Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Bexsero (recombinant Neisseria meningitidis group-B...) – Samenvatting van de productkenmerken - J07AH09

Updated on site: 05-Oct-2017

Naam van geneesmiddelBexsero
ATC codeJ07AH09
Werkzame stofrecombinant Neisseria meningitidis group-B NHBA fusion protein /recombinant Neisseria meningitidis group-B NadA protein /recombinant Neisseria meningitidis group B fHbp fusion protein /outer membrane vesiclesfrom Neisseria meningitidis group-B strain NZ98
ProducentGSK Vaccines S.r.l.

Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Bexsero suspensie voor injectie in voorgevulde spuit

Meningokokken groep B-vaccin (rDNA, component, geadsorbeerd)

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Een dosis (0,5 ml) bevat:

 

Recombinant Neisseria meningitidis groep B NHBA-fusie-eiwit 1, 2, 3

50 microgram

Recombinant Neisseria meningitidis groep B NadA-eiwit 1, 2, 3

50 microgram

Recombinant Neisseria meningitidis groep B fHbp-fusie-eiwit 1, 2, 3

50 microgram

Buitenmembraanvesikels (BMV) van Neisseria meningitidis groep B-stam

25 microgram

NZ98/254, gemeten als hoeveelheid totaal eiwit dat PorA P1.4 bevat 2

 

1Geproduceerd in E. coli-cellen door recombinant-DNA-technologie

2Geadsorbeerd aan aluminiumhydroxide (0,5 mg Al³+)

3NHBA (Neisseria heparine-bindend antigeen), NadA (Neisseria-adhesine A), fHbp (factor H-bindend eiwit)

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Suspensie voor injectie.

Melkwitte vloeibare suspensie.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Bexsero is geïndiceerd voor de actieve immunisatie van personen van 2 maanden en ouder tegen invasieve meningokokkenziekte veroorzaakt door Neisseria meningitidis groep B. Bij het vaccineren moet rekening worden gehouden met het effect van invasieve ziekte bij

verschillende leeftijdsgroepen, evenals met de variabiliteit van de epidemiologie van antigenen voor groep B-stammen in verschillende geografische gebieden. Zie rubriek 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke groep B-stammen.

Dit vaccin dient te worden gebruikt in overeenstemming met officiële aanbevelingen.

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

Tabel 1.

Samenvatting van de dosering

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Intervallen

 

Leeftijdsgroep

Primaire immunisatie

tussen primaire

Booster

 

 

 

doses

 

Zuigelingen

Drie doses, elk

 

 

van 0,5 ml, de eerste

Niet minder

Ja, één dosis

van 2 tot en

dosis toegediend op een

dan 1 maand

tussen 12 en 15 maanden b, c

met 5 maanden

leeftijd van 2 maanden a

 

 

Niet-gevaccineerde

 

 

Ja, één dosis in het tweede

zuigelingen

Twee doses, elk

Niet minder

levensjaar met een interval van

van 6 tot en

van 0,5 ml

dan 2 maanden

minimaal 2 maanden tussen de

met 11 maanden

 

 

primaire serie en de boosterdosis c

Niet-gevaccineerde

 

 

Ja, één dosis met een interval

kinderen

Twee doses, elk

Niet minder

van 12 tot en met 23 maanden

van 12 tot en

van 0,5 ml

dan 2 maanden

tussen de primaire serie en

met 23 maanden

 

 

de boosterdosis c

Kinderen van 2 tot

Twee doses, elk

Niet minder

Noodzaak niet vastgesteld d

en met 10 jaar

van 0,5 ml

dan 2 maanden

 

Adolescenten

Twee doses, elk

Niet minder

 

(11 jaar of ouder)

Noodzaak niet vastgesteld d

en volwassenen*

van 0,5 ml

dan 1 maand

 

 

 

 

aDe eerste dosis moet worden gegeven op de leeftijd van 2 maanden. De veiligheid en werkzaamheid van Bexsero bij zuigelingen jonger dan 8 weken zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

bIn geval van uitstel mag de booster niet later dan 24 maanden worden gegeven.

cZie rubriek 5.1. De noodzaak voor een boosterdosis na dit vaccinatieschema is niet vastgesteld

dZie rubriek 5.1.

* Gegevens over volwassenen ouder dan 50 jaar ontbreken.

Wijze van toediening

Het vaccin wordt toegediend via een diepe intramusculaire injectie, bij voorkeur in het anterolaterale gedeelte van de dij bij zuigelingen, of in de streek van de deltaspier van de bovenarm bij oudere personen.

Als meer dan één vaccin tegelijk wordt toegediend, moeten afzonderlijke injectieplaatsen worden gebruikt.

Het vaccin mag niet intraveneus, subcutaan of intradermaal worden toegediend, en mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde spuit.

Voor instructies over het hanteren van het vaccin voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Zoals dat voor alle vaccins geldt, dient ook toediening van Bexsero te worden uitgesteld bij personen die lijden aan een acute, ernstige, met koorts gepaard gaande ziekte. De aanwezigheid van een lichte infectie, zoals verkoudheid, mag echter niet leiden tot uitstel van vaccinatie.

Niet intravasculair injecteren.

Zoals dat voor alle injecteerbare vaccins geldt, dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct beschikbaar te zijn voor het geval zich na toediening van het vaccin een anafylactische reactie voordoet.

Reacties die verband houden met angst, waaronder vasovagale reacties (syncope), hyperventilatie of stressgerelateerde reacties, kunnen in relatie met vaccinatie voorkomen als psychogene reactie op de naaldinjectie (zie rubriek 4.8). Het is belangrijk dat er passende procedures zijn om letsel als gevolg van flauwvallen te voorkomen.

Dit vaccin mag niet worden toegediend aan personen met trombocytopenie of een bloedstollingsstoornis die een contra-indicatie voor intramusculaire injectie vormt, tenzij het mogelijke voordeel duidelijk opweegt tegen het risico van toediening.

Zoals dat voor alle vaccins geldt, beschermt vaccinatie met Bexsero mogelijk niet alle gevaccineerden. Bexsero wordt niet geacht bescherming te bieden tegen alle circulerende meningokokken B-stammen (zie rubriek 5.1).

Zoals dat voor veel vaccins geldt, moet het medisch personeel zich ervan bewust zijn dat een temperatuursstijging kan optreden na vaccinatie van zuigelingen en kinderen (jonger dan 2 jaar). Profylactische toediening van antipyretica gelijktijdig met en meteen na vaccinatie kan de incidentie en intensiteit van koortsreacties na vaccinatie verminderen. Antipyretische medicatie dient te worden gestart volgens de lokale richtlijnen bij zuigelingen en kinderen (jonger dan 2 jaar).

Individuen met een immunodeficiëntie, door het gebruik van immunosupressieve therapie, een genetische stoornis, of door een andere oorzaak, kunnen een verlaagde antilichaamrespons hebben bij actieve immunisatie.

Immunogeniciteitsgegevens zijn beschikbaar van individuen met complement deficiëntie, asplenie of miltdisfuncties (zie rubriek 5.1).

Er zijn geen gegevens over het gebruik van Bexsero bij personen ouder dan 50 jaar en beperkte gegevens bij patiënten met chronische medische aandoeningen.

Wanneer de primaire immunisatieserie aan zeer premature zuigelingen (geboren na ≤ 28 weken zwangerschap) wordt toegediend, moet rekening worden gehouden met een potentieel risico op apneu en de noodzaak van controle van de ademhaling gedurende 48-72 uur, vooral bij zuigelingen met een voorgeschiedenis van onvolgroeide longen. Aangezien het voordeel van vaccinatie groot is bij deze groep zuigelingen, moet vaccinatie niet worden onthouden of uitgesteld.

De dop van de injectiespuit bevat mogelijk natuurlijk rubber (latex). Hoewel het risico op het ontwikkelen van allergische reacties zeer klein is, moet het medisch personeel de voor- en nadelen goed afwegen voordat dit vaccin wordt toegediend aan personen met een bekende voorgeschiedenis van overgevoeligheid voor latex.

Kanamycine wordt aan het begin van het productieproces gebruikt en wordt in latere productiestadia verwijderd. Indien aanwezig, bedraagt het kanamycineniveau in het uiteindelijke vaccin minder

dan 0,01 microgram per dosis.

Veilig gebruik van Bexsero bij personen die gevoelig zijn voor kanamycine is niet vastgesteld.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Gebruik met andere vaccins

Bexsero kan gelijktijdig worden toegediend met een van de volgende vaccinantigenen, ofwel als monovalent of als combinatievaccin: difterie, tetanus, acellulair pertussis, Haemophilus influenzae type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B, 7-valent pneumokokkenconjugaat, mazelen, bof, rodehond, varicella en meningokokkengroep C-CRM conjugaat.

Uit klinische onderzoeken is gebleken dat de immuunrespons van de gelijktijdig toegediende standaardvaccins niet werd beïnvloed door gelijktijdige toediening van Bexsero, gebaseerd op niet-inferieure antilichaamresponspercentages bij standaardvaccins die afzonderlijk werden gegeven. Inconsistente resultaten werden gezien bij verschillende klinische onderzoeken naar immuunreacties tegen het geïnactiveerd poliovirus type 2 en het aan pneumokokken geconjugeerde serotype 6B en lagere antilichaamtiters tegen het pertussisantigeen pertactine waren ook geconstateerd, maar deze gegevens wijzen niet op klinisch significante interferentie.

Door een verhoogd risico op koorts, gevoeligheid op de injectieplaats, verandering in eetgewoonten en prikkelbaarheid, wanneer Bexsero gelijktijdig toegediend wordt met de hierboven genoemde vaccins, kan overwogen worden, indien mogelijk, de vaccinaties apart te geven. Profylactisch gebruik van paracetamol vermindert de incidentie en ernst van koorts zonder de immunogeniciteit te beïnvloeden van zowel Bexsero als standaardvaccins. Het effect van andere antipyretica dan paracetamol op de immuunrespons is niet onderzocht.

Er is geen onderzoek uitgevoerd naar het effect van gelijktijdige toediening van Bexsero met andere vaccins dan hierboven vermeld.

Bij gelijktijdige toediening met andere vaccins, moet Bexsero op afzonderlijke injectieplaatsen worden toegediend (zie rubriek 4.2).

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn onvoldoende klinische gegevens beschikbaar over gebruik tijdens de zwangerschap.

Het mogelijke risico voor zwangere vrouwen is niet bekend. Bij een duidelijk risico op blootstelling aan meningokokkeninfectie mag de vaccinatie echter niet worden onthouden.

In een onderzoek bij vrouwelijke konijnen die Bexsero toegediend kregen in een dosis van ongeveer tienmaal het equivalent van de humane dosis op basis van lichaamsgewicht, is geen bewijs aangetroffen voor maternale of foetale toxiciteit, en geen effecten op zwangerschap, moederlijk gedrag, vrouwelijke vruchtbaarheid of postnatale ontwikkeling.

Borstvoeding

Informatie over de veiligheid van het vaccin voor vrouwen en hun kinderen tijdens de borstvoeding is niet beschikbaar. De baten-risicoverhouding moet worden onderzocht alvorens te besluiten tot immunisatie tijdens de borstvoeding.

Er zijn geen bijwerkingen waargenomen bij gevaccineerde moederkonijnen of bij hun nakomelingen tot en met dag 29 van de lactatie. Bexsero was immunogeen bij de moederdieren die voorafgaand aan het zogen werden gevaccineerd, en antistoffen werden gedetecteerd in het nageslacht, maar de hoeveelheid antilichamen in melk werd niet bepaald.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen gegevens over vruchtbaarheid bij mensen.

In dieronderzoeken zijn geen effecten waargenomen op de vruchtbaarheid van vrouwen.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Bexsero heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Enkele bijwerkingen die zijn vermeld in rubriek 4.8 Bijwerkingen kunnen echter

de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.

4.8Bijwerkingen

Overzicht van het veiligheidsprofiel

De veiligheid van Bexsero is geëvalueerd in 14 onderzoeken, inclusief 10 gerandomiseerde gecontroleerde klinische studies met 8.776 proefpersonen (vanaf de leeftijd van 2 maanden) die minimaal één dosis Bexsero toegediend kregen. Van de personen die Bexsero toegediend kregen, waren 5.849 zuigelingen en kinderen (jonger dan 2 jaar), 250 kinderen (van 2 tot 10 jaar) en 2.677 adolescenten en volwassenen. Van de proefpersonen die de primaire immunisatieserie voor zuigelingen van Bexsero toegediend kregen, kregen 3.285 een boosterdosis in het tweede levensjaar. Gegevens van nog eens 207 kinderen die Bexsero toegediend kregen in een later onderzoek, zijn eveneens geëvalueerd.

De meest voorkomende lokale en systemische bijwerkingen bij zuigelingen en kinderen (jonger dan 2 jaar) die in klinische studies zijn waargenomen, waren gevoeligheid en erytheem op de injectieplaats, koorts en prikkelbaarheid.

In klinische onderzoeken bij zuigelingen gevaccineerd op de leeftijd van 2, 4 en 6 maanden, is bij 69% tot 79% van de proefpersonen melding gemaakt van koorts (≥ 38°C) wanneer Bexsero gelijktijdig werd toegediend met standaardvaccins (die de volgende antigenen bevatten: 7-valent

pneumokokkenconjugaat, difterie, tetanus, acellulair pertussis, hepatitis B, geïnactiveerde poliomyelitis en Haemophilus influenzae type b) in vergelijking met 44% tot 59% van de proefpersonen die alleen de standaardvaccins kregen toegediend. Bij zuigelingen die Bexsero en standaardvaccins toegediend kregen, is ook vaker melding gemaakt van het gebruik van antipyretica. Wanneer alleen Bexsero werd toegediend, kwam koorts bij zuigelingen even vaak voor als bij standaardzuigelingenvaccins die tijdens klinische studies werden toegediend. Eventuele koorts volgde in het algemeen een voorspelbaar patroon, waarbij de meeste koortsgevallen de dag na de vaccinatie over waren.

De meest voorkomende lokale en systemische bijwerkingen waargenomen bij adolescenten en volwassenen waren pijn op de injectieplaats, malaise en hoofdpijn.

Er is geen toename waargenomen in de incidentie of ernst van bijwerkingen bij opeenvolgende doses in de vaccinatiereeks.

Tabel met bijwerkingen

Bijwerkingen (na primaire immunisatie of boosterdosis) die ten minste als mogelijk gerelateerd aan de vaccinatie kunnen worden beschouwd, zijn naar frequentie ingedeeld.

De frequentie is als volgt geclassificeerd:

Zeer vaak:

(≥1/10)

Vaak:

(≥1/100, <1/10)

Soms:

(≥1/1.000, <1/100)

Zelden:

(≥1/10.000, <1/1.000)

Zeer zelden:

(<1/10.000)

Niet bekend:

(kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)

De bijwerkingen worden binnen elke frequentiegroep gerangschikt in aflopende volgorde van ernst.

Naast de meldingen uit klinische onderzoeken, zijn ook de wereldwijd ontvangen vrijwillige meldingen over bijwerkingen van Bexsero sinds de introductie op de markt in de volgende lijst opgenomen. Aangezien deze bijwerkingen vrijwillig zijn gemeld door een populatie van onbekende omvang, is het niet altijd mogelijk om een betrouwbare schatting van de frequentie te geven en worden ze daarom hier vermeld met de frequentie Niet bekend.

Zuigelingen en kinderen (tot en met 10 jaar)

Immuunsysteemaandoeningen

Niet bekend: allergische reacties (waaronder anafylactische reacties)

Voedings- en stofwisselingsstoornissen

Zeer vaak: eetstoornissen

Zenuwstelselaandoeningen

Zeer vaak: slaperigheid, ongewoon huilen, hoofdpijn

Soms: insulten (inclusief febriele insulten)

Niet bekend: hypotoon – hyporesponsieve episode

Bloedvataandoeningen

Soms: bleekheid (zelden na booster)

Zelden: ziekte van Kawasaki

Maagdarmstelselaandoeningen

Zeer vaak: diarree, braken (soms na booster)

Huid- en onderhuidaandoeningen

Zeer vaak: huiduitslag (kinderen van 12 tot en met 23 maanden) (soms na booster) Vaak: huiduitslag (zuigelingen en kinderen van 2 tot en met 10 jaar)

Soms: eczeem Zelden: urticaria

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Zeer vaak: artralgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Zeer vaak: koorts (≥38°C), gevoeligheid op de injectieplaats (inclusief ernstige gevoeligheid op de injectieplaats, gedefinieerd als huilen wanneer geïnjecteerde ledemaat wordt bewogen), erytheem op de injectieplaats, zwelling op de injectieplaats, verharding op de injectieplaats, prikkelbaarheid

Soms: koorts (≥40°C)

Niet bekend: blaren op of rondom de injectieplaats

Adolescenten (van 11 jaar en ouder) en volwassenen

Immuunsysteemaandoeningen

Niet bekend: allergische reacties (waaronder anafylactische reacties)

Zenuwstelselaandoeningen

Zeer vaak: hoofdpijn

Niet bekend: syncope of vasovagale reacties op injectie

Maagdarmstelselaandoeningen

Zeer vaak: misselijkheid

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Zeer vaak: myalgie, artralgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Zeer vaak: pijn op de injectieplaats (inclusief ernstige pijn op de injectieplaats, gedefinieerd als niet in staat normale dagelijkse activiteiten uit te voeren), zwelling op de injectieplaats, verharding op de injectieplaats, erytheem op de injectieplaats, malaise

Niet bekend: koorts, blaren op of rondom de injectieplaats

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Ervaring met overdosering is beperkt. In het geval van overdosering wordt controle van de vitale functies en mogelijke symptomatische behandeling aangeraden.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: meningokokkenvaccins, ATC-code: J07AH09

Werkingsmechanisme

Immunisatie met Bexsero is bedoeld om de aanmaak te stimuleren van bactericide antilichamen die de vaccinantigenen NHBA, NadA, fHbp en PorA P1.4 herkennen (het immunodominante antigeen in de BMV-component) en die naar verwachting beschermend werken tegen invasieve meningokokkenziekte.

Aangezien deze antigenen variabel tot expressie worden gebracht door verschillende stammen, kunnen meningokokken die deze voldoende tot expressie brengen worden gedood met de door het vaccin geïnduceerde antilichamen. Het Meningococcal Antigen Typing System (MATS) is ontwikkeld om de antigeenprofielen van de verschillende meningokokken B-bacteriestammen te koppelen aan het doden van de stammen bij bepaling van bactericide-antilichaamtiters in serum met humaan complement (hSBA). Uit een onderzoek van ongeveer 1.000 verschillende invasieve meningokokken B-isolaten verzameld tijdens 2007-2008 in 5 Europese landen bleek dat, afhankelijk van het land van herkomst, tussen de 73% en 87% van de meningokokken groep B-isolaten beschikte over een MATS-antigeenprofiel dat door het vaccin gedekt wordt. Over het geheel genomen bleek 78% (95% betrouwbaarheidsinterval tussen 63-90%) van de ongeveer 1.000 stammen potentieel gevoelig voor door het vaccin geïnduceerde antilichamen.

Klinische werkzaamheid

De werkzaamheid van Bexsero is niet beoordeeld door middel van klinisch onderzoek.

De werkzaamheid van het vaccin is afgeleid door de inductie van de bactericide antilichaamrespons tegen elk van de vaccinantigenen in serum aan te tonen (zie de rubriek Immunogeniciteit).

Immunogeniciteit

De bactericide antilichaamrespons in serum tegen elk van de vaccinantigenen NadA, fHbp, NHBA en PorA P1.4 is geëvalueerd met behulp van een set van vier meningokokken groep B-referentiestammen. Bactericide antilichamen tegen deze stammen zijn gemeten in een bepaling naar bactericide activiteit in serum (SBA) door gebruik te maken van humaan serum als bron van complement (hSBA). Er zijn niet van alle vaccinatieschema’s met de referentiestam voor NHBA gegevens beschikbaar.

De meeste onderzoeken naar primaire immunogeniciteit zijn uitgevoerd als gerandomiseerde, gecontroleerde, klinische multicenterstudies. Immunogeniciteit is geëvalueerd bij zuigelingen, kinderen, adolescenten en volwassenen.

Immunogeniciteit bij zuigelingen en kinderen

In onderzoeken bij zuigelingen kregen de deelnemers drie doses Bexsero toegediend, op de leeftijd van 2, 4 en 6 of 2, 3 en 4 maanden, en een boosterdosis in het tweede levensjaar, vanaf een leeftijd van 12 maanden. De serums werden verkregen voorafgaand aan de vaccinatie, een maand na de derde

vaccinatie (zie Tabel 2) en een maand na de boostervaccinatie (zie Tabel 3). In een vervolgonderzoek werd één jaar na de boosterdosis de persistentie van de immuunrespons bepaald (zie Tabel 3). Kinderen die niet eerder gevaccineerd waren, kregen eveneens twee doses toegediend in hun tweede levensjaar, en bij hen werd één jaar na de tweede dosis de persistentie van antistoffen gemeten (zie Tabel 4).

De immunogeniciteit na twee doses is ook gedocumenteerd in een ander onderzoek bij zuigelingen die op een leeftijd van 6 tot en met 8 maanden in het onderzoek werden opgenomen (zie Tabel 4).

Immunogeniciteit bij zuigelingen van 2 tot en met 6 maanden

De resultaten van immunogeniciteit gemeten één maand na drie doses van Bexsero toegediend op een leeftijd van 2, 3, 4 en 2, 4, 6 maanden, zijn samengevat in Tabel 2. De bactericide antilichaamrespons één maand na de derde vaccinatie gemeten tegen meningokokkenreferentiestammen was hoog voor de antigenen fHbp, NadA en PorA P1.4 bij beide Bexsero-vaccinatieschema´s. De bactericiderespons tegen het NHBA-antigeen was ook hoog bij zuigelingen die volgens het schema van 2, 4, 6 maanden waren gevaccineerd, maar dit antigeen bleek minder immunogeen bij het schema van 2, 3, 4 maanden. De klinische consequenties van de verminderde immunogeniciteit van het NHBA-antigeen bij dit schema zijn niet bekend.

Tabel 2. Bactericide antilichaamrespons in serum 1 maand na de derde dosis Bexsero, gegeven op een leeftijd van 2, 3, 4 of 2, 4, 6 maanden

Antigeen

 

Onderzoek V72P13

Onderzoek V72P12

Onderzoek V72P16

 

2, 4, 6 maanden

2, 3, 4 maanden

2, 3, 4 maanden

 

 

 

% seropositief*

n=1149

n=273

n=170

fHbp

(95% BI)

100% (99-100)

99% (97-100)

100% (98-100)

hSBA GMT**

 

 

(95% BI)

(87-95)

(75-91)

(90-113)

 

% seropositief

n=1152

n=275

n=165

NadA

(95% BI)

100% (99-100)

100% (99-100)

99% (97-100)

hSBA GMT

 

 

(95% BI)

(606-665)

(292-362)

(348-450)

 

% seropositief

n=1152

n=274

n=171

PorA P1.4

(95% BI)

84% (82-86)

81% (76-86)

78% (71-84)

hSBA GMT

 

 

(95% BI)

(13-15)

(9,14-12)

(8,59-12)

 

% seropositief

n=100

n=112

n=35

NHBA

(95% BI)

84% (75-91)

37% (28-46)

43% (26-61)

hSBA GMT

3,24

3,29

 

 

(95% BI)

(13-21)

(2,49-4,21)

(1,85-5,83)

*% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:5.

**GMT = geometrisch gemiddelde titer.

Gegevens van persistentie van bactericide antilichamen 8 maanden na vaccinatie met Bexsero op een leeftijd van 2, 3 en 4 maanden, en 6 maanden na vaccinatie met Bexsero op een leeftijd van 2, 4 en 6 maanden (tijd voor booster), en gegevens van boostervaccinatie na een vierde Bexsero-dosis toegediend op een leeftijd van 12 maanden zijn samengevat in Tabel 3. Persistentie van de immuunrespons één jaar na de boosterdosis is ook samengevat in Tabel 3.

Tabel 3. Bactericide antilichaamrespons in serum na boostervaccinatie op 12 maanden na een primaire reeks toegediend op een leeftijd van 2, 3 en 4 of 2, 4 en 6 maanden, en persistentie van de bactericide antilichamen een jaar na de booster

Antigeen

 

2, 3, 4, 12 maanden

2, 4, 6, 12 maanden

 

Voor booster*

n=81

n=426

 

% seropositief** (95% BI)

58% (47-69)

82% (78-85)

 

hSBA GMT*** (95% BI)

5,79 (4,54-7,39)

10 (9,55-12)

 

1 maand na booster

n=83

n=422

fHbp

% seropositief (95% BI)

100% (96-100)

100% (99-100)

 

hSBA GMT (95% BI)

135 (108-170)

128 (118-139)

 

12 maanden na booster

 

n=299

 

% seropositief (95% BI)

-

62% (56-67)

 

hSBA GMT (95% BI)

 

6,5 (5,63-7,5)

 

Voor booster

n=79

n=423

 

% seropositief (95% BI)

97% (91-100)

99% (97-100)

 

hSBA GMT (95% BI)

63 (49-83)

81 (74-89)

 

1 maand na booster

n=84

n=421

NadA

% seropositief (95% BI)

100% (96-100)

100% (99-100)

 

hSBA GMT (95% BI)

1558 (1262-1923)

1465 (1350-1590)

 

12 maanden na booster

 

n=298

 

% seropositief (95% BI)

-

97% (95-99)

 

hSBA GMT (95% BI)

 

81 (71-94)

 

Voor booster

n=83

n=426

 

% seropositief (95% BI)

19% (11-29)

22% (18-26)

 

hSBA GMT (95% BI)

1,61 (1,32-1,96)

2,14 (1,94-2,36)

 

1 maand na booster

n=86

n=424

PorA P1.4

% seropositief (95% BI)

97% (90-99)

95% (93-97)

 

hSBA GMT (95% BI)

47 (36-62)

35 (31-39)

 

12 maanden na booster

 

n=300

 

% seropositief (95% BI)

-

17% (13-22)

 

hSBA GMT (95% BI)

 

1,91 (1,7-2,15)

 

Voor booster

n=69

n=100

 

% seropositief (95% BI)

25% (15-36)

61% (51-71)

 

hSBA GMT (95% BI)

2,36 (1,75-3,18)

8,4 (6,4-11)

 

1 maand na booster

n=67

n=100

NHBA

% seropositief (95% BI)

76% (64-86)

98% (93-100)

 

hSBA GMT (95% BI)

12 (8,52-17)

42 (36-50)

 

12 maanden na booster

 

n=291

 

% seropositief (95% BI)

-

36% (31-42%)

 

hSBA GMT (95% BI)

 

3,35 (2,88-3,9)

*tijd voor booster verwijst naar de persistentie van bactericide antilichamen 8 maanden na vaccinatie met Bexsero op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden en 6 maanden na vaccinatie met Bexsero op de leeftijd van 2, 4 en 6 maanden.

**% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:5.

***GMT = geometrisch gemiddelde titer.

Een afname van antilichaamtiters tegen de PorA P1.4 en fHbp-antigenen (bij respectievelijk 9%-10% en 12%-20% van de proefpersonen met een hSBA ≥ 1:5) is waargenomen in een aanvullend onderzoek bij kinderen van 4 jaar bij wie als zuigeling een volledig priming- en boosterschema is toegepast.

In hetzelfde onderzoek vormde de respons op een volgende dosis een indicatie van immunologisch geheugen, aangezien bij 81%-95% van de proefpersonen sprake was van een hSBA ≥ 1:5 voor PorA P1.4 en bij 97%-100% voor fHbp-antigenen na volgende vaccinatie. Het klinisch belang van deze observatie en de noodzaak tot aanvullende boosterdoses om een langere beschermende immuniteit te kunnen garanderen, zijn niet vastgesteld.

Immunogeniciteit bij kinderen van 6 tot en met 11 maanden, 12 tot en met 23 maanden en 2 tot en met 10 jaar

De immunogeniciteit na twee doses die met een tussenperiode van twee maanden werden toegediend aan kinderen van 6 tot en met 26 maanden is gedocumenteerd in drie onderzoeken die zijn samengevat in Tabel 4. De serumresponspercentages en de hSBA GMT´s tegen elk vaccinantigeen waren hoog en vergelijkbaar na de reeks van twee doses bij zuigelingen van 6-8 maanden en kinderen

van 13-15 maanden en 24-26 maanden. Gegevens van antilichaampersistentie één jaar na de twee doses op de leeftijd van 13 en 15 maanden zijn ook samengevat in Tabel 4.

Tabel 4. Bactericide antilichaamrespons in serum na Bexsero-vaccinatie op een leeftijd van 6 en 8 maanden, 13 en 15 maanden, of 24 en 26 maanden, en persistentie van bactericide antilichamen één jaar na de twee doses op een leeftijd van 13 en 15 maanden

 

 

 

 

Leeftijdscategorie

 

 

 

6 tot en met

 

12 tot en met

 

2 tot en met

Antigeen

 

11 maanden

 

23 maanden

 

10 jaar

 

 

 

Leeftijd bij vaccinatie

 

 

 

6, 8 maanden

 

13, 15 maanden

 

24, 26 maanden

 

1 maand na 2e dosis

n=23

 

n=163

 

n=105

 

% seropositief* (95% BI)

100% (85-100)

 

100% (98-100)

 

100% (97-100)

fHbp

hSBA GMT** (95% BI)

250 (173-361)

 

271 (237-310)

 

220 (186-261)

12 maanden na 2e dosis

 

 

n=68

 

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief (95% BI)

-

 

74% (61-83)

 

-

 

hSBA GMT (95% BI)

 

 

14 (9,4-20)

 

 

 

1 maand na 2e dosis

n=23

 

n=164

 

n=103

 

% seropositief (95% BI)

100% (85-100)

 

100% (98-100)

 

99% (95-100)

NadA

hSBA GMT (95% BI)

534 (395-721)

 

599 (520-690)

 

455 (372-556)

12 maanden na 2e dosis

 

 

n=68

 

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief (95% BI)

-

 

97% (90-100)

 

-

 

hSBA GMT (95% BI)

 

 

70 (47-104)

 

 

 

1 maand na 2e dosis

n=22

 

n=164

 

n=108

 

% seropositief (95% BI)

95% (77-100)

 

100% (98-100)

 

98% (93-100)

PorA P1.4

hSBA GMT (95% BI)

27 (21-36)

 

43 (38-49)

 

27 (23-32)

12 maanden na 2e dosis

 

 

n=68

 

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief (95% BI)

-

 

18% (9-29)

 

-

 

hSBA GMT (95% BI)

 

 

1,65 (1,2-2,28)

 

 

 

1 maand na 2e dosis

 

 

n=46

 

n=100

 

% seropositief (95% BI)

-

 

63% (48-77)

 

97% (91-99)

NHBA

hSBA GMT (95% BI)

 

 

11 (7,07-16)

 

38 (32-45)

12 maanden na 2e dosis

 

 

n=65

 

 

 

% seropositief (95% BI)

-

 

38% (27-51)

 

-

 

hSBA GMT (95% BI)

 

 

3,7 (2,15-6,35)

 

 

*% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:4 (in de leeftijdscategorie van 6 tot en met 11 maanden) en hSBA ≥ 1:5 (in de leeftijdscategorie van 12 tot en met 23 maanden en 2 tot en met 10 jaar).

**GMT = geometrisch gemiddelde titer.

In een extra groep van 67 kinderen, geëvalueerd na vaccinatie met Bexsero op een leeftijd van 40 tot en met 44 maanden in twee vervolgonderzoeken (respectievelijk n = 36 en n = 29-31), werd een toename van hSBA-titers voor de vier referentieantigenen waargenomen. Het percentage seropositieve proefpersonen was 100% voor fHbp en NadA; 94% en 90% voor PorA P1.4; 89% en 72% voor NHBA.

Immunogeniciteit bij adolescenten (11 jaar of ouder) en volwassenen

Adolescenten kregen twee doses Bexsero toegediend met een interval van een, twee of zes maanden tussen de doses; deze gegevens zijn samengevat in Tabel 5 en Tabel 6.

In onderzoeken bij volwassenen zijn gegevens verkregen na twee doses Bexsero, met een interval van één of twee maanden tussen de doses (zie Tabel 7).

De vaccinatieschema´s van twee doses, toegediend met een interval van één of twee maanden, gaven een vergelijkbare immuunrespons bij zowel volwassenen als adolescenten. Vergelijkbare immuunresponsen werden ook gemeten bij adolescenten die twee doses Bexsero toegediend kregen met een interval van zes maanden.

Tabel 5. Bactericide antilichaamrespons in serum bij adolescenten op één maand na twee doses Bexsero, toegediend volgens verschillende schema´s van twee doses, en persistentie van bactericide antilichamen 18 tot 23 maanden na de tweede dosis

Antigeen

 

0, 1 maanden

0, 2 maanden

0, 6 maanden

 

 

 

 

 

 

1 maand na 2e dosis

N=638

N=319

N=86

 

% seropositief*

100%

100%

100%

 

(95% BI)

(99-100)

(99-100)

(99-100)

 

hSBA GMT**

fHbp

(95% BI)

(193-229)

(209-263)

(157-302)

18-23 maanden na 2e dosis

N=102

N=106

N=49

 

 

% seropositief

82%

81%

84%

 

(95% BI)

(74-89)

(72-88)

(70-93)

 

hSBA GMT

 

(95% BI)

(20-42)

(24-49)

(16-45)

 

1 maand na 2e dosis

N=639

N=320

N=86

 

% seropositief

100%

99%

99%

 

(95% BI)

(99-100)

(98-100)

(94-100)

 

hSBA GMT

NadA

(95% BI)

(455-528)

(653-825)

(675-1147)

18-23 maanden na 2e dosis

N=102

N=106

N=49

 

 

% seropositief

93%

95%

94%

 

(95% BI)

(86-97)

(89-98)

(83-99)

 

hSBA GMT

 

(95% BI)

(30-54)

(33-58)

(43-98)

 

1 maand na 2e dosis

N=639

N=319

N=86

 

% seropositief

100%

100%

100%

 

(95% BI)

(99-100)

(99-100)

(96-100)

 

hSBA GMT

PorA P1.4

(95% BI)

(84-102)

(107-142)

(101-195)

18-23 maanden na 2e dosis

N=102

N=106

N=49

 

 

% seropositief

75%

75%

86%

 

(95% BI)

(65-83)

(66-83)

(73-94)

 

hSBA GMT

 

(95% BI)

(12-24)

(14-27)

(17-43)

 

1 maand na 2e dosis

N=46

N=46

-

 

% seropositief

100%

100%

-

NHBA

(95% BI)

(92-100)

(92-100)

 

 

hSBA GMT

-

 

(95% BI)

(76-129)

(82-140)

 

 

*% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:4.

**GMT = geometrisch gemiddelde titer.

In het adolescentenonderzoek werd de bactericide respons na twee doses Bexsero gestratificeerd naar een hSBA-uitgangswaarde van minder dan 1:4 of gelijk aan of groter dan 1:4. De serumresponspercentages en het percentage personen met ten minste een 4-voudige toename in hSBA-titers vanaf de uitgangswaarde tot één maand na de tweede dosis Bexsero zijn samengevat in Tabel 6. Na een vaccinatie met Bexsero was een hoog percentage personen seropositief en bereikte een 4-voudige toename van hSBA-titers, onafhankelijk van de status voor de vaccinatie.

Tabel 6. Percentage adolescenten met een serumrespons en ten minste een 4-voudige toename van bactericide titers op één maand na twee doses Bexsero, toegediend volgens verschillende schema´s van twee doses - gestratificeerd naar pre-vaccinatie titers

Antigeen

 

 

0, 1 maanden

0, 2 maanden

0, 6 maanden

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief*

Titer voor

N=369

N=179

N=55

 

vaccinatie <1:4

100%

(98-100)

100% (98-100)

100% (94-100)

 

na 2e dosis

 

Titer voor

N=269

N=140

N=31

 

(95% BI)

 

vaccinatie ≥1:4

100%

(99-100)

100% (97-100)

100% (89-100)

fHbp

 

 

 

 

 

 

 

% 4-voudige

Titer voor

N=369

N=179

N=55

 

 

toename

vaccinatie <1:4

100%

(98-100)

100% (98-100)

100% (94-100)

 

na 2e dosis

Titer voor

N=268

N=140

N=31

 

(95% BI)

vaccinatie ≥1:4

90%

(86-93)

86% (80-92)

90% (74-98)

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief

Titer voor

N=427

N=211

N=64

 

vaccinatie <1:4

100%

(99-100)

99% (97-100)

98% (92-100)

 

na 2e dosis

 

Titer voor

N=212

N=109

N=22

 

(95% BI)

 

vaccinatie ≥1:4

100%

(98-100)

100% (97-100)

100% (85-100)

NadA

 

 

 

 

 

 

 

% 4-voudige

Titer voor

N=426

N=211

N=64

 

 

toename

vaccinatie <1:4

99% (98-100)

99% (97-100)

98% (92-100)

 

na 2e dosis

Titer voor

N=212

N=109

N=22

 

(95% BI)

vaccinatie ≥1:4

96%

(93-98)

95% (90-98)

95% (77-100)

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief

Titer voor

N=427

N=208

N=64

 

vaccinatie <1:4

100%

(98-100)

100% (98-100)

100% (94-100)

 

na 2e dosis

 

Titer voor

N=212

N=111

N=22

 

(95% BI)

 

vaccinatie ≥1:4

100%

(98-100)

100% (97-100)

100% (85-100)

PorA P1.4

 

 

 

 

 

 

 

% 4-voudige

Titer voor

N=426

N=208

N=64

 

 

toename na

vaccinatie <1:4

99% (98-100)

100% (98-100)

100% (94-100)

 

2e dosis

Titer voor

N=211

N=111

N=22

 

(95% BI)

vaccinatie ≥1:4

81%

(75-86)

77% (68-84)

82% (60-95)

 

 

 

 

 

 

 

% seropositief

Titer voor

N=2

N=9

-

 

vaccinatie <1:4

100%

(16-100)

100% (66-100)

 

na 2e dosis

 

 

 

 

 

 

 

 

Titer voor

N=44

N=37

 

 

(95% BI)

-

 

vaccinatie ≥1:4

100%

(92-100)

100% (91-100)

NHBA

 

 

 

 

 

 

 

 

% 4-voudige

Titer voor

N=2

N=9

-

 

 

toename

vaccinatie <1:4

100%

(16-100)

89% (52-100)

 

 

 

na 2e dosis

Titer voor

N=44

N=37

-

 

(95% BI)

vaccinatie ≥1:4

30%

(17-45)

19% (8-35)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

*% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:4.

Tabel 7.

Bactericide antilichaamrespons in serum bij volwassenen na twee doses Bexsero die

 

zijn toegediend volgens verschillende schema's van twee doses

 

 

 

 

 

 

Antigeen

 

 

0, 1 maanden

0, 2 maanden

 

 

 

 

 

 

 

1 maand na 2e dosis

N=28

N=46

 

 

% seropositief*

100%

100%

fHbp

 

(95% BI)

(88-100)

(92-100)

 

 

hSBA GMT**

 

 

(95% BI)

(75-133)

(71-121)

 

 

1 maand na 2e dosis

N=28

N=46

 

 

% seropositief

100%

100%

NadA

 

(95% BI)

(88-100)

(92-100)

 

 

hSBA GMT

 

 

(95% BI)

(338-948)

(108-193)

 

 

1 maand na 2e dosis

N=28

N=46

 

 

% seropositief

96%

91%

PorA P1.4

(95% BI)

(82-100)

(79-98)

 

 

hSBA GMT

 

 

(95% BI)

(30-75)

(21-48)

*% seropositief = het percentage proefpersonen met hSBA ≥ 1:4.

**GMT = geometrisch gemiddelde titer.

Bactericide respons in serum op NHBA-antigeen is niet geëvalueerd.

Immunogeniciteit in speciale populaties

Kinderen en adolescenten met complement deficiënties, asplenie of miltdisfunctie

In een fase 3 klinische studie ontvingen kinderen en adolescenten van 2 tot 17 jaar met complement deficienties (40), met asplenie of miltdisfunctie (107) en in leeftijd overeenkomende gezonde personen (85), twee doses Bexsero met een interval tussen beide doses van twee maanden. 1 Maand na het 2- doses vaccinatieschema waren de percentages van de personen met hSBA ≥1:5 bij individuen met complement deficienties en asplenie of miltdisfunctie respectievelijk 87% en 97% voor antigeen fHbp, 95% and 100% voor antigeen NadA, 68% en 86% voor antigeen PorA P1.4, 73% en 94% voor antigeen NHBA, wat wijst op een immuunrepons bij deze immuungecompromitteerde personen. Het percentage gezonde personen met hSBA≥1:5 was 98% voor antigeen fHbp, 99% voor antigeen NadA, 83% voor antigeen PorA P1.4, en 99% voor antigeen NHBA.

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Bexsero in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten naar de preventie van meningokokkenziekte veroorzaakt door Neisseria meningitidis groep B (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Niet van toepassing.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van toxiciteit bij herhaalde dosering en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Natriumchloride

Histidine

Sucrose

Water voor injectie

Zie rubriek 2 voor het adsorbens.

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3Houdbaarheid

3 jaar

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2 C – 8 C).

Niet in de vriezer bewaren.

Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

0,5 ml suspensie in een voorgevulde spuit (type I-glas) met zuigerstop (type I-broombutylrubber) en beschermdop (type I- of type II-rubber) met of zonder naalden.

Verpakkingsgrootten: 1 of 10 injectiespuiten. Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Bij opslag kan fijn, gebroken wit bezinksel waargenomen worden in de voorgevulde spuit die de suspensie bevat.

Voor gebruik de voorgevulde spuit goed schudden om een homogene suspensie te verkrijgen.

Het vaccin moet voor toediening visueel worden onderzocht op deeltjes en verkleuring. Als deeltjes en/of verandering van het uiterlijk worden waargenomen, mag het vaccin niet worden toegediend. Als twee naalden met verschillende lengtes in de verpakking zijn meegeleverd, kiest u de juiste naald voor intramusculaire toediening.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

GSK Vaccines S.r.l

Via Fiorentina 1

53100 Siena

Italië

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/812/001

EU/1/12/812/002

EU/1/12/812/003

EU/1/12/812/004

9.DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 14 januari 2013

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

DD/MM/JJJJ

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld