Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Extavia (interferon beta-1b) – Samenvatting van de productkenmerken - L03AB08

Updated on site: 06-Oct-2017

Naam van geneesmiddelExtavia
ATC codeL03AB08
Werkzame stofinterferon beta-1b
ProducentNovartis Europharm Ltd

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Extavia 250 microgram/ml, poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie.

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Extavia bevat 300 microgram (9,6 miljoen IE) recombinant interferon bèta-1b per flacon*.

Na reconstitutie bevat elke ml 250 microgram (8,0 miljoen IE) recombinant interferon bèta-1b. * geproduceerd door genetische manipulatie van Escherichia coli.stam.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie.

Poeder - wit tot gebroken wit van kleur.

Oplosmiddel - heldere/kleurloze oplossing.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Extavia is geïndiceerd voor de behandeling van:

Patiënten met een eenmalig demyeliniserend voorval met een actief ontstekingsproces dat ernstig genoeg is om behandeling met intraveneuze corticosteroïden te verantwoorden als alternatieve diagnose is uitgesloten, en als is vastgesteld dat deze patiënten een hoog risico hebben om klinisch definitieve multipele sclerose te ontwikkelen (zie rubriek 5.1).

Patiënten met relapsing remitting multipele sclerose en twee of meer recidieven gedurende de laatste twee jaar.

Patiënten met secundair progressieve multipele sclerose bij wie de ziekte aantoonbaar actief is, dat wil zeggen recidiveert.

4.2Dosering en wijze van toediening

De behandeling met Extavia dient te worden geïnitieerd onder toezicht van een arts die met de behandeling van de ziekte vertrouwd is.

Dosering

Volwassenen en adolescenten van 12-17 jaar

De aanbevolen dosis Extavia bedraagt 250 microgram (8,0 miljoen IE), die in 1 ml van de gereconstitueerde oplossing zit (zie rubriek 6.6), en die om de dag subcutaan moet worden ingespoten.

In het algemeen wordt bij aanvang van de behandeling dosistitratie aanbevolen.

Gestart dient te worden met 62,5 microgram (0,25 ml) subcutaan om de dag, langzaam verhoogd naar een dosis van 250 microgram (1,0 ml) om de dag (zie Tabel A). De titratieperiode kan worden aangepast indien een significante ongewenste reactie optreedt. Voor een adequate werkzaamheid, dient een dosis van 250 microgram (1,0 ml) om de dag te worden bereikt.

Tabel A: Schema voor dosistitratie*

Behandeldag

Dosis

Volume

 

 

 

 

 

1, 3, 5

62,5

microgram

0,25

ml

7, 9, 11

microgram

0,5

ml

13, 15, 17

187,5

microgram

0,75

ml

≥ 19

microgram

1,0

ml

* De titratieperiode kan worden aangepast als een significante ongewenste reactie optreedt.

De optimale dosis is nog niet volledig opgehelderd.

Momenteel is het niet bekend hoe lang de patiënt behandeld moet worden. Uit gecontroleerd klinisch onderzoek zijn over maximaal 5 jaar follow-up-gegevens afkomstig over patiënten met relapsing- remitting multipele sclerose en over maximaal 3 jaar over patiënten met secundair progressieve multipele sclerose. Voor relapsing-remitting multipele sclerose, is effectiviteit voor de eerste twee jaar aangetoond. De beschikbare gegevens voor de extra 3 jaar wijzen op een aanhoudende werkzaamheid van de behandeling met Extavia gedurende de gehele periode.

Voor patiënten met een eenmalig klinisch voorval wijzend op multipele sclerose, is de werkzaamheid van een behandeling gedurende een periode van drie jaar aangetoond.

De behandeling wordt niet aanbevolen bij patiënten met relapsing-remitting multipele sclerose bij wie zich in de voorafgaande 2 jaar minder dan 2 recidieven hebben voorgedaan of bij patiënten met secundair progressieve multipele sclerose bij wie de ziekte in de voorgaande 2 jaar niet actief geweest is.

Indien de patiënt niet reageert, bv. als er gedurende 6 maanden een constante progressie op de

‘Expanded Disability Status Scale’ (EDSS) optreedt, of behandeling met ten minste

3 adrenocorticotroop hormoon (ACTH)- of corticosteroïdkuren gedurende een periode van één jaar noodzakelijk is ondanks de Extavia-therapie, dient de behandeling met Extavia te worden gestaakt.

Pediatrische patiënten

Er zijn geen formele klinische studies of farmacokinetische studies uitgevoerd bij kinderen of adolescenten. Beperkte gepubliceerde gegevens suggereren echter dat het veiligheidsprofiel bij adolescenten tussen 12 en 17 jaar die om de dag subcutaan Extavia 8,0 miljoen IE kregen toegediend, lijkt op het profiel dat bij volwassenen is waargenomen. Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gebruik van Extavia bij kinderen jonger dan 12 jaar en Extavia dient daarom bij deze populatie niet te worden gebruikt.

Wijze van toediening

De gereconstitueerde oplossing dient om de dag subcutaan te worden geïnjecteerd.

Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor een natuurlijk of recombinant interferon bèta, humane albumine of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).

Beginnen met behandeling tijdens zwangerschap (zie rubriek 4.6).

Patiënten met een ernstige depressie en/of zelfmoordgedachten (zie rubrieken 4.4 en 4.8).

Patiënten met gedecompenseerde leverziekte (zie rubrieken 4.4, 4.5 en 4.8).

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Immuunsysteemaandoeningen

De toediening van cytokinen aan patiënten met een reeds bestaande monoklonale gammopathie is in verband gebracht met de ontwikkeling van systemisch capillaire-lek-syndroom met shock-achtige symptomen en fatale afloop.

Maagdarmstelselaandoeningen

Gevallen van pancreatitis werden waargenomen bij gebruik van Extavia, vaak gepaard gaand met hypertriglyceridemie.

Zenuwstelselaandoeningen

Extavia dient met voorzichtigheid te worden toegepast bij patiënten met vroegere of actuele depressieve stoornissen en in het bijzonder bij patiënten met zelfmoordgedachten (zie rubriek 4.3). Het is bekend dat depressie en zelfmoordgedachten in toenemende mate voorkomen bij de multipele sclerose populatie en in associatie met interferon gebruik. Patiënten die met Extavia worden behandeld dienen te worden aangeraden elk symptoom van depressie en/of zelfmoordgedachten onmiddellijk aan de voorschrijvende arts te melden. Patiënten die een depressie vertonen, moeten nauwgezet worden gecontroleerd tijdens de behandeling met Extavia en dienen passend te worden behandeld. Staken van de behandeling met Extavia dient te worden overwogen (zie ook rubrieken 4.3 en 4.8).

Extavia dient met voorzichtigheid te worden toegepast bij patiënten met een voorgeschiedenis van epilepsie, bij patiënten die behandeld worden met anti-epileptica, en in het bijzonder bij patiënten met epilepsie die niet voldoende onder controle is met anti-epileptica (zie rubrieken 4.5 en 4.8).

Dit geneesmiddel bevat humaan albumine en daarom brengt het een mogelijk risico van overdracht van virusziekten met zich mee. Een risico van het overbrengen van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob kan niet worden uitgesloten.

Laboratoriumonderzoek

Het verdient aanbeveling bij patiënten met een voorgeschiedenis van schildklierdisfunctie regelmatig of wanneer klinisch geïndiceerd schildklierfunctietests te verrichten.

Behalve de onderzoeken die normaalgesproken nodig zijn voor de controle van patiënten met multipele sclerose, worden ook voorafgaand aan het starten met de behandeling en met een regelmatige interval na starten met de behandeling met Extavia, en daarna periodiek bij het ontbreken van klinische symptomen de volgende onderzoeken aanbevolen: volledig bloedbeeld en differentiële witte bloedceltellingen, trombocytentelling en bloedchemie, inclusief leverfunctie (bv. aspartaataminotransferase serumglutamaatoxaalacetaattransaminase (SGOT), alanineaminotransferase serumglutamaatpyruvaattransaminase (SGPT) en gammaglutamyltransferase).

Voor patiënten met anemie, trombocytopenie of leukopenie (alleen of in enige combinatie) kan een intensievere controle van het volledige bloedbeeld, met differentiële en trombocytentellingen noodzakelijk zijn. Patiënten die neutropenie ontwikkelen, moeten zorgvuldig worden bewaakt op het ontwikkelen van koorts of een infectie. Er zijn meldingen geweest van trombocytopenie, met sluipende dalingen van het aantal trombocyten.

Lever- en galaandoeningen

Asymptomatische verhogingen van serumtransaminases, in de meeste gevallen licht van aard en van korte duur, kwamen zeer vaak voor bij patiënten die tijdens klinisch onderzoek met Extavia werden behandeld. Net als bij andere bèta interferonen zijn gevallen van ernstige leverbeschadiging, waaronder leverfalen, gemeld bij patiënten die met Extavia worden behandeld. De ernstigste gevallen kwamen dikwijls voor bij patiënten die aan andere geneesmiddelen of stoffen waren blootgesteld waarvan bekend is dat ze in verband worden gebracht met hepatotoxiciteit of in aanwezigheid van comorbide, medische aandoeningen (bijvoorbeeld een metastaserende, maligne ziekte, ernstige infectie en sepsis, alcoholmisbruik).

De patiënt moet worden geobserveerd op tekenen van leverbeschadiging. Het optreden van verhogingen van serumtransaminases zou moeten leiden tot nauwkeurige begeleiding en onderzoek. Staken van de therapie met Extavia moet worden overwogen indien de waarden significant stijgen of met klinische symptomen zoals geelzucht in verband zijn gebracht. Indien er geen klinische aanwijzingen zijn dat de lever beschadigd is en als de leverenzymen genormaliseerd zijn, kan overwogen worden opnieuw met de behandeling te beginnen. De leverfuncties dienen in dit geval regelmatig te worden gecontroleerd.

Trombotische microangiopathie (TMA)

Bij gebruik van interferon bèta-producten zijn gevallen van TMA, gemanifesteerd als trombotische trombocytopenische purpura (TTP) of hemolytisch uremisch syndroom (HUS) gemeld, waaronder fatale gevallen. Voorvallen werden gemeld op verschillende momenten tijdens de behandeling en kunnen optreden na verscheidene weken tot jaren na aanvang van de behandeling met interferon bèta. Vroege klinische kenmerken zijn trombocytopenie, nieuw ontstane hypertensie, koorts, symptomen van het centrale zenuwstelsel (bijv. verwardheid, parese) en nierinsufficiëntie. Laboratoriumbevindingen die wijzen op TMA zijn verlaagde trombocytentelling, verhoogde serumlactaatdehydrogenase (LDH) als gevolg van hemolyse en schistocyten (erytrocytfragmentatie) op een bloedfilm. Daarom worden, als klinische kenmerken van TMA worden waargenomen, verdere tests van de bloedplaatjesniveaus, serum LDH, bloedfilms en nierfunctie aanbevolen. Als TMA wordt gediagnosticeerd, is een snelle behandeling (met plasmawisseling) vereist en wordt onmiddellijk staken van Extavia aanbevolen.

Nier- en urinewegaandoeningen

Voorzichtigheid is geboden en zorgvuldige controle moet worden overwogen bij het toedienen van interferon bèta aan patiënten met ernstige nierinsufficiëntie.

Nefrotisch syndroom

Gevallen van nefrotisch syndroom met verschillende onderliggende nefropathieën waaronder collaberende focale segmentale glomerulosclerose (FSGS), minimal change disease (MCD), membranoproliferatieve glomerulonefritis (MPGN) en membraneuze glomerulopathie (MGN) zijn gemeld tijdens de behandeling met interferon bèta producten. Gevallen werden op verschillende momenten tijdens de behandeling gemeld en kunnen zich na verscheidene jaren van behandeling met interferon bèta voordoen. Periodieke controle van vroege verschijnselen of klachten, bijv. oedeem, proteïnurie en verminderde nierfunctie, wordt aanbevolen, met name bij patiënten met een hoger risico op nierziekte. Directe behandeling van nefrotisch syndroom is vereist en het stopzetten van de behandeling met Extavia moet worden overwogen.

Hartaandoeningen

Extavia dient eveneens voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten met een reeds bestaande hartaandoening. Patiënten met reeds bestaande ernstige hartziekten, zoals decompensatio cordis, coronairlijden of aritmie, moeten zorgvuldig worden gecontroleerd op verslechtering van hun hartaandoening, met name tijdens het starten van de behandeling met Extavia.

Hoewel Extavia geen bekende direct-werkende cardiale toxiciteit heeft, kunnen symptomen van het griepachtig syndroom die samenhangen met bèta-interferonen voor patiënten met een reeds bestaande ernstige hartziekte belastend zijn. Tijdens de post-marketing periode zijn zeer zelden meldingen ontvangen van een tijdelijke verslechtering van de cardiale toestand aan het begin van de behandeling met Extavia bij patiënten met een reeds bestaande ernstige hartziekte.

Gevallen van cardiomyopathie zijn gerapporteerd. Als dit optreedt en er een relatie met Extavia wordt vermoed, moet de behandeling worden gestaakt.

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Er kunnen ernstige overgevoeligheidsreacties (ernstige acute bijwerkingen zoals bronchospasme, anafylaxie en urticaria) optreden. Als de bijwerkingen ernstig zijn, moet de behandeling met Extavia worden gestaakt en moet de juiste medische interventie plaatsvinden.

Bij patiënten die Extavia gebruiken, is ook necrose op de injectieplaats gemeld (zie rubriek 4.8). Deze kan omvangrijk zijn, en zowel de spierfascie als het vetweefsel kunnen erbij betrokken zijn en daarom kan dit littekenvorming tot gevolg hebben. Débridement en, minder vaak, huidtransplantatie kunnen in zeldzame gevallen noodzakelijk zijn en de genezing kan tot 6 maanden duren.

Als de patiënt een huidbeschadiging opmerkt, die kan samenhangen met zwelling of afvoer van vocht van de injectieplaats, moet de patiënt het advies krijgen zijn/haar arts te raadplegen voordat de injecties met Extavia worden gecontinueerd.

Als de patiënt meerdere laesies heeft, moet er worden gestopt met Extavia worden gestaakt totdat genezing is opgetreden. Patiënten met een enkele laesie kunnen doorgaan met het gebruik van Extavia mits de necrose niet te uitgebreid is, omdat bij sommige patiënten tijdens het gebruik van Extavia genezing van de necrose op de injectieplaats is opgetreden.

Om het risico van necrose op de injectieplaats te minimaliseren moet patiënten worden geadviseerd:

een aseptische injectietechniek te gebruiken

de injectieplaatsen bij elke dosis af te wisselen

De incidentie van injectieplaatsreacties kan verlaagd worden door het gebruik van een auto-injector. In het kernonderzoek van patiënten met een eenmalig klinisch voorval wijzend op multipele sclerose werd bij de meeste patiënten een auto-injector gebruikt. Er werden in dit onderzoek minder vaak injectieplaatsreacties en necrose waargenomen dan in de andere kernonderzoeken.

De procedure voor het zelf toedienen door de patiënt moet periodiek worden beoordeeld, met name als er reacties op de injectieplaats zijn opgetreden.

Immunogeniciteit

Net als bij alle therapeutische eiwitten bestaat het gevaar van immunogeniciteit. In gecontroleerd klinisch onderzoek werden elke 3 maanden serummonsters verzameld voor het controleren op de ontwikkeling van antilichamen tegen Extavia.

In de verschillende gecontroleerde klinische onderzoeken ontwikkelde zich in het serum van tussen 23% en 41% van de patiënten een voor interferon bèta-1b neutraliserende activiteit, bevestigd door op zijn minst twee opeenvolgende positieve titers. Bij tussen 43% en 55% van deze patiënten veranderde dit in een stabiele antilichaam-negatieve toestand (op basis van twee opeenvolgende negatieve titers) in de aansluitende observatieperiode van het betreffende onderzoek.

Het ontstaan van neutraliserende activiteit is geassocieerd met een vermindering van de klinische werkzaamheid uitsluitend met betrekking tot de recidiefactiviteit. Sommige analyses duiden er op dat dit effect bij patiënten met hoge titers neutraliserende activiteit duidelijker aanwezig zou kunnen zijn.

In het onderzoek bij patiënten met een eenmalig klinisch voorval wijzend op multipele sclerose werd neutraliserende activiteit, om de 6 maanden gemeten, ten minste eenmaal waargenomen bij 32% (89) patiënten direct behandeld met Extavia. 60% (53) van deze patiënten keerde terug naar de negatieve status gebaseerd op de laatste beschikbare evaluatie binnen de periode van 5 jaar. Binnen deze onderzoeksperiode werd de ontwikkeling van neutraliserende activiteit gerelateerd aan een significante toename van nieuwe, actieve laesies en T2-laesievolume bij magnetic resonance imaging. Echter, dit leek niet geassocieerd te zijn met een vermindering in klinische werkzaamheid (wat betreft tijd tot klinisch definitieve multipele sclerose (CDMS), tijd tot bevestigde EDSS progressie en het aantal recidieven).

Er zijn geen nieuwe ongewenste voorvallen in verband gebracht met de ontwikkeling van de neutraliserende activiteit.

Er is in vitro aangetoond dat er een kruisreactie optreedt tussen Extavia en natuurlijk interferon bèta. Er is echter geen in vivo onderzoek gedaan en de klinische relevantie is niet duidelijk.

Er is weinig bekend over patiënten die een neutraliserende activiteit hebben ontwikkeld en de Extavia- behandeling hebben afgemaakt.

De beslissing om de behandeling voort te zetten of te staken moet gebaseerd zijn op de klinische activiteit van de ziekte in plaats van op de status van de neutraliserende activiteit.

Hulpstoffen

Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per ml, d.w.z. in wezen ‘natriumvrij’.

Personen met een overgevoeligheid voor latex

Het verwijderbare beschermkapje van de voorgevulde injectiespuit van Extavia bevat een derivaat van natuurlijk latexrubber. Hoewel er geen natuurlijk latexrubber in het beschermkapje is aangetroffen, is het veilige gebruik van de voorgevulde injectiespuit van Extavia niet onderzocht bij personen met een overgevoeligheid voor latex en er is daarom een mogelijk risico op overgevoeligheidsreacties dat niet volledig uitgesloten kan worden.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er is geen onderzoek naar interacties uitgevoerd.

Het effect van het om de dag toedienen van 250 microgram (8,0 miljoen IE) Extavia op het geneesmiddelenmetabolisme van patiënten met multipele sclerose is onbekend. Corticosteroïd- of ACTH-behandeling van recidieven gedurende een periode tot 28 dagen, werd goed verdragen door patiënten die Extavia kregen toegediend.

Vanwege het gebrek aan klinische ervaring bij patiënten met multipele sclerose wordt het gebruik van Extavia samen met andere immunomodulatoren dan corticosteroïden of ACTH niet aangeraden.

Er is gerapporteerd dat interferonen de activiteit van levercytochroom P450-afhankelijke enzymen verminderen bij mens en dier. Voorzichtigheid dient te worden betracht wanneer Extavia wordt toegediend in combinatie met geneesmiddelen die een smalle therapeutische breedte hebben en die grotendeels van het levercytochroom P450-systeem afhankelijk zijn voor hun klaring, b.v. anti- epileptica. Bij comedicatie die een effect heeft op het hematopoëtisch systeem, dient men extra voorzichtigheid te betrachten.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Vrouwen die zwanger kunnen worden

Vrouwen die zwanger kunnen worden moeten effectieve anticonceptie gebruiken.

Zwangerschap

Er is beperkte informatie over het gebruik van Extavia tijdens de zwangerschap. Beschikbare gegevens duiden op een mogelijk verhoogd risico op het krijgen van een miskraam. Starten van een behandeling is gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap (zie rubriek 4.3). Indien een patiënte zwanger wordt of zwanger wenst te worden tijdens de behandeling met Extavia, dan dient zij ingelicht te worden over de mogelijke risico's en dient beëindiging van de behandeling overwogen te worden (zie rubriek 5.3). Bij patiënten die voor de start van de behandeling veel terugvallen hadden, moet het risico op een ernstige terugval na het stoppen met Extavia bij een zwangerschap afgewogen worden tegen het mogelijk verhoogde risico van een miskraam.

Borstvoeding

Het is niet bekend of interferon bèta-1b in de moedermelk wordt uitgescheiden. Gezien de mogelijkheid van ernstige bijwerkingen bij zuigelingen, moet er een beslissing worden genomen om of het geven van borstvoeding, of de behandeling met Extavia te staken.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen onderzoeken naar fertiliteit uitgevoerd (zie rubriek 5.3).

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Er is geen onderzoek verricht met betrekking tot de effecten op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.

Bijwerkingen gerelateerd aan het centraal zenuwstelsel die in verband gebracht worden met het gebruik van Extavia kunnen de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen bij daarvoor gevoelige patiënten beïnvloeden.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Bij aanvang van de behandeling zijn bijwerkingen gebruikelijk maar in het algemeen nemen ze af bij verdere behandeling. De meest frequent waargenomen bijwerkingen zijn een griepachtig symptoomcomplex (koorts, rillingen, gewrichtspijn, malaise, transpireren, hoofdpijn of spierpijn), wat voornamelijk het gevolg is van de farmacologische werking van het geneesmiddel en reacties op de injectieplaats. Reacties op de injectieplaats traden frequent op na toediening van Extavia. Roodheid, zwelling, verkleuring, ontsteking, pijn, overgevoeligheid, necrose en niet-specifieke bijwerkingen werden significant in verband gebracht met behandeling met 250 microgram (8,0 miljoen IE) Extavia.

In het algemeen wordt in het begin van de behandeling dosistitratie geadviseerd om de tolerantie voor Extavia te verhogen (zie rubriek 4.2). Griepachtige symptomen kunnen ook worden verminderd door de toediening van niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen. Het optreden van injectieplaatsreacties kan beperkt worden door gebruik van een auto-injector.

Lijst van bijwerkingen in tabelvorm

In de volgende tabellen is de meest toepasselijke MedDRA-term gebruikt om een bepaalde reactie en zijn synoniemen en verwante aandoeningen te beschrijven.

De volgende lijsten met bijwerkingen zijn gebaseerd op meldingen uit klinische studies (Tabel 1, bijwerkingen en laboratoriumafwijkingen) en uit post-marketing surveillance (Tabel 2, frequenties - waar bekend - gebaseerd op gepoolde klinische studies (zeer vaak 1/10, vaak 1/100, <1/10, soms1/1.000, <1/100, zelden 1/10.000, <1/1.000, zeer zelden <1/10.000)) van het gebruik van Extavia. De ervaring met Extavia bij patiënten met multipele sclerose is beperkt en als gevolg daarvan is het mogelijk dat bijwerkingen met een lage incidentie nog niet zijn waargenomen.

Tabel 1 Bijwerkingen en laboratoriumafwijkingen met incidentiecijfers ≥ 10% en de bijbehorende percentages van placebo; significant gerelateerde bijwerkingen < 10% gebaseerd op meldingen van klinische studies

Systeem/orgaanklassen

Eenmalig

Secundair

Secundair

Relapsing-

 

voorval

progressieve

progressieve

remitting

Bijwerkingen

wijzend op

multipele

multipele

multipele

en

multipele

sclerose

sclerose

sclerose

Laboratoriumafwij-

sclerose

(Europese

(Noord-

 

 

kingen

(BENEFIT)

studie)

Amerikaanse

 

 

 

 

 

 

 

studie)

 

 

 

Extavia

Extavia

Extavia

Extavia

 

250 microgram

250 microgram

250 microgram

250 microgram

 

(placebo)

(Placebo)

(Placebo)

(Placebo)

 

n=292 (n=176)

n=360 (n=358)

n=317(n=308)

n=124 (n=123)

 

 

 

 

 

 

 

 

Infecties en parasitaire aandoeningen

 

 

 

 

 

 

Infectie

6%

(3%)

13%

(11%)

11%

(10%)

14%

(13%)

Abcessen

0%

(1%)

4%

(2%)

4%

(5%)

1%

(6%)

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

 

 

 

 

 

 

Lymfocytenaantal

79%

(45%)

53%

(28%)

88%

(68%)

82%

(67%)

daling

 

 

 

 

 

 

 

 

(<1500/mm3) °

 

 

 

 

 

 

 

 

Absolute

11% (2%)

18% (5%)

4% (10%)

18% (5%)

neutrofielenaantal daling

 

 

 

 

 

 

 

 

(<1500/mm3) * °

 

 

 

 

 

 

 

 

Witte bloedcellenaantal

 

 

 

 

 

 

 

 

daling

11% (2%)

13% (4%)

13% (4%)

16% (4%)

(<3000/mm³) * °

 

 

 

 

 

 

 

 

Lymfadenopathie

1%

(1%)

3%

(1%)

11% (5%)

14%

(11%)

Voedings- en stofwisselingsstoornissen

 

 

 

 

 

 

Bloedglucose daling

3%

(5%)

27%

(27%)

5%

(3%)

15%

(13%)

(< 55 mg/dl)

 

 

 

 

 

 

 

 

Psychische stoornissen

 

 

 

 

 

 

 

 

Depressie

10%

(11%)

24%

(31%)

44%

(41%)

25%

(24%)

 

 

 

 

 

 

 

Angst

3%

(5%)

6 % (5 %)

10%

(11%)

15% (13 %)

Zenuwstelselaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

Hoofdpijn

27%

(17%)

47%

(41%)

55%

(46%)

84% (77 %)

Duizeligheid

3%

(4%)

14%

(14%)

28%

(26%)

35% 28%)

Slapeloosheid

8%

(4%)

12% (8 %)

26%

(25%)

31%

(33%)

Migraine

2%

(2%)

4%

(3%)

5%

(4%)

12% (7%)

Paresthesie

16%

(17%)

35%

(39%)

40%

(43%)

19%

(21%)

Oogaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Conjunctivitis

1%(1%)

2% (3 %)

6%

(6%)

12%

(10%)

Visie afwijking

3%

(1%)

11%

(15%)

11%

(11%)

7%

(4%)

Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen

 

 

 

 

 

 

Oorpijn

0%

(1%)

<1% (1%)

6%

(8%)

16%

(15%)

Hartaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Palpitatie *

1%

(1%)

2%

(3%)

5%

(2%)

8%

(2%)

Bloedvataandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Vasodilatatie

0%

(0%)

6%

(4%)

13% (8%)

18%

(17%)

Hypertensie °

2%

(0%)

4%

(2%)

9%

(8%)

7%

(2%)

 

 

 

 

 

 

 

 

Ademhalingsstelsel-, borstkas-en mediastinumaandoeningen

Bovenste

 

18%

(19%)

 

3%

(2%)

 

-

 

-

luchtweginfectie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Sinusitis

 

4%

(6%)

 

6%

(6%)

16%

(18%)

36%

(26%)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toegenomen hoesten

 

2%

(2%)

 

5% (10%)

11%

(15%)

31%

(23%)

Dyspneu *

 

0%

(0%)

 

3%

(2%)

8%

(6%)

8%

(2%)

Maagdarmstelselaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Diarree

 

4%

(2%)

 

7% (10%)

21%

(19%)

35%

(29%)

Obstipatie

 

1%

(1%)

 

12%

(12%)

22%

(24%)

24%

(18%)

Misselijkheid

 

3%

(4%)

 

13%

(13%)

32%

(30%)

48%

(49%)

Braken

 

5%

(1%)

 

4%

(6%)

10%

(12%)

21%

(19%)

Buikpijn °

 

5%

(3%)

 

11% (6%)

18%

(16%)

32%

(24%)

Lever-en galaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alanine

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aminotransferase

 

18% (5%)

 

14% (5%)

4%

(2%)

19% (6%)

verhoogd (SGPT > 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

maal basislijn) * °

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aspartaat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

aminotransferase

 

6%

(1%)

 

4%

(1%)

2%

(1%)

4%

(0%)

stijging (SGOT > 5 maal

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

basislijn) * °

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huid- en onderhuidaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huidaandoening

 

1%

(0%)

 

4%

(4%)

19%

(17%)

6%

(8%)

Uitslag °

 

11% (3%)

 

20%

(12%)

26%

(20%)

27%

(32%)

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

 

 

 

 

 

Hypertonie °

 

2%

(1%)

 

41%

(31%)

57%

(57%)

26%(24%)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Myalgie * °

 

8%

(8%)

 

23% (9%)

19%

(29%)

44%

(28%)

Myasthenie

 

2%

(2%)

 

39%

(40%)

57%

(60%)

13%

(10%)

Rugpijn

 

10% (7%)

 

26%

(24%)

31%

(32%)

36%

(37%)

Pijn in extremiteit

 

6%

(3%)

 

14%

(12%)

 

-

0%

(0%)

Nier- en urinewegaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

Urineretentie

 

1%

(1%)

 

4%

(6%)

15%

(13%)

 

-

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Urine-eiwit positief

 

25%

(26%)

 

14%

(11%)

5%(5%)

5%

(3%)

(> 1+)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frequente urinelozing

 

1%

(1%)

 

6%

(5%)

12%

(11%)

3%

(5%)

Urine-incontinentie

 

1%

(1%)

 

8% (15%)

20%

(19%)

2%

(1%)

Aandrang

 

1%

(1%)

 

8%

(7%)

21%

(17%)

4%

(2%)

Voortplantingsstelsel- en borstaandoeningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dysmenorroe

 

2%

(0%)

 

<1% (<1%)

6%

(5%)

18%

(11%)

Menstruatiestoornissen

 

1%

(2%)

 

9% (13%)

10% (8%)

17% (8%)

*

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Metrorragie

 

2%

(0%)

 

12% (6%)

10%

(10%)

15% (8%)

Impotentie

 

1%

(0%)

 

7%

(4%)

10%

(11%)

2%

(1%)

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Reactie injectieplaats

52%

(11%)

78%

(20%)

89%

(37%)

85%

(37%)

(diverse typen) *° §

 

 

 

 

 

 

 

 

Necrose injectieplaats *

1%

(0%)

5%

(0%)

6%

(0%)

5%

(0%)

°

 

 

 

 

 

 

 

 

Griepachtige

44%

(18%)

61%

(40%)

43%

(33%)

52%

(48%)

symptomen

 

 

 

 

 

 

 

 

& * °

 

 

 

 

 

 

 

 

Koorts * °

13% (5%)

40%

(13%)

29%

(24%)

59%

(41%)

Pijn

4%

(4%)

31%

(25%)

59%

(59%)

52%

(48%)

Pijn op de borst °

1%

(0%)

5%

(4%)

15% (8%)

15%

(15%)

Perifeer oedeem

0%

(0%)

7%

(7%)

21%

(18%)

7%

(8%)

Asthenie *

22%

(17%)

63%

(58%)

64%

(58%)

49%

(35%)

Rillingen * °

5%

(1%)

23% (7%)

22%

(12%)

46%

(19%)

Transpireren *

2%

(1%)

6%

(6%)

10%

(10%)

23%

(11%)

Malaise *

0%

(1%)

8%

(5%)

6%

(2%)

15% (3%)

De meest toepasselijke MedDRA-term wordt gebruikt om een bepaalde reactie en zijn synoniemen en verwante aandoeningen te beschrijven.

Laboratoriumafwijking

Significant gerelateerd aan Extavia-behandeling voor patiënten met eerste voorval wijzen op MS, p<0,05

*

Significant gerelateerd aan Extavia-behandeling voor RRMS, p<0,05

°

Significant gerelateerd aan Extavia-behandeling voor SPMS, p<0,05

§

Injectieplaatsreactie (diverse typen) omvat alle bijwerkingen op en rond de injectieplaats,

 

namelijk: injectieplaatsbloeding, injectieplaats overgevoeligheid, injectieplaats ontsteking,

 

injectieplaats massa, injectieplaatsnecrose, injectieplaatspijn, injectieplaatsreactie,

 

injectieplaats oedeem, en injectieplaats atrofie.

&“Griepachtige symptomencomplex” is het griepsyndroom en/of een combinatie van ten minste twee bijwerkingen van koorts, rillingen, myalgie, malaise, transpiratie

Tabel 2 Bijwerkingen geïdentificeerd gedurende post-marketing surveillance (frequenties – waar bekend – gemeten op basis van gepoolde klinische studiegegevens n=1.093)

Systeem/orgaanklassen

Zeer vaak

Vaak

Soms

Zelden

Frequentie

 

( 1/10)

( 1/100, <1/10)

( 1/1.000,

( 1/10.000,

niet bekend

 

 

 

<1/100)

<1/1.000)

 

 

 

 

 

 

 

Bloed- en

 

Anemie

Trombo-

Trombotische

 

lymfestelselaandoeningen

 

 

cytopenie

microangiopathie

 

 

 

 

 

waaronder

 

 

 

 

 

trombotische

 

 

 

 

 

trombocytopenische

 

 

 

 

 

purpura/hemolytisc

 

 

 

 

 

h uremisch

 

 

 

 

 

syndroom#

 

Immuunsysteem-

 

 

 

Anafylactische

Capillair lek-

aandoeningen

 

 

 

reacties

sydroom bij

 

 

 

 

 

reeds

 

 

 

 

 

bestaande

 

 

 

 

 

monoklonale

 

 

 

 

 

gammopathie

 

 

 

 

 

*

Endocriene aandoeningen

 

Hypothyreoïdie

 

Hyperthyreoïdie,

 

 

 

 

 

Gestoorde

 

 

 

 

 

schildklierfunctie

 

 

 

 

 

 

Voedings- en

 

Gewichts-

Verhoogde

Anorexia*

 

stofwisselingsstoornissen

 

toename,

bloedtrigly-

 

 

 

 

Gewichtsafname

ceriden

 

 

 

 

 

 

 

 

Psychische stoornissen

 

Verwardheid

Zelfmoord-

 

 

 

 

 

poging (zie

 

 

 

 

 

ook rubriek

 

 

 

 

 

4.4),

 

 

 

 

 

Emotionele

 

 

 

 

 

labiliteit

 

 

 

 

 

 

 

 

Zenuwstelselaandoeningen

 

 

Convulsie

 

 

 

 

 

 

 

 

Hartaandoeningen

 

Tachycardie

 

Cardiomyopathie*

 

 

 

 

 

 

 

Ademhalingsstelsel-,

 

 

 

Bronchospasme*

Pulmonale

borstkas- en

 

 

 

 

arteriële

mediastinumaandoeningen

 

 

 

 

hypertensie**

 

 

 

 

 

 

Maagdarmstelsel-

 

 

 

Pancreatitis

 

aandoeningen

 

 

 

 

 

Lever- en galaandoeningen

 

Verhoogd

Verhoogd

Leverschade

 

 

 

bloedbilirubine

gammaglutam

(waaronder

 

 

 

 

yltransferase,

hepatitis),

 

 

 

 

Hepatitis

Leverfalen*

 

Huid- en

 

Urticaria,

Huidverkleuri

 

Door

onderhuidaandoeningen

 

Pruritus,

ng

 

geneesmiddel

 

 

Alopecia

 

 

geïnduceerde

 

 

 

 

 

lupus

 

 

 

 

 

erythematosus

Skeletspierstelsel- en

Artralgie

 

 

 

 

bindweefselaandoeningen

 

 

 

 

 

Nier- en

 

 

Nefrotisch

 

 

urinewegaandoeningen

 

 

syndroom,

 

 

 

 

 

glomeruloscle

 

 

 

 

 

rose (zie

 

 

 

 

 

rubriek 4.4)*, #

 

 

Voortplantingsstelsel- en

 

Menstruatie-

 

 

 

borstaandoeningen

 

stoornissen

 

 

 

* Bijwerkingen gemeld tijdens postmarketing

# Van toepassing op de gehele klasse van interferon bèta-producten (zie rubriek 4.4)

** Klasse-aanduiding voor interferonproducten, zie onder ‘Pulmonale arteriële hypertensie’

Pulmonale arteriële hypertensie

Met interferon bèta-bevattende producten zijn gevallen van pulmonale arteriële hypertensie (PAH) gemeld. De voorvallen werden op verscheidene tijdstippen gemeld, waaronder tot enkele jaren na aanvang van de behandeling met interferon bèta.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Interferon bèta-1b is toegediend bij volwassen kankerpatiënten in afzonderlijke doses tot wel

5500 microgram (176 miljoen IE) intraveneus, drie maal per week zonder ernstige bijwerkingen die de vitale functies zouden kunnen aantasten.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Immunostimulantia, interferonen, ATC-code: L03AB08

Interferonen behoren tot de familie der cytokinen; dit zijn natuurlijk voorkomende eiwitten. Interferonen hebben een molecuulgewicht variërend van 15.000 tot 21.000 Dalton. Men heeft drie hoofdklassen interferonen geïdentificeerd: alfa, bèta en gamma. Interferon alfa, interferon bèta en interferon gamma vertonen overlappende, doch van elkaar verschillende, biologische activiteiten. De activiteiten van interferon bèta-1b zijn soortgebonden, derhalve is de meest relevante farmacologische informatie verkregen uit studies van humane celkweken of humane in-vivo-studies.

Werkingsmechanisme

Van interferon bèta-1b is aangetoond dat het zowel antivirale als immunoregulatoire eigenschappen bezit. Het werkingsmechanisme van interferon bèta-1b bij multipele sclerose is niet geheel bekend. Het is echter bekend dat de biologische responsemodificerende eigenschappen van interferon bèta-1b worden gemedieerd door middel van de interacties met specifieke celreceptoren die aanwezig zijn op het humane celoppervlak. De binding van interferon bèta-1b aan deze receptoren induceert de expressie van een aantal genproducten, waarvan gedacht wordt dat ze de mediatoren zijn van de biologische activiteit van interferon bèta-1b. Een aantal van deze producten is aangetoond in serum en cellulaire fracties van bloed dat werd afgenomen bij patiënten die met interferon bèta-1b werden behandeld. Interferon bèta-1b vermindert de bindingsaffiniteit en bevordert de internalisatie en degradatie van de interferon-gamma-receptor. Interferon bèta-1b bevordert tevens de suppressoractiviteit van de perifere mononucleaire bloedcellen.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

Er is geen afzonderlijk onderzoek verricht naar de invloed van Extavia op het cardiovasculair systeem, het ademhalingsstelsel en de functie van endocriene organen.

Relapsing-remitting multipele sclerose (RR-MS)

Er werd één gecontroleerde klinische trial met Extavia uitgevoerd bij patiënten met relapsing-remitting multipele sclerose die zonder hulp konden lopen (EDSS-uitgangswaarde 0 tot 5,5). Bij de patiënten die Extavia kregen toegediend, namen de frequentie (30%), de ernst van de klinische recidieven en het aantal opnamen vanwege de ziekte af. Bovendien nam de duur van het recidiefvrije interval toe. Er is geen bewijs dat Extavia effect heeft op de duur van de recidieven of op de symptomen tussen de recidieven in en er is geen significant effect gezien op de ziekteprogressie bij relapsing-remitting multipele sclerose.

Secondary progressive multipele sclerose (SP-MS)

Er werden twee gecontroleerde klinische trials uitgevoerd met Extavia waarbij in totaal 1.657 patiënten met secundair progressieve multipele sclerose betrokken waren (EDSS-

uitgangswaarde 3 tot 6,5, dat wil zeggen dat de patiënten konden lopen). Matig zieke patiënten en patiënten die niet konden lopen werden niet in de studie opgenomen. De twee onderzoeken leverden inconsistente resultaten op voor de primaire eindpunttijd tot bevestigde progressie, dat een vertraging van de invaliditeitsprogressie weergeeft:

In een van de twee onderzoeken werd een statistisch significante verlenging van de tijd tot invaliditeitsprogressie aangetoond (hazard ratio = 0,69; 95% betrouwbaarheidsinterval (0,55; 0,86), p=0,0010, wat overeenkomt met een risicoreductie van 31% door Extavia) en van de tijd tot rolstoelafhankelijkheid (hazard ratio = 0,61; 95% betrouwbaarheidsinterval (044; 0,85), p=0,0036, wat overeenkomt met een risicoreductie van 39% door Extavia) bij patiënten die Extavia kregen toegediend. Dit effect bleef gedurende de observatieperiode van maximaal 33 maanden bestaan. Het behandeleffect trad op bij patiënten op alle onderzochte invaliditeitsniveaus en onafhankelijk van recidiefactiviteit.

In de tweede Extavia-trial naar secundair progressieve multipele sclerose werd geen verlenging van de tijd tot invaliditeitsprogressie waargenomen. Er is bewijs dat de totale ziekteactiviteit van de bij dit onderzoek betrokken patiënten lager was dan in het andere onderzoek naar secundair progressieve multipele sclerose.

In een retrospectieve meta-analyse van de gegevens van beide onderzoeken werd een statistisch significant totaal behandeleffect gevonden (p=0,0076; 8,0 miljoen IE Extavia versus alle placebopatiënten).

Uit retrospectieve analyses van subgroepen bleek dat bij patiënten met ziekteactiviteit voor aanvang van de behandeling de kans op een behandeleffect op de invaliditeitsprogressie het grootst is [hazard ratio 0,72; 95% betrouwbaarheidsinterval (0,59; 0,88), p=0,0011, wat overeenkomt met een risicoreductie van 28% door Extavia bij patiënten met recidieven of een uitgesproken EDSS- progressie, 8,0 miljoen IE Extavia versus alle placebopatiënten]. Uit deze retrospectieve subgroepanalyses kwamen gegevens naar voren die er op duiden dat zowel recidieven als uitgesproken EDSS-progressie (EDSS >1 punt of > 0,5 punt voor EDSS >=6 in de voorgaande twee jaar) gebruikt kunnen worden om patiënten met ziekteactiviteit te identificeren.

In beide trials was sprake van een reductie van de frequentie (30%) van klinische recidieven bij patiënten met secundair progressieve multipele sclerose die Extavia kregen toegediend. Er is geen bewijs dat Extavia effect heeft op de duur van de recidieven.

Eenmalig demyeliniserend voorval wijzend op multipele sclerose

Een gecontroleerde klinische trial met Extavia werd uitgevoerd bij patiënten met een eenmalig klinisch voorval en ‘Magnetic Resonance Imaging’ (MRI) kenmerken die wijzen op multipele sclerose

(ten minste twee klinisch stille laesies op de T2-gewogen MRI). Patiënten met monofocale of multifocale aanvang van de ziekte werden ingesloten (d.w.z. patiënten met klinisch bewijs voor respectievelijk een enkele of ten minste twee laesies van het centraal zenuwstelsel). Elke andere ziekte dan multipele sclerose die de tekenen en symptomen van de patiënt beter verklaarde moest worden uitgesloten. Deze studie bestond uit twee fases, een placebo-gecontroleerde fase gevolgd door een vooraf-geplande vervolgfase. De placebo-gecontroleerde fase duurde 2 jaar of totdat de patiënt klinisch definitieve multipele sclerose (CDMS) ontwikkelde, afhankelijk van wat het eerst optrad. Na de placebo-gecontroleerde fase, namen patiënten deel aan een vooraf-geplande vervolgfase met Extavia om de effecten van directe versus vertraagde aanvang van Extavia-behandeling te bepalen, waarbij patiënten werden vergeleken, die aanvankelijk gerandomiseerd waren naar Extavia (“directe behandelingsgroep”) of naar placebo (“vertraagde behandelingsgroep”). Patiënten en onderzoekers bleven geblindeerd voor de initiële behandelingstoewijzing.

In de placebo-gecontroleerde fase vertraagde Extavia de progressie van het eerste klinische voorval tot klinisch definitieve multipele sclerose (CDMS) op een statistisch significante en klinisch betekenisvolle wijze, overeenkomend met een risicoreductie van 47% (hazard ratio = 0,53, 95% betrouwbaarheidsinterval (0,39, 0,73, p< 0,0001). Binnen de onderzoeksperiode van twee jaar trad CDMS op bij 45% van de placebogroep, vergeleken met 28% van de Extavia-groep (Kaplan-Meier schattingen). Extavia verlengde de tijdsduur tot CDMS met 363 dagen, van 255 dagen in de placebogroep tot 618 dagen in de Extavia-groep (op basis van 25 percentielen). Het behandelingseffect was nog steeds duidelijk na het additionele vervolgjaar, bij welk stadium de risicoreductie 41% was (hazard ratio = 0,53, 95% betrouwbaarheidsinterval (0,42, 0,83), p=0,0011). Binnen de studieduur van drie jaar trad CDMS in 51% bij de vertraagde behandelingsgroep op in vergelijking met 37% bij de directe behandelingsgroep (Kaplan-Meier schattingen). Het behoud van het behandelingseffect werd waargenomen, ondanks dat de meerderheid van de patiënten uit de placebo-groep met Extavia werd behandeld in het derde jaar van de studie.

De robuustheid van het behandelingseffect werd ook aangetoond door de vertraging tot multipele sclerose volgens de McDonald criteria. In twee jaar was het risico 85% in de placebo-groep en 69% in de Extavia-groep (hazard ratio = 0,57, 95% betrouwbaarheidsinterval (0,46, 0,71), p< 0,00001).

Na 3 jaar toonde een vooraf-geplande interimanalyse dat EDSS progressie (bevestigde toename in

EDSS van groter dan of gelijk aan 1,0 vergeleken met basislijn) optrad bij 24% van de patiënten in de vertraagde behandelingsgroep in vergelijking met 16% in de directe behandelingsgroep [hazard ratio = 0,6, 95% betrouwbaarheidsinterval (0,39, 0,92), p=0,022]. Er is geen bewijs voor profijt in termen van bevestigde invaliditeitsprogressie in de meerderheid van patiënten, die “directe” behandeling ontvingen. Patiënten worden verder gevolgd om additionele gegevens te verkrijgen. Er werd geen voordeel in kwaliteit van leven (zoals gemeten door FAMS – Functional Assessment of MS: Treatment Outcomes Index) waargenomen, dat toe te schrijven was aan Extavia.

Subgroepanalyses toonden, volgens basislijnfactoren, substantieel bewijs voor werkzaamheid in alle beoordeelde subgroepen. Significante effecten werden ook verkregen bij patiënten met minder gedissemineerde en minder actieve ziekte ten tijde van het eerste voorval. Het risico op progressie naar CDMS binnen twee jaar was bij patiënten met een monofocale aanvang met placebo 47% en 24% met Extavia, zonder gadolinium (gd-) contrast 41% en 20%, met minder dan 9 T2 laesies 39% en 18%. Verdere subgroepanalyses indiceerde een hoog risico voor progressie naar CDMS binnen twee jaar bij monofocale patiënten met ten minste 9 T2 laesies (55% risico voor CDMS in placebo, 26% in Extavia) of Gd contrast (63% versus 33%). Bij multifocale patiënten was het risico voor CDMS onafhankelijk van MRI-bevindingen op de basislijn. Deze patiënten hebben een hoog risico voor CDMS, vanwege de disseminatie van de ziekte zoals gestaafd door klinische bevindingen. Echter, de impact van vroege behandeling met Extavia is zelfs in deze hoog risico subgroepen onbekend omdat dit onderzoek ontworpen werd ter beoordeling van de tijd tot CDMS en niet de langetermijnevolutie van de ziekte. Bovendien is er tot op heden geen heldere definitie van een hoog risico patiënt. In elk geval dient de behandeling uitsluitend te worden gegeven aan patiënten geclassificeerd als hoog risico.

Therapie met Extavia werd goed verdragen in het onderzoek van patiënten met een eenmalig klinisch voorval zoals de hoge voltooide onderzoeken aangeven (92,8% in de Extavia groep). Ter verhoging van de tolerantie van Extavia in het onderzoek van patiënten met een eerste klinisch voorval, werd dosistitratie toegepast en in het begin van het onderzoek werden niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen toegediend. Daarbij werd door het merendeel van de patiënten een auto-injector gebruikt.

RR-MS, SP-MS en op zichzelf staand klinisch voorval wijzend op MS

In alle onderzoeken naar multipele sclerose reduceerde Extavia effectief de ziekteactiviteit (acute ontstekingsverschijnselen in het centrale zenuwstelsel en permanente weefselveranderingen) zoals die met magnetic resonance imaging (MRI) werd gemeten. De relatie tussen de ziekteactiviteit van multipele sclerose zoals die met MRI wordt gemeten en het klinische resultaat is momenteel nog niet volledig duidelijk.

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Serumwaarden van Extavia werden gecontroleerd bij patiënten en vrijwilligers met behulp van een bio-assay die niet geheel specifiek was. Maximale serumwaarden van ongeveer 40 IE/ml werden gevonden, 1-8 uur na subcutane injectie van 500 microgram (16,0 miljoen IE) interferon bèta-1b. Uit verscheidene onderzoeken konden de gemiddelde klaring en de halfwaardetijd van de dispositiefasen in het serum worden geschat op, respectievelijk, ten hoogste 30 ml·min-1·kg-1 en 5 uur.

Toediening van Extavia-injecties om de dag heeft geen verhoging van de serumwaarden tot gevolg en de farmacokinetiek lijkt geen verandering te ondergaan tijdens de behandeling.

De absolute biologische beschikbaarheid van subcutaan toegediend interferon bèta-1b is ongeveer 50%.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Er zijn geen acute toxiciteitsstudies uitgevoerd. Aangezien knaagdieren niet reageren op humaan interferon bèta, werden studies met herhaalde toedieningen uitgevoerd bij resusapen. Men heeft een voorbijgaande hyperthermie waargenomen, evenals een significante toename van lymfocyten en een significante afname van trombocyten en gesegmenteerde neutrofielen. Er zijn geen langetermijn

toxiciteitsstudies uitgevoerd.

Er zijn geen lange-termijnstudies verricht. Voortplantingsstudies bij resusapen hebben een maternale toxiciteit en een toegenomen frequentie van spontane abortussen aan het licht gebracht, hetgeen resulteerde in prenatale mortaliteit. Er zijn geen misvormingen vastgesteld bij de overlevende dieren. Onderzoeken naar fertiliteit zijn niet uitgevoerd. Er is geen invloed waargenomen op de oestrogeencyclus van de aap. Ervaring met andere interferonen wijst op een potentieel risico van aantasting van de mannelijke en vrouwelijke fertiliteit.

In een enkelvoudige genotoxiciteitsstudie (Ames test) is geen mutageen effect waargenomen. Carcinogenetische studies zijn niet uitgevoerd. Een in vitro celtransformatietest gaf geen aanwijzing voor een tumorinducerend effect.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Poeder

Humaan albumine

Mannitol (E421)

Oplosmiddel

Natriumchloride

Water voor injectie

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met andere geneesmiddelen dan het bijgeleverde oplosmiddel welke vermeld is in rubriek 6.6.

6.3Houdbaarheid

2 jaar.

Het wordt aanbevolen om het product direct te gebruiken na reconstitutie. Echter, stabiliteit tijdens gebruik is gedurende 3 uur bij 2°C - 8°C aangetoond.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren beneden 25°C.

Niet in de vriezer bewaren.

Voor de bewaarcondities van het opgeloste geneesmiddel, zie rubriek 6.3.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Poeder

3 ml injectieflacon (doorzichtig type I glas) met een butylrubber stop (type I) en een aluminium verzegelingdie 300 microgram (9,6 miljoen IE) (recombinant interferon bèta-1b) poeder bevat.

Oplosmiddel

2,25 ml dosisgemarkeerde voorgevulde injectiespuit (type I glas) (met dosismarkeringen van: 0,25 ml, 0,5 ml, 0,75 ml, 1,0 ml) met 1,2 ml oplosmiddel.

Verpakkingsgrootten:

Verpakking met 5 injectieflacons met poeder en 5 voorgevulde spuiten met oplosmiddel

Verpakking met 14 injectieflacons met poeder en 14 voorgevulde spuiten met oplosmiddel

Verpakking met 15 injectieflacons met poeder en 15 voorgevulde spuiten met oplosmiddel

Verpakking met 14 injectieflacons met poeder en 15 voorgevulde spuiten met oplosmiddel

3 maanden multiverpakking met 42 (3x14) injectieflacons met poeder en 42 (3x14) voorgevulde spuiten met oplosmiddel

3 maanden multiverpakking met 45 (3x15) injectieflacons met poeder en 45 (3x15) voorgevulde spuiten met oplosmiddel

3 maanden multiverpakking met 42 (3x14) injectieflacons met poeder en 45 (3x15) voorgevulde spuiten met oplosmiddel

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Het beschermkapje van de voorgevulde injectiespuit bevat een derivaat van natuurlijk latexrubber. Daarom kan het beschermkapje natuurlijk latexrubber bevatten, wat niet door personen met een overgevoeligheid voor deze stof gehanteerd moet worden.

Reconstitutie

Om het poeder te reconstitueren, dient de voorgevulde spuit met oplosmiddel te worden gebruikt met een naald of flaconverbindingsstuk om de 1,2 ml oplosmiddel (natriumchloride 5,4 mg/ml (0,54%) oplossing voor injectie) te injecteren in de Extavia-injectieflacon. Het poeder dient volledig op te lossen zonder schudden. Na reconstitutie dient 1,0 ml van de oplossing uit de injectieflacon te worden opgezogen in de spuit voor de toediening van 250 microgram Extavia.

Controle vóór gebruik

Het gereconstitueerde product dient visueel gecontroleerd te worden alvorens te gebruiken. Het gereconstitueerde product is kleurloos tot licht geel en licht glanzend tot glanzend.

Het geneesmiddel is niet geschikt om gebruikt te worden als het deeltjes bevat of verkleurd is.

Verwijdering

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Novartis Europharm Limited

Frimley Business Park

Camberley GU16 7SR

Verenigd Koninkrijk

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/08/454/008-014

9.DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 20 mei 2008

Datum van laatste verlenging: 20 mei 2013

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld