Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Byetta (exenatide) – Samenvatting van de productkenmerken - A10BX04

Updated on site: 05-Oct-2017

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Byetta, 5 microgram, oplossing voor injectie in voorgevulde pen

Byetta, 10 microgram, oplossing voor injectie in voorgevulde pen

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Elke dosis bevat 5 microgram (mcg) exenatide in 20 microliter (mcl), (0,25 mg exenatide per ml). Elke dosis bevat 10 microgram (mcg) exenatide in 40 microliter (mcl), (0,25 mg exenatide per ml).

Hulpstoffen met bekend effect:

Byetta 5 mcg: Elke dosis bevat 44 mcg metacresol.

Byetta 10 mcg: Elke dosis bevat 88 mcg metacresol.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Oplossing voor injectie (injectie).

Heldere, kleurloze oplossing.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Byetta is geïndiceerd voor de behandeling van diabetes mellitus type 2 in combinatie met:

metformine

sulfonylureumderivaten

thiazolidinedionen

metformine en een sulfonylureumderivaat

metformine en een thiazolidinedion

bij volwassenen bij wie geen adequate glykemische controle werd bereikt bij maximaal verdraagbare doseringen van deze orale behandelingen.

Byetta is ook geïndiceerd als aanvullende behandeling op basale insuline met of zonder metformine en/of pioglitazon bij volwassenen bij wie geen adequate glykemische controle is bereikt met deze geneesmiddelen.

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

Ter verbetering van de verdraagbaarheid dient behandeling met exenatide met onmiddellijke vrijgifte (Byetta) te worden gestart met 5 mcg exenatide per dosis tweemaal daags gedurende ten minste één maand. De dosis van exenatide kan voor verdere verbetering van de glykemische controle vervolgens worden verhoogd tot 10 mcg tweemaal daags. Doseringen hoger dan 10 mcg tweemaal daags worden niet aanbevolen.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte is zowel beschikbaar als een 5 mcg of een 10 mcg exenatide per dosis voorgevulde pen.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte kan worden toegediend op elk gewenst moment binnen de 60 minuten voorafgaand aan de ochtend- en avondmaaltijd (of de twee hoofdmaaltijden, met

daartussen een interval van ongeveer 6 uur of langer). Exenatide met onmiddellijke vrijgifte mag niet na een maaltijd worden toegediend. Als er een injectie is vergeten, dient de behandeling met de volgende geplande dosis te worden voortgezet.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte wordt aanbevolen voor gebruik door patiënten met diabetes mellitus type 2 die al metformine, een sulfonylureumderivaat, pioglitazon en/of basale insuline krijgen. Men kan doorgaan met het gebruik van exenatide met onmiddellijke vrijgifte als een basale insuline wordt toegevoegd aan de bestaande behandeling. Wanneer exenatide met onmiddellijke vrijgifte wordt toegevoegd aan een bestaande behandeling met metformine en/of pioglitazon, kan de huidige dosis metformine en/of pioglitazon worden voortgezet aangezien geen verhoogd risico van hypoglykemie wordt verwacht in vergelijking met metformine of pioglitazon alleen. Wanneer exenatide met onmiddellijke vrijgifte wordt toegevoegd aan een behandeling met een sulfonylureumderivaat, moet een verlaging van de dosis sulfonylureumderivaat worden overwogen om het risico van hypoglykemie te verlagen (zie rubriek 4.4). Als exenatide met onmiddellijke vrijgifte wordt gebruikt in combinatie met basale insuline, moet de dosis basale insuline worden geëvalueerd. Bij patiënten met een verhoogde kans op hypoglykemie dient te worden overwogen om de dosis basale insuline te verlagen (zie rubriek 4.8).

De dosering van exenatide met onmiddellijke vrijgifte hoeft niet dagelijks aangepast te worden op basis van zelfcontrole van bloedglucosewaarden. Echter, het zelf meten van de bloedglucose kan nodig zijn om de dosering van het sulfonylureumderivaat of de dosis basale insuline aan te passen.

Speciale populaties

Ouderen

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte dient voorzichtig gebruikt te worden. De dosisverhoging van 5 mcg naar 10 mcg dient met conservatief beleid te gebeuren bij patiënten ouder dan 70 jaar. De klinische ervaring met patiënten ouder dan 75 jaar is erg beperkt.

Nierinsufficiëntie

Er is geen doseringsaanpassing noodzakelijk voor patiënten met lichte nierinsufficiëntie (creatinineklaring 50 - 80 ml/min).

Bij patiënten met matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 30 – 50 ml/min) moet de dosisverhoging van 5 mcg naar 10 mcg voorzichtig worden uitgevoerd (zie rubriek 5.2).

Exenatide wordt niet aanbevolen voor gebruik door patiënten met terminale nierziekte of ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min) (zie rubriek 4.4).

Leverfunctiestoornis

Er is geen doseringsaanpassing nodig bij patiënten met leverfunctiestoornis (zie rubriek 5.2).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van exenatide bij kinderen en adolescenten onder de 18 jaar zijn niet vastgesteld (zie rubriek 5.2).

De momenteel beschikbare gegevens worden beschreven in rubriek 5.2, maar er kan geen doseringsadvies worden gegeven.

Wijze van toediening

Elke dosis moet subcutaan in de dij, buik of bovenarm worden geïnjecteerd. Exenatide met onmiddellijke vrijgifte en basale insuline moeten als twee gescheiden injecties worden toegediend.

Voor gebruiksinstructies van de pen, zie rubriek 6.6 en de gebruikshandleiding die bij de bijsluiter is meegeleverd.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Exenatide mag niet worden gebruikt door patiënten met type 1 diabetes mellitus of voor de behandeling van diabetische ketoacidose.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte mag niet via intraveneuze of intramusculaire injectie worden toegediend.

Nierinsufficiëntie

Bij patiënten met terminale nierziekte die worden gedialyseerd, namen de frequentie en ernst van gastro-intestinale bijwerkingen toe bij toediening van enkelvoudige doses van 5 mcg exenatide met onmiddellijke vrijgifte. Exenatide wordt niet aanbevolen voor gebruik door patiënten met terminale nierziekte of ernstige nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 30 ml/min). De klinische ervaring bij patiënten met matige nierinsufficiëntie is erg beperkt (zie rubriek 4.2).

Er zijn soms voorkomende, spontaan gemelde voorvallen van een veranderde nierfunctie geweest, waaronder een toegenomen serumkreatinine, nierinsufficiëntie, verslechterd chronisch nierfalen en acuut chronisch nierfalen, waarbij soms hemodialyse nodig was. Sommige van deze voorvallen traden op bij patiënten die voorvallen ondervonden die invloed kunnen hebben op de hydratatie, waaronder misselijkheid, overgeven en/of diarree en/of die geneesmiddelen gebruikten waarvan bekend is dat deze de nierfunctie/hydratatiestatus beïnvloeden. Gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen waren angiotensine-omzettend enzymremmers, angiotensine-II antagonisten, niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen en diuretica. Omkeerbaarheid van de veranderde nierfunctie is waargenomen bij ondersteunende behandeling en het staken van het gebruik van geneesmiddelen die mogelijk de oorzaak waren, waaronder exenatide.

Acute pancreatitis

Het gebruik van GLP-1-receptoragonisten wordt in verband gebracht met een risico op het ontwikkelen van acute pancreatitis. Er zijn spontaan gemelde voorvallen van acute pancreatitis geweest met exenatide. Genezing van pancreatitis is waargenomen bij ondersteunende behandeling, maar zeer zelden voorkomende gevallen van necrotiserende of hemorragische pancreatitis en/of overlijden zijn gerapporteerd. Patiënten dienen geïnformeerd te worden over het karakteristieke symptoom van acute pancreatitis: aanhoudende, ernstige abdominale pijn. Als er een vermoeden van pancreatitis is, dient het gebruik van exenatide gestaakt te worden. Als een acute pancreatitis wordt vastgesteld, dient de behandeling met exenatide niet hervat te worden. Voorzichtigheid is geboden bij patiënten met een geschiedenis van pancreatitis.

Ernstige ziekte van het maagdarmstelsel

Exenatide is niet onderzocht bij patiënten met ernstige ziekte van het maagdarmstelsel, waaronder gastroparese. Het gebruik van Byetta gaat vaak gepaard met gastro-intestinale bijwerkingen, waaronder misselijkheid, braken en diarree. Daarom wordt het gebruik van exenatide niet aanbevolen bij patiënten met ernstige gastro-intestinale ziekte.

Hypoglykemie

Bij gebruik van exenatide met onmiddellijke vrijgifte in combinatie met een sulfonylureumderivaat was de incidentie van hypoglykemie hoger dan bij placebo in combinatie met een sulfonylureumderivaat. In klinische studies hadden patiënten met lichte nierinsufficiëntie die een combinatie met een sulfonylureumderivaat kregen, een verhoogd optreden van hypoglykemie vergeleken met patiënten met een normale nierfunctie. Om het risico van hypoglykemie bij gebruik van een sulfonylureumderivaat te verlagen, dient verlaging van de dosis van het sulfonylureumderivaat te worden overwogen.

Snel gewichtsverlies

Gewichtsverlies van meer dan 1,5 kg per week is waargenomen bij ongeveer 5% van de met exenatide in klinisch onderzoek behandelde patiënten. Gewichtsverlies in deze ordegrootte kan schadelijke gevolgen hebben. Patiënten die snel gewicht verliezen moeten gecontroleerd worden op tekenen en symptomen van cholelithiasis.

Gelijktijdig gebruik van andere geneesmiddelen

Het vertragende effect van exenatide met onmiddellijke vrijgifte op de maaglediging kan de mate en snelheid van de absorptie van oraal toegediende geneesmiddelen verminderen. Exenatide met onmiddellijke vrijgifte dient voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten die orale geneesmiddelen krijgen waarvoor snelle gastro-intestinale absorptie noodzakelijk is en geneesmiddelen met een smalle therapeutische ratio. Specifieke aanbevelingen betreffende de inname van deze geneesmiddelen in relatie tot exenatide met onmiddellijke vrijgifte worden gegeven in rubriek 4.5.

Het gelijktijdige gebruik van exenatide met onmiddellijke vrijgifte en derivaten van D-fenylalanine (meglitiniden), alfaglucosidaseremmers, dipeptidylpeptidase-4-remmers of andere GLP-1- receptoragonisten is niet onderzocht en kan niet worden aanbevolen.

Hulpstoffen

Dit geneesmiddel bevat metacresol, wat allergische reacties kan veroorzaken.

Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium per dosis, d.w.z. het is in essentie “natrium-vrij”.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Het vertragende effect van exenatide met onmiddellijke vrijgifte op de maaglediging kan de mate en snelheid van de absorptie van oraal toegediende geneesmiddelen verminderen. Patiënten die geneesmiddelen krijgen met een smalle therapeutische ratio of geneesmiddelen die zorgvuldige klinische controle vereisen, moeten nauwlettend worden gevolgd. Deze geneesmiddelen dienen op een gestandaardiseerde manier te worden ingenomen in relatie tot de injectie met exenatide met onmiddellijke vrijgifte. Als dergelijke geneesmiddelen met voedsel moeten worden ingenomen, moet patiënten worden geadviseerd deze, indien mogelijk, in te nemen met een maaltijd waarbij exenatide met onmiddellijke vrijgifte niet wordt toegediend.

Voor orale geneesmiddelen die voor de werkzaamheid hoofdzakelijk afhankelijk zijn van drempelconcentraties, zoals antibiotica, moet patiënten worden geadviseerd deze geneesmiddelen ten minste 1 uur voor de injectie met exenatide met onmiddellijke vrijgifte in te nemen.

Maagsapresistente recepturen die bestanddelen bevatten die gevoelig zijn voor degradatie in de maag, zoals protonpompremmers, dienen ten minste 1 uur vóór of meer dan 4 uur ná injectie van exenatide met onmiddellijke vrijgifte ingenomen te worden.

Digoxine, lisinopril en warfarine

Een vertraging in tmax van ongeveer 2 uur werd waargenomen wanneer digoxine, lisinopril of warfarine 30 min. na exenatide werd toegediend. Er werden geen klinisch relevante effecten op de Cmax of AUC waargenomen. Echter, sinds de marktintroductie is een verhoogd INR (International Normalised Ratio) spontaan gerapporteerd bij gelijktijdig gebruik van warfarine en exenatide. De INR dient nauwlettend gecontroleerd te worden bij aanvang en dosisverhoging van de behandeling met exenatide met onmiddellijke vrijgifte bij patiënten die warfarine en/of cumarinederivaten krijgen (zie rubriek 4.8).

Metformine of sulfonylureumderivaten

Het is niet aannemelijk dat exenatide met onmiddellijke vrijgifte enig klinisch relevant effect heeft op de farmacokinetiek van metformine of sulfonylureumderivaten. Daarom is er geen voorbehoud nodig voor het tijdstip waarop deze geneesmiddelen dienen te worden ingenomen in relatie tot de injectie met exenatide met onmiddellijke vrijgifte.

Paracetamol

Paracetamol werd gebruikt als een modelgeneesmiddel voor de beoordeling van het effect van exenatide op de maaglediging. Wanneer 1000 mg paracetamol werd toegediend met 10 mcg exenatide met onmiddellijke vrijgifte (0 uur) en 1 uur, 2 uur en 4 uur na injectie van exenatide met onmiddellijke vrijgifte, nam de AUC van paracetamol af met respectievelijk 21%, 23%, 24% en 14%, daalde de Cmax

met respectievelijk 37%, 56%, 54% en 41%, en nam de tmax toe van 0,6 uur in de controleperiode tot respectievelijk 0,9 uur, 4,2 uur, 3,3 uur en 1,6 uur. AUC, Cmax en tmax van paracetamol veranderden

niet significant wanneer paracetamol 1 uur vóór injectie van exenatide met onmiddellijke vrijgifte werd toegediend. Gebaseerd op deze onderzoeksresultaten is er geen dosisaanpassing vereist voor paracetamol.

Hydroxymethylglutaryl-coënzym-A-reductaseremmers

De AUC en Cmax van lovastatine werden met respectievelijk ongeveer 40% en 28% verlaagd, en tmax werd met ongeveer 4 uur vertraagd wanneer exenatide met onmiddellijke vrijgifte (10 mcg tweemaal daags) gelijktijdig met een enkelvoudige dosis lovastatine (40 mg) werd toegediend in vergelijking met toediening van alleen lovastatine. In de 30 weken durende placebogecontroleerde klinische onderzoeken ging gelijktijdig gebruik van exenatide met onmiddellijke vrijgifte en HMG-CoA- reductaseremmers niet gepaard met consistente veranderingen in lipidenprofielen (zie rubriek 5.1). Het is mogelijk dat veranderingen in LDL-C of totaal cholesterol optreden, er is echter geen vooraf vastgestelde aanpassing van de dosis nodig. De lipidenprofielen dienen regelmatig gecontroleerd te worden.

Ethinylestradiol en levonorgestrel

De toediening van een combinatie van orale anticonceptiva (30 mcg ethinylestradiol plus 150 mcg levonorgestrel) één uur voor exenatide met onmiddellijke vrijgifte (10 mcg BID) gaf geen veranderingen in de AUC, Cmax of Cmin van zowel ethinylestradiol als levonorgestrel. Toediening van orale anticonceptiva 30 minuten na exenatide met onmiddellijke vrijgifte had geen effect op de AUC, maar resulteerde in een vermindering van de Cmax van ethinylestradiol met 45% en de Cmax van

levonorgestrel met 27-41% en een vertraging van de tmax van 2 tot 4 uur door een vertraagde maaglediging. De vermindering van de Cmax is van beperkte klinische relevantie en een

dosisaanpassing van orale anticonceptiva is niet nodig.

Peadiatrische patiënten

Onderzoek naar interacties is alleen bij volwassenen uitgevoerd.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Vrouwen die zwanger kunnen worden

Indien een patiënt zwanger wenst te worden of indien zwangerschap optreedt, dient behandeling met exenatide te worden gestaakt.

Zwangerschap

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van exenatide bij zwangere vrouwen. Uit experimenteel onderzoek bij dieren is reproductietoxiciteit gebleken (zie 5.3). Het potentiële risico voor de mens is niet bekend. Exenatide mag niet door zwangere vrouwen worden gebruikt en het gebruik van insuline wordt aanbevolen.

Borstvoeding

Het is niet bekend of exenatide bij de mens overgaat in de moedermelk. Exenatide mag niet worden gebruikt wanneer borstvoeding wordt gegeven.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen vruchtbaarheidsstudies bij mensen uitgevoerd.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Exenatide heeft een geringe invloed op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen. Wanneer exenatide wordt gebruikt in combinatie met een sulfonylureumderivaat of een basale insuline moet patiënten worden geadviseerd voorzorgen te nemen om hypoglykemie tijdens het besturen van voertuigen/deelname aan het verkeer en het gebruik van machines te voorkomen.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

De meest voorkomende bijwerkingen waren hoofdzakelijk gastro-intestinaal (misselijkheid, overgeven en diarree). De meest gemelde enkele bijwerking is misselijkheid; dit was geassocieerd met het starten van de behandeling en verdween na verloop van tijd. Patiënten kunnen hypoglykemie ondervinden wanneer exenatide met onmiddellijke vrijgifte wordt gebruikt met een sulfonylureumderivaat. De meeste bijwerkingen geassocieerd met exenatide met onmiddellijke vrijgifte waren licht tot matig ernstig.

Sinds het op de markt brengen van exenatide met onmiddellijke vrijgifte is acute pancreatitis gerapporteerd met niet bekende frequentie en is acuut nierfalen soms gerapporteerd (zie rubriek 4.4).

Getabelleerde lijst van bijwerkingen

In tabel 1 staan de bijwerkingen gemeld van exenatide met onmiddellijke vrijgifte tijdens klinisch onderzoek en als spontane melding (niet waargenomen bij klinisch onderzoek, frequentie niet bekend).

In klinische studies omvatte achtergrondtherapieën metformine, een sulfonylureumderivaat, een thiazolidinedion of een combinatie van orale glucoseverlagende geneesmiddelen.

De reacties zijn hieronder weergegeven als MedDRA-voorkeursterm per systeem/orgaanklasse en absolute frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, 1/10), soms (≥ 1/1.000, 1/100), zelden (≥1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (<1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Tabel 1: Bijwerkingen van exenatide met onmiddellijke vrijgifte geïdentificeerd uit klinisch onderzoek en spontane meldingen

Systeem/orgaanklasse /

 

 

Frequentie van optreden

 

bijwerking

 

 

 

 

 

 

 

Zeer vaak

Vaak

Soms

Zelden

Zeer

Niet

 

zelden

bekend

 

 

 

 

 

Immuunsysteem-

 

 

 

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

 

 

 

Anafylactische reactie

 

 

 

X1

 

 

Voedings- en

 

 

 

 

 

 

stofwisselingsstoornissen

 

 

 

 

 

 

Hypoglykemie (met

X1

 

 

 

 

 

metformine en een

 

 

 

 

 

 

sulfonylureumderivaat)2

 

 

 

 

 

 

Hypoglykemie (met een

X1

 

 

 

 

 

sulfonylureumderivaat)

 

 

 

 

 

 

Verminderde eetlust

 

X1

 

 

 

 

Uitdroging, doorgaans als

 

 

X1

 

 

 

gevolg van misselijkheid,

 

 

 

 

 

 

braken en/of diarree

 

 

 

 

 

 

Zenuwstelselaandoeningen

 

 

 

 

 

 

Hoofdpijn2

 

X1

 

 

 

 

Duizeligheid

 

X1

 

 

 

 

Stoornis in de smaakvorming

 

 

X1

 

 

 

Slaperigheid

 

 

X1

 

 

 

Maagdarmstelsel-

 

 

 

 

 

 

aandoeningen

 

 

 

 

 

 

Ingewandenobstructie

 

 

 

X1

 

 

Misselijkheid

X1

 

 

 

 

 

Braken

X1

 

 

 

 

 

Diarree

X1

 

 

 

 

 

Dyspepsie

 

X1

 

 

 

 

Buikpijn

 

X1

 

 

 

 

Gastro-oesofageale

 

X1

 

 

 

 

refluxziekte

 

 

 

 

 

 

Abdominale distensie

 

X1

 

 

 

 

Acute pancreatitis (zie

 

 

 

 

 

X3

rubriek 4.4)

 

 

 

 

 

 

Oprispingen

 

 

X1

 

 

 

Obstipatie

 

X1

 

 

 

 

Flatulentie

 

X1

 

 

 

 

Huid- en

 

 

 

 

 

 

onderhuidaandoeningen

 

 

 

 

 

 

Hyperhidrose2

 

X1

 

 

 

 

Alopecia

 

 

X1

 

 

 

Vlekkerige en

 

 

 

 

 

X3

pukkelvormige huiduitslag

 

 

 

 

 

 

Jeuk en/of urticaria

 

X1

 

 

 

 

Angioneurotisch oedeem

 

 

 

 

 

X3

Nier- en

 

 

 

 

 

 

urinewegaandoeningen

 

 

 

 

 

 

Veranderde nierfunctie,

 

 

X1

 

 

 

waaronder acuut nierfalen,

 

 

 

 

 

 

verslechterd chronische

 

 

 

 

 

 

nierfalen, nierinsufficiëntie,

 

 

 

 

 

 

toegenomen serumkreatinine

 

 

 

 

 

 

Algemene aandoeningen en

 

 

 

 

 

 

toedieningsplaats-

 

 

 

 

 

 

stoornissen

 

 

 

 

 

 

Schrikachtigheid

 

X1

 

 

 

 

Asthenie2

 

X1

 

 

 

 

Reacties op de injectieplaats

 

 

X1

 

 

 

Onderzoeken

 

 

 

 

 

 

Gewichtsafname

 

 

X1

 

 

 

Verhoogd international

 

 

 

 

 

X3

normalised ratio bij

 

 

 

 

 

 

gelijktijdig gebruik met

 

 

 

 

 

 

warfarine, in sommige

 

 

 

 

 

 

rapportages geassocieerd met

 

 

 

 

 

 

bloedingen

 

 

 

 

 

 

1 Mate van voorkomen gebaseerd op afgeronde langetermijnstudies naar werkzaamheid en veiligheid van exenatide met onmiddellijke vrijgifte met totaal n=5763 (patiënten op sulfonylureumderivaten n=2971).

2In met insuline als comparator gecontroleerde onderzoeken waarin metformine en een sulfonylureumderivaat gelijktijdig werden toegediend, was voor patiënten behandeld met insuline en exenatide met onmiddellijke vrijgifte de incidentie ten aanzien van deze bijwerkingen vergelijkbaar.

3Gegevens uit spontane meldingen (onbekende noemer)

Bij gebruik van exenatide met onmiddellijke vrijgifte in combinatie met basale insulinebehandeling waren de incidentie en de typen van andere waargenomen bijwerkingen vergelijkbaar met de bijwerkingen die zijn waargenomen in gecontroleerde klinische studies met exenatide als monotherapie, met metformine en/of sulfonylureumderivaten of een thiazolidinedion, met of zonder metformine.

Beschrijving van een geselecteerd aantal bijwerkingen

Hypoglykemie

In onderzoeken met patiënten die behandeld werden met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en een sulfonylureumderivaat (met of zonder metformine), was het optreden van hypoglykemie toegenomen in vergelijking tot placebo (23,5% en 25,2% versus 12,6% en 3,3%) en dit bleek afhankelijk van de dosering van zowel exenatide met onmiddellijke vrijgifte als het sulfonylureum.

Er waren geen klinisch relevante verschillen in optreden of ernst van hypoglykemie met exenatide, vergeleken met placebo, in combinatie met een thiazolidinedion, met of zonder metformine. Hypoglykemie werd gerapporteerd bij 11% en 7% van de patiënten behandeld met respectievelijk exenatide en placebo.

De meeste episodes van hypoglykemie waren licht tot matig in intensiteit en verdwenen na orale toediening van carbohydraat.

In een 30 weken durende studie, waarin exenatide met onmiddellijke vrijgifte of placebo werd toegevoegd aan bestaande basale insulinebehandeling (insuline glargine), werd de dosis basale insuline volgens protocolontwerp verlaagd met 20% bij patiënten met een HbA1c ≤8,0% teneinde de kans op hypoglykemie te minimaliseren. Beide behandelingsarmen werden getitreerd om de target nuchtere plasmaglucosespiegels te bereiken (zie rubriek 5.1). Er waren geen klinisch significante verschillen in de incidentie van hypoglykemische episoden in de exenatide met onmiddellijke vrijgifte groep vergeleken met de placebogroep (respectievelijk 25% en 29%). Er waren in de exenatide met onmiddellijke vrijgifte-arm geen ernstige hypoglykemische episodes.

In een 24 weken durende studie, waarin ofwel insuline lispro protamine suspensie ofwel insuline glargine werd toegevoegd aan bestaande behandeling met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en metformine of metformine plus thiazolidinedion, was de incidentie van patiënten met ten minste één lichte hypoglykemische episode respectievelijk 18% en 19%. Eén patiënt rapporteerde ernstige hypoglykemie. Bij patiënten, bij wie de bestaande behandeling ook een sulfonylureumderivaat bevatte, was de incidentie van patiënten met ten minste één lichte hypoglykemische episode respectievelijk 48% en 54%. Eén patiënt rapporteerde ernstige hypoglykemie.

Misselijkheid

De meest gemelde bijwerking was misselijkheid. Van de patiënten behandeld met 5 mcg of 10 mcg exenatide met onmiddellijke vrijgifte maakte 36% melding van ten minste één episode van misselijkheid. De meeste episoden van misselijkheid waren licht tot matig van aard en traden dosisafhankelijk op. Bij voortzetting van de behandeling namen bij de meeste patiënten die in eerste instantie last hadden van misselijkheid, de frequentie en ernst hiervan af.

De incidentie van terugtrekking uit de langlopende gecontroleerde onderzoeken (16 weken of langer) in verband met bijwerkingen was 8% voor patiënten behandeld met exenatide met onmiddellijke vrijgifte, 3% voor patiënten behandeld met placebo en 1% voor patiënten behandeld met insuline. De meest voorkomende bijwerkingen bij patiënten behandeld met exenatide met onmiddellijke vrijgifte die leidden tot terugtrekking waren misselijkheid (4% van de patiënten) en braken (1%). Van de patiënten behandeld met placebo of insuline trok < 1% zich terug in verband met misselijkheid of braken.

Na 82 weken werden gedurende de open-label-extensie-onderzoeken vergelijkbare typen bijwerkingen waargenomen bij met exenatide met onmiddellijke vrijgifte behandelde patiënten als bij de controletrials.

Reacties op de injectieplaats

Reacties op de injectieplaats zijn gemeld bij ongeveer 5,1% van de proefpersonen die exenatide met onmiddellijke vrijgifte kregen in langlopende (16 weken of langer) gecontroleerde onderzoeken. Deze reacties waren doorgaans licht van aard en leidden gewoonlijk niet tot stopzetting van exenatide met onmiddellijke vrijgifte.

Immunogeniciteit

Overeenkomstig de potentieel immunogene eigenschappen van geneesmiddelen op basis van eiwitten en peptiden kunnen patiënten na behandeling met exenatide met onmiddellijke vrijgifte antilichamen tegen exenatide ontwikkelen. Bij de meeste patiënten die antilichamen ontwikkelen, dalen de antilichaamtiters na verloop van tijd en blijven laag gedurende de 82 weken.

Over het geheel genomen was het percentage antilichaampositieve patiënten in de verschillende klinische onderzoeken consistent. Patiënten die antilichamen tegen exenatide ontwikkelen hebben de neiging meer injectieplaatsstoornissen te vertonen (bijvoorbeeld roodheid van de huid en jeuk), maar overigens kwamen de aantallen en typen bijwerkingen overeen met die van degenen zonder antilichamen tegen exenatide. In de drie placebogecontroleerde onderzoeken had bij 30 weken

(n = 963) 38% van de patiënten lage titers van antilichamen tegen exenatide. In deze groep was de mate van glykemische controle (HbA1c) over het algemeen vergelijkbaar met die bij degenen zonder antilichaamtiters. Nog eens 6% van de patiënten had hogere antilichaamtiters bij 30 weken. Ongeveer de helft van deze 6% (3% van het totale aantal patiënten dat exenatide met onmiddellijke vrijgifte in de gecontroleerde onderzoeken kreeg toegediend) had geen duidelijke glykemische respons op exenatide met onmiddellijke vrijgifte; de rest had een glykemische respons die overeenkwam met die van patiënten zonder antilichamen. In drie met insuline als comparator gecontroleerde onderzoeken (n = 790) werden vergelijkbare werkzaamheid en bijwerkingen waargenomen bij met exenatide met onmiddellijke vrijgifte behandelde patiënten met en zonder antilichaamtiters.

Onderzoek van antilichaampositieve monsters van één langlopend niet-gecontroleerd onderzoek liet geen significante kruisreactiviteit zien met soortgelijke endogene peptiden (glucagon of GLP-1).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen

te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Klachten en verschijnselen van een overdosis kunnen onder meer zijn ernstige misselijkheid, ernstig braken en snel dalende bloedglucoseconcentraties. In geval van een overdosis moet de aangewezen ondersteunende behandeling (mogelijk parenteraal) worden gestart afhankelijk van de klinische klachten en verschijnselen van de patiënt.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Geneesmiddelen gebruikt bij diabetes, overige bloedglucoseverlagende geneesmiddelen, met uitzondering van insulines, ATC-code: A10BX04.

Werkingsmechanisme

Exenatide is een glucagonachtige peptide-1 (GLP-1) receptoragonist dat een aantal antihyperglykemische werkingen vertoont van glucagonachtig peptide-1 (glucagon-like peptide-1, GLP-1). De aminozuurvolgorde van exenatide overlapt gedeeltelijk die van humaan GLP-1. Het is aangetoond dat exenatide in vitro bindt aan de bekende humane GLP-1-receptor en deze activeert; het werkingsmechanisme ervan wordt gemedieerd door cyclisch AMP en/of andere intracellulaire signaleringsroutes.

Exenatide verhoogt de secretie van insuline door pancreatische bètacellen op een glucose-afhankelijke basis. Als bloedglucoseconcentraties dalen, neemt de insulineafgifte af. Wanneer exenatide werd gebruikt in combinatie met metformine alleen, werd geen toename in het optreden van hypoglykemie gezien in vergelijking tot placebo in combinatie met metformine. Dit zou veroorzaakt kunnen worden door het glucose-afhankelijke insulinotropisch mechanisme (zie rubriek 4.4).

Exenatide onderdrukt de glucagonafgifte, waarvan bekend is dat deze veel te hoog is bij type 2 diabetes. Lagere glucagonconcentraties leiden tot verminderde hepatische glucoseafgifte. Echter exenatide vermindert niet de normale glucagonrespons en andere hormonale reacties op hypoglykemie.

Exenatide vertraagt de maaglediging waardoor de opnamesnelheid van glucose, afkomstig van de maaltijd, in het bloed afneemt.

Farmacodynamische effecten

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verbetert de glykemische controle door middel van de onmiddellijke en langdurige effecten van verlaging van zowel de postprandiale als nuchtere glucoseconcentraties bij patiënten met type 2 diabetes.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

Studies van exenatide met onmiddellijke vrijgifte met metformine, een sulfonylureumderivaat of beide als achtergrondbehandeling

De klinische onderzoeken bestonden uit 3945 proefpersonen (2997 behandeld met exenatide), 56% mannen en 44% vrouwen, 319 proefpersonen (230 behandeld met exenatide) waren ≥ 70 jaar oud en 34 proefpersonen (27 behandeld met exenatide) waren ≥ 75 jaar oud.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verlaagde het HbA1c en lichaamsgewicht bij patiënten die gedurende 30 weken werden behandeld in drie placebogecontroleerde onderzoeken, ongeacht of exenatide met onmiddellijke vrijgifte werd toegevoegd aan metformine, een sulfonylureumderivaat of een combinatie van beide. Deze verlagingen van HbA1c werden doorgaans waargenomen op 12 weken na aanvang van de behandeling. Zie tabel 2. In de groep van patiënten met 10 mcg tweemaal daags die beide placebogecontroleerde onderzoeken en de niet-gecontroleerde extensie voltooiden (n = 137) hield de daling van HbA1c aan en bleef het gewichtsverlies doorgaan gedurende ten minste 82 weken.

Tabel 2: Gecombineerde resultaten van de 30 weken durende placebogecontroleerde onderzoeken (intent-to-treat patiënten)

 

Placebo

Exenatide met

Exenatide met

 

 

onmiddellijke

onmiddellijke

 

 

vrijgifte 5 mcg

vrijgifte 10

 

 

tweemaal daags

mcg tweemaal

 

 

 

daags

N

Uitgangswaarde HbA1c(%)

8,48

8,42

8,45

HbA1c(%) verandering t.o.v.

0,08

-0,59

-0,89

uitgangswaarde

 

 

 

Deel van de patiënten (%) die een

7,9

25,3

33,6

HbA1c bereikten van 7% of lager

 

 

 

Deel van de patiënten (%) die een

10,0

29,6

38,5

HbA1c bereikten van 7% of lager

 

 

 

(patiënten die onderzoek voltooiden)

 

 

 

Uitgangswaarde gewicht (kg)

99,26

97,10

98,11

Verandering van gewicht t.o.v.

-0,65

-1,41

-1,91

uitgangswaarde (kg)

 

 

 

In insuline-comparator onderzoeken, verbeterde exenatide met onmiddellijke vrijgifte (5 mcg tweemaal daags gedurende 4 weken, gevolgd door 10 mcg tweemaal daags) in combinatie met metformine en een sulfonylureumderivaat significant (statistisch en klinisch) de glykemische controle zoals gemeten d.m.v. HbA1c daling. Dit behandelingseffect was vergelijkbaar met dat van insuline glargine in een 26 weken durend onderzoek (gemiddelde insulinedosis 24,9 IE/dag met een spreiding van 4-95 IE/dag aan het einde van het onderzoek) en bifasisch insuline aspart in een 52 weken durend onderzoek (gemiddelde insulinedosis 24,4 IE/dag met een spreiding van 3-78 IE/dag, aan het einde van het onderzoek). Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verlaagde het HbA1c van 8,21 (n=228) en 8,6% (n=222) met 1,13 en 1,01% terwijl insuline glargine dit verlaagde van 8,24 (n=227) met 1,10%

en bifasisch insuline aspart van 8,67 (n=224) met 0,86%. Gewichtsverlies van 2,3 kg (2,6%) werd bereikt met exenatide met onmiddellijke vrijgifte in de 26 weken durende studie en een verlies van 2,5 kg (2,7%) in de 52 weken durende studie terwijl behandeling met insuline werd geassocieerd met gewichtstoename. Verschillen in de behandeling (exenatide met onmiddellijke vrijgifte minus comparator) waren -4,1 kg in de 26 weken durende studie en -5,4 kg in de 52 weken durende studie. In insuline comparator onderzoeken lieten 7-punts zelfbepaalde bloedglucoseprofielen (vóór en na de maaltijden en om 3 uur ‘s nachts) significant afgenomen glucosewaarden zien vergeleken bij insuline in de postprandiale perioden na injectie met exenatide met onmiddellijke vrijgifte. De bloedglucosewaarden voor de maaltijd waren over het algemeen lager bij patiënten die insuline namen in vergelijking tot exenatide met onmiddellijke vrijgifte. De gemiddelde dagelijkse bloedglucosewaarden waren vergelijkbaar voor exenatide met onmiddellijke vrijgifte en insuline. In deze studies was het optreden van hypoglykemie vergelijkbaar voor exenatide met onmiddellijke vrijgifte en insulinebehandeling.

Studies van exenatide met onmiddellijke vrijgifte met metformine, een thiazolidinedion of beide als achtergrondbehandeling

Er zijn twee placebo-gecontroleerde onderzoeken gedaan, één met een duur van 16 weken en één met een duur van 26 weken, waarin respectievelijk 121 en 111 met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en 112 en 54 met placebo behandelde patiënten, toegevoegd aan de bestaande thiazolidinedionbehandeling, met of zonder metformine, deelnamen. Van de Byetta-patiënten werd 12% behandeld met een thiazolidinedion en exenatide met onmiddellijke vrijgifte, terwijl 82% werd behandeld met een thiazolidinedion, metformine en exenatide met onmiddellijke vrijgifte. Exenatide met onmiddellijke vrijgifte (5 mcg tweemaal daags gedurende 4 weken, gevolgd door 10 mcg tweemaal daags) bereikte een statistisch significante afname t.o.v. uitgangswaarde HbA1c in vergelijking met placebo (-0,7% versus +0,1%) evenals een significante afname van het lichaamsgewicht (-1,5 versus 0 kg) in het onderzoek van 16 weken. Het onderzoek van 26 weken

vertoonde gelijke resultaten met statistisch significante afnames ten opzichte van uitgangswaarde HbA1c in vergelijking met placebo (-0,8% versus -0,1%). Er was geen significant verschil in lichaamsgewicht tussen de behandelgroepen voor wat betreft de verandering van uitgangswaarde naar eindpunt (-1,4 versus -0,8 kg).

Wanneer exenatide met onmiddellijke vrijgifte werd gebruikt in combinatie met een thiazolidinedion was de frequentie van optreden van hypoglykemie vergelijkbaar met dat van placebo in combinatie met een thiazolidinedion. De ervaring bij patiënten > 65 jaar en bij patiënten met een nierfunctiestoornis is beperkt. Het optreden en het soort van andere bijwerkingen waren gelijk aan die zoals gezien in de 30 weken durende gecontroleerde klinische onderzoeken met een sulfonylureumderivaat, metformine of beide.

Studies van exenatide met onmiddellijke vrijgifte in combinatie met basale insuline

In een 30 weken durende studie werd exenatide met onmiddellijke vrijgifte (5 mcg tweemaal daags gedurende 4 weken, gevolgd door 10 mcg tweemaal daags) of een placebo toegevoegd aan insuline glargine (met of zonder metformine, pioglitazon of beide). Gedurende de studie titreerden beide behandelingsarmen insuline glargine, gebruikmakend van een algoritme die de huidige klinische praktijk weergeeft, tot een target nuchtere plasmaglucose van ongeveer 5,6 mmol/l. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 59 jaar en de gemiddelde duur van de diabetes was 12,3 jaar.

Aan het eind van de studie vertoonde exenatide met onmiddellijke vrijgifte (n=137) een statistisch significante reductie in HbA1c en gewicht vergeleken met placebo (n=122). Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verlaagde het HbA1c met 1,7% vanaf een uitgangswaarde van 8,3%, terwijl placebo het HbA1c verlaagde met 1,0% vanaf een uitgangswaarde van 8,5%. Het percentage patiënten dat een HbA1c < 7% en HbA1c ≤6,5% bereikte was 56% en 42% met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en 29% en 13% met placebo. Voor exenatide met onmiddellijke vrijgifte werd een gewichtsverlies van 1,8 kg vanaf een uitgangswaarde van 95 kg waargenomen, terwijl met placebo een gewichtstoename van 1 kg vanaf een uitgangswaarde van 94 kg werd gezien.

In de exenatide met onmiddellijke vrijgifte-arm nam de insulinedosis met 13 eenheden/dag toe vergeleken met 20 eenheden/dag in de placebo-arm. Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verlaagde de nuchtere serumglucose met 1,3 mmol/l en placebo met 0,9 mmol/l. Vergeleken met placebo had de exenatide met onmiddellijke vrijgifte arm significant verlaagde postprandiale bloedglucose- schommelingen na het ontbijt (-2,0 versus -0,2 mmol/l) en na het avondmaal (-1,6 versus +0,1 mmol/l); voor het middagmaal was er geen verschil tussen de behandelingen.

In een 24 weken durende studie, waarin ofwel insuline lispro protamine suspensie ofwel insuline glargine werd toegevoegd aan een bestaande behandeling met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en metformine, metformine met een sulfonylureumderivaat of metformine en pioglitazon, werd het HbA1c verlaagd met respectievelijk 1,2% (n= 170) en 1,4% (n=167) vanaf een uitgangswaarde van 8,2%. Een gewichtstoename van 0,2 kg werd waargenomen bij patiënten behandeld met insuline lispro protamine suspensie en van 0,6 kg bij patiënten behandeld met insuline glargine vanaf een uitgangswaarde van respectievelijk 102 kg en 103 kg.

In een 30 weken durende open-label non-inferioriteitsstudie met een actief vergelijkingsmiddel werden de veiligheid en werkzaamheid geëvalueerd van exenatide met onmiddellijke vrijgifte (n=315) vs. getitreerde insuline lispro driemaal daags (n=312) tegen een achtergrond van geoptimaliseerde basale insuline glargine en metformine bij patiënten met diabetes type 2.

Na een basale insuline-optimalisatie (BIO-)fase, werden patiënten met een HbA1c >7,0% gerandomiseerd naar toevoeging van ofwel exenatide met onmiddellijke vrijgifte ofwel insuline lispro aan hun bestaande regime van insuline glargine en metformine. In beide behandelgroepen bleven de deelnemers hun dosis insuline glargine titreren volgens een algoritme dat de huidige klinische praktijk weerspiegelt.

Alle patiënten die exenatide met onmiddellijke vrijgifte toegewezen gekregen hadden, kregen initieel 5 microgram tweemaal daags gedurende vier weken. Na vier weken werd hun dosis verhoogd naar 10 microgram tweemaal daags. De patiënten in de groep die met exenatide met onmiddellijke vrijgifte werd behandeld met een HbA1c ≤8,0% aan het eind van de BIO-fase verminderden hun dosis insuline glargine met ten minste 10%.

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte verminderde het HbA1c met 1,1% vanaf een uitgangswaarde van 8,3% en insuline lispro verminderde de HbA1c met 1,1% vanaf een uitgangswaarde van 8,2% en de non-inferioriteit van exenatide met onmiddellijke vrijgifte aan getitreerde lispro werd aangetoond. Het aandeel patiënten dat een HbA1c <7% bereikte was 47,9% met exenatide met onmiddellijke vrijgifte en 42,8% met insuline lispro. Er werd een gewichtsverlies waargenomen van 2,6 kg vanaf een uitgangswaarde van 89,9 kg met exenatide met onmiddellijke vrijgifte, terwijl er een gewichtstoename werd waargenomen van 1,9 kg vanaf een uitgangswaarde van 89,3 kg met insuline lispro.

Nuchtere lipiden

Exenatide met onmiddellijke vrijgifte heeft geen nadelige effecten op lipidenparameters laten zien. Een trend van een afname van de triglyceriden is waargenomen bij gewichtsverlies.

Bètacelfunctie

Klinische onderzoeken met exenatide met onmiddellijke vrijgifte duidden op een verbeterde bèta- celfunctie aan de hand van maten als de beoordeling met het homeostasemodel van de bèta-celfunctie (homeostasis model assessment for beta-cell function, HOMA-B) en de pro-insuline/insulineratio. Een farmacodynamisch onderzoek bij patiënten met type 2 diabetes (n=13) liet een herstel zien van eerste fase insuline secretie en verbeterde tweede fase insuline secretie als respons op een intraveneuze bolus van glucose.

Lichaamsgewicht

Een afname in het lichaamsgewicht werd geconstateerd bij patiënten behandeld met exenatide met onmiddellijke vrijgifte onafhankelijk van het optreden van misselijkheid hoewel de afname groter was in de groep met misselijkheid (gemiddelde afname 2,4 kg versus 1,7 kg) in de lange termijn gecontroleerde onderzoeken t/m 52 weken.

Toediening van exenatide heeft aangetoond de voedselinname te verlagen als gevolg van verminderde eetlust en verhoogde verzadiging.

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met exenatide met onmiddellijke vrijgifte in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten met diabetes mellitus type 2 (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Absorptie

Na subcutane toediening aan patiënten met type 2 diabetes bereikt exenatide mediane piekplasmaconcentraties in 2 uur. De gemiddelde piekconcentratie van exenatide (Cmax) bedroeg

211 pg/ml en de algehele gemiddelde oppervlakte onder de curve (AUC0-oneindig) bedroeg

1036 pg •h/ml na subcutane toediening van een 10 mcg dosis exenatide. Blootstelling aan exenatide nam proportioneel toe binnen het therapeutische dosisbereik van 5 mcg tot 10 mcg. Een vergelijkbare blootstelling wordt bereikt met subcutane toediening van exenatide in de buik, dij of arm.

Distributie

Het gemiddelde verdelingsvolume van exenatide na subcutane toediening van een enkelvoudige dosis exenatide bedraagt 28 l.

Biotransformatie en eliminatie

Uit niet-klinische onderzoeken is gebleken dat exenatide hoofdzakelijk wordt geëlimineerd door glomerulaire filtratie met daaropvolgende proteolytische afbraak. In klinische onderzoeken bedroeg de gemiddelde klaring van exenatide 9 l/uur en de gemiddelde terminale halfwaardetijd bedraagt 2,4 uur. Deze farmacokinetische kenmerken van exenatide zijn onafhankelijk van de dosis.

Speciale populaties

Nierinsufficiëntie

Bij patiënten met lichte (creatinineklaring 50 tot 80 ml/min) of matige nierinsufficiëntie (creatinineklaring 30 tot 50 ml/min) was de klaring van exenatide licht verminderd in vergelijking met de klaring bij personen met een normale nierfunctie (afname met 13% bij lichte en met 36% bij matige nierinsufficiëntie). De klaring was significant verminderd met 84% bij patiënten met terminale nierziekte die werden gedialyseerd (zie rubriek 4.2).

Leverinsufficiëntie

Er is geen farmacokinetisch onderzoek uitgevoerd bij patiënten met leverinsufficiëntie. Exenatide wordt voornamelijk geklaard door de nier; daarom heeft leverfunctiestoornis waarschijnlijk geen invloed op de exenatideconcentraties in het bloed.

Geslacht en ras

Geslacht en ras hebben geen klinisch relevante invloed op de farmacokinetiek van exenatide.

Ouderen

Gecontroleerde gegevens over de langetermijn bij ouderen zijn beperkt, maar duiden niet op opvallende veranderingen in blootstelling aan exenatide bij een hogere leeftijd tot ongeveer 75 jaar. In een farmacokinetische studie bij patiënten met type 2 diabetes, resulteerde de toediening van exenatide (10 mcg) bij 15 oudere individuen van 75 tot 85 jaar in een gemiddelde toename van de AUC van exenatide met 36% vergeleken met 15 individuen van 45 tot 65 jaar, waarschijnlijk gerelateerd aan een verminderde nierfunctie in de ouderengroep (zie rubriek 4.2).

Pediatrische patiënten

In een farmacokinetische studie met enkelvoudige dosering bij 13 patiënten met type 2 diabetes tussen de 12 en 16 jaar, resulteerde de toediening van exenatide (5 mcg) in een iets lagere gemiddelde AUC (16% lager) en Cmax (25% lager) ten opzichte van de waarden bij volwassen patiënten.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventionele onderzoeken op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering of genotoxiciteit.

Bij vrouwtjesratten die 2 jaar exenatide kregen, werd een verhoogde incidentie van goedaardige C- celadenoma’s in de schildklier waargenomen bij de hoogste dosis, 250 mcg/kg/dag, een dosis die een plasmablootstelling aan exenatide opleverde die 130 maal de klinische blootstelling bij de mens is. Deze incidentie was niet statistisch significant bij aanpassing voor overleving. Er was geen tumorigene respons bij mannetjesratten of bij muizen van beide geslachten.

Onderzoeken bij dieren duidden niet op directe schadelijke effecten ten aanzien van vruchtbaarheid of zwangerschap. Hoge doses exenatide in de periode halverwege de zwangerschapsduur hadden effect op het skelet en verminderden de foetusgroei bij muizen en bij konijnen. De neonatale groei bleef achter bij muizen die aan hoge doses waren blootgesteld aan het eind van de zwangerschapsduur en tijdens de lactatieperiode.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

metacresol mannitol ijsazijnzuur

natriumacetaattrihydraat water voor injecties

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3Houdbaarheid

3 jaar

Pen in gebruik: 30 dagen

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2 °C – 8 °C)

Niet in de vriezer bewaren.

Bij gebruik

Bewaren beneden 25°C.

De pen mag niet worden bewaard met de naald erop bevestigd.

Plaats de dop terug op de pen om te beschermen tegen licht.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Een type-I glazen patroon met een (broombutyl) rubber zuiger, rubber schijf en aluminium verzegeling. Elke patroon is gemonteerd in een wegwerp pen-injector (pen).

5 mcg: Elke voorgevulde pen bevat 60 doses (circa 1,2 ml oplossing). 10 mcg: Elke voorgevulde pen bevat 60 doses (circa 2,4 ml oplossing).

Verpakkingsgrootten van 1 en 3 pennen. Het kan voorkomen dat niet alle genoemde verpakkingsgrootten in de handel worden gebracht.

Injectienaalden zijn niet bijgesloten.

Naalden van Becton, Dickinson and Company zijn geschikt voor gebruik met de Byetta-pen.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies.

De patiënt moet instructie krijgen om na elke injectie de naald weg te gooien.

Alles van het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd in overeenstemming met lokale voorschriften.

Instructies voor gebruik

Byetta dient door één enkel persoon gebruikt te worden. De instructies voor gebruik van de pen, ingesloten bij de bijsluiter, dienen zorgvuldig gevolgd te worden. De pen dient bewaard te worden zonder bevestigde naald.

Byetta dient niet gebruikt te worden indien er deeltjes zichtbaar zijn of indien de oplossing troebel en/of gekleurd is.

Gebruik geen Byetta dat bevroren is geweest.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

AstraZeneca AB

SE-151 85 Södertälje

Zweden

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/06/362/001–4

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 20 november 2006

Datum van laatste verlenging: 20 november 2011

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld