

Onvoldoende

 

 

 

 

 

factor IX

 

 

 

 

 

recuperatie p, *

*

Bijwerking vastgesteld na het op de markt brengen

 

a

waaronder cellulitis

 

b

voorbijgaande vorming van remmers met lage titer

 

c

waaronder geneesmiddelenovergevoeligheid, angio-oedeem, bronchospasme, piepende ademhaling, dyspneu en

laryngospasme

 

d

waaronder migraine, sinushoofdpijn

 

e

waaronder flikkerscotoom en wazig zien

 

f

waaronder verhoogde hartfrequentie, sinustachycardie

 

g

waaronder opvliegers, het heet hebben, warme huid

 

h

waaronder verlaagde bloeddruk

 

i

vena cava superior (VCS)-syndroom bij zieke pasgeborenen in kritieke toestand, terwijl zij continue infusie met

j

BeneFIX kregen via een centraal veneuze katheter

 

waaronder productieve hoest

 

k

waaronder vlekkerige uitslag, papulaire uitslag, maculo-papulaire uitslag

 

l

ontwikkeld bij een patiënt positief voor antilichamen tegen hepatitis C 12 dagen na toediening van een dosis

 

BeneFIX vanwege een bloedingsepisode.

 

m waaronder pijn op de injectieplaats, ongemak op de infusieplaats

 

n

waaronder pruritus op infusieplaats, erytheem op infusieplaats

 

o

waaronder pijn op de borst en een beklemd gevoel op de borst

 

p

Dit is een letterlijke term. Er is geen voorkeursterm volgens MedDRA 17.1 teruggevonden.

 

Beschrijving van bepaalde bijwerkingen

Overgevoeligheid/allergische reacties

Indien er een vermoedelijke overgevoeligheidsreactie optreedt waarvan wordt gedacht dat deze gerelateerd is aan de toediening van BeneFIX, zie rubrieken 4.2 en 4.4.

Ontwikkeling van remmers

Een klinisch relevante remmer met een lage respons werd ontdekt bij 1 van de 65 BeneFIX-patiënten (waaronder 9 patiënten die alleen aan de chirurgische studie deelnamen) die eerder uit plasma verkregen producten hadden ontvangen. Deze patiënt kon verder worden behandeld met BeneFIX zonder anamnestische verhoging van remmers of anafylaxie (zie rubriek 4.4).

Pediatrische patiënten

Allergische reacties kunnen bij kinderen vaker optreden dan bij volwassenen.

Er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar die informatie geven over de incidentie van remmers bij PUP’s (zie ook rubriek 5.1).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Er zijn geen symptomen van overdosering gerapporteerd met producten met recombinante coagulatiefactor IX.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Antihaemorrhagica, bloedcoagulatiefactor IX; ATC-code: B02BD04

Werkingsmechanisme

BeneFIX bevat recombinante coagulatiefactor IX, (nonacog alfa). Recombinante coagulatiefactor IX is een glycoproteïne bestaande uit één enkele keten met een geschatte moleculaire massa van 55.000 Dalton. Het behoort tot de familie van de serineproteasen van vitamine K-afhankelijke coagulatiefactoren. Recombinante coagulatiefactor IX is een eiwitgeneesmiddel op basis van recombinant DNA dat structurele en functionele eigenschappen bezit die vergelijkbaar zijn met de endogene factor IX. Factor IX wordt geactiveerd door het factor VII/weefselfactorcomplex in de extrinsieke route alsook door factor XIa in de intrinsieke coagulatieroute. De geactiveerde factor IX, in combinatie met de geactiveerde factor VIII, activeert factor X. Dit resulteert uiteindelijk in de conversie van protrombine in trombine. Trombine zet daarna fibrinogeen om in fibrine waardoor een stolsel kan worden gevormd. De factor IX-activiteit is afwezig of erg gereduceerd bij patiënten met hemofilie B en een substitutietherapie kan noodzakelijk zijn.

Farmacodynamische effecten

Hemofilie B is een erfelijke, geslachtsgebonden stoornis van de bloedstolling als gevolg van verlaagde factor IX-niveaus en leidt tot hevige bloedingen in gewrichten, spieren en inwendige organen, hetzij spontaan, hetzij als gevolg van accidentele of operatieve trauma’s. Door substitutietherapie worden de plasmaniveaus van factor IX verhoogd, waardoor de factor IX-deficiëntie en de bloedingsneiging tijdelijk worden gecorrigeerd.

Pediatrische patiënten

De werkzaamheidsanalyse in studie 3090A1-301-WW was gebaseerd op 22 beoordeelbare patiënten op een profylactisch regime onder wie 4 on-demand patiënten die kortstondig overstapten op profylaxe. Twee patiënten ondergingen chirurgische procedures (circumcisie en plaatsing van een port-a-katheter). Veiligheidsanalyse van 25 beoordeelbare patiënten gaf een veiligheidsprofiel weer zoals verwacht. De enige gedocumenteerde ernstige bijwerking die gerelateerd was aan BeneFIX werd gemeld bij de enige geïncludeerde PUP bij wie sprake was van overgevoeligheid en ontwikkeling van remmers.

In twee open-labelonderzoeken bleek 100 IE/kg BeneFIX eens per week veilig te zijn toegediend. De halfwaardetijd van het product (zie rubriek 5.2) en de beperkte farmacokinetische onderzoeksgegevens voor het wekelijkse regime staan echter niet toe om dit regime in het algemeen aan te bevelen voor langdurige profylaxe bij patiënten met ernstige hemofilie B.

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Uit een gerandomiseerd farmacokinetisch cross-overonderzoek is gebleken dat BeneFIX, gereconstitueerd met een 0,234% natriumchlorideoplossing, farmacokinetisch equivalent is, bij een dosis van 75 IE/kg, aan het eerder op de markt gebrachte BeneFIX (gereconstitueerd met steriel water) bij 24 eerder behandelde patiënten (≥ 12 jaar). Bovendien zijn bij 23 van de betreffende patiënten de farmacokinetische parameters opnieuw opgevolgd na herhaaldelijke toediening van BeneFIX gedurende zes maanden. Deze bleken ongewijzigd te zijn in vergelijking met de waarden die bij de initiële evaluatie werden verkregen. Een samenvatting van de farmacokinetische gegevens is weergegeven in tabel 1.

Tabel 1. Schattingen van de farmacokinetische parameters voor BeneFIX (75 IE/kg) bij aanvang en op maand 6 bij eerder behandelde patiënten met hemofilie B

Parameter

Aanvang n = 24

Maand 6 n = 23

Gemiddelde ± SD

Gemiddelde ± SD

 

Cmax (IE/dl)

54,5

± 15,0

57,3

± 13,2

AUC(IE∙u/dl)

± 237

± 205

t1/2 (u)

22,4 ± 5,3

23,8 ± 6,5

Cl (ml/u/kg)

8,47

± 2,12

8,54

± 2,04

Recovery

0,73

± 0,20

0,76

± 0,18

(IE/dl per IE/kg)

 

 

 

 

Afkortingen: AUC= oppervlakte onder de plasmaconcentratie-tijdscurve van het nulpunt tot oneindig; Cmax = piekconcentratie; t1/2 = plasma-eliminatiehalfwaardetijd; Cl = klaring; SD = standaarddeviatie.

Er is een farmacokinetisch populatiemodel ontwikkeld op basis van gegevens verzameld bij 73 patiënten in de leeftijd van 7 maanden tot 60 jaar. De geschatte parameters bij gebruik van het uiteindelijke 2-compartimentenmodel worden weergegeven in tabel 2. Bij zuigelingen en kinderen was sprake van een hogere klaring, een groter distributievolume, een kortere halfwaardetijd en een lagere recovery dan bij adolescenten en volwassenen. De terminale fase is niet eenduidig bestudeerd,vanwege het ontbreken van gegevens na 24 uur bij pediatrische proefpersonen < 6 jaar oud.

Tabel 2. Gemiddelde SD farmacokinetische parameters op basis van individuele Bayes- schattingen uit populatiefarmacokinetische analyse

Leeftijdsgroep (jaar)

Zuigelingen

Kinderen

Kinderen

Adolescenten

Volwassenen

<2

 

2 tot < 6

6 tot < 12

12 tot < 18

18 tot 60

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aantal proefpersonen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klaring (ml/u/kg)

13,1

 

2,1

13,1

± 2,9

15,5

9,2 ± 2,3

8,0 ± 0,6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vss (ml/kg)

 

± 25

234 ± 49

225 ± 59

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eliminatiehalfwaardetijd

15,6

 

1,2

16,7

± 1,9

16,3

21,5 ± 5,0

23,9 ± 4,5

(u)

 

 

 

 

 

 

 

 

Recovery (IE/dl per

0,61 0,10

0,60 ±

0,47

0,69 ± 0,16

0,74 ± 0,20

IE/kg)

0,08

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van genotoxiciteit.

Er werden geen onderzoeken verricht naar carcinogeniteit, aantasting van de vruchtbaarheid en ontwikkeling van de foetus.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Poeder

Sucrose

Glycine

L-histidine

Polysorbaat 80

Oplosmiddel

Natriumchlorideoplossing

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden. Uitsluitend de bijgeleverde infusieset mag worden gebruikt. Het is mogelijk dat de behandeling mislukt als gevolg van de adsorptie van humane coagulatiefactor IX aan de binnenzijde van bepaald infusiemateriaal.

6.3Houdbaarheid

2 jaar

Het gereconstitueerde product bevat geen conserveringsmiddel en dient onmiddellijk gebruikt te worden, maar niet later dan 3 uur na reconstitutie. Chemische en fysische ‘in-use’ stabiliteit is aangetoond voor 3 uur bij temperaturen tot 25°C.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 30°C. Niet in de vriezer bewaren.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

BeneFIX 250 IE, 500 IE, 1000 IE, 1500 IE, 2000 IE, 3000 IE poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie

BeneFIX 250 IE, 500 IE, 1000 IE, 1500 IE, 2000 IE, 3000 IE poeder in een 10 ml-injectieflacon (type I-glas) met een stop (chloorbutyl) en een flip-off zegel (aluminium) en 5 ml helder, kleurloos oplosmiddel in een voorgevulde injectiespuit (type 1-glas) met een zuiger (broombutyl), een dopje (broombutyl) en een steriele flaconadapter voor reconstitutie, een steriele infusieset, twee alcoholdoekjes, een pleister en een gaasje.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

BeneFIX wordt door middel van een intraveneuze infusie toegediend na reconstitutie van het gevriesdroogde poeder voor injectie met het bijgeleverde oplosmiddel (0,234% natriumchlorideoplossing) in de voorgevulde injectiespuit (zie ook rubriek 3 van de bijsluiter voor reconstitutie-instructies).

Na reconstitutie bevat BeneFIX polysorbaat-80, waarvan bekend is dat het de mate van di-(2-ethylhexyl)ftalaat- (DEHP)-extractie uit polyvinylchloride doet toenemen. Bij de bereiding en toediening van BeneFIX moet u daar rekening mee houden. Het is daarom belangrijk dat u de aanwijzingen in rubriek 4.2 nauwgezet navolgt.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

Aangezien het gebruik van BeneFix per continue infusie niet is onderzocht, dient BeneFix niet met infusie-oplossingen gemengd te worden of per druppelinfuus te worden toegediend.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Pfizer Limited

Ramsgate Road

Sandwich

Kent CT13 9NJ

Verenigd Koninkrijk

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/97/047/004

EU/1/97/047/005

EU/1/97/047/006

EU/1/97/047/009

EU/1/97/047/007

EU/1/97/047/008

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING / VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 27 augustus 1997

Datum van laatste verlenging: 20 juli 2012

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld