Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Foclivia (influenza virus surface antigens, inactivated:...) – Samenvatting van de productkenmerken - J07BB02

Updated on site: 07-Oct-2017

Naam van geneesmiddelFoclivia
ATC codeJ07BB02
Werkzame stofinfluenza virus surface antigens, inactivated: A/Viet Nam/1194/2004 (H5N1)
ProducentSeqirus S.r.l.  

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Foclivia suspensie voor injectie in voorgevulde spuit

Pandemisch influenzavaccin (H5N1) (oppervlakteantigeen, geïnactiveerd, met adjuvans)

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Oppervlakteantigenen van influenzavirus (haemagglutinine en neuraminidase)* van de volgende stam:

A/Vietnam/1194/2004 (H5N1)

7,5 microgram** per dosering van 0,5 ml

*in eieren gekweekt

**uitgedrukt in microgram haemagglutinine.

Adjuvans MF59C.1 bevat:

 

Squaleen

9,75 milligram

Polysorbaat 80

1,175 milligram

Sorbitaantrioleaat

1,175 milligram

Dit vaccin voldoet aan de WHO-aanbevelingen en aan het EU-besluit met betrekking tot pandemie.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Suspensie voor injectie, in voorgevulde spuit.

Melkwitte vloeistof.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Profylaxe van influenza in een officieel afgekondigde pandemische situatie. Foclivia dient te worden gebruikt in overeenstemming met de officiële richtlijnen.

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

Volwassenen en ouderen: 0,5 ml op een gekozen datum.

Na een interval van tenminste 3 weken dient een tweede dosis vaccin te worden toegediend.

Foclivia werd geëvalueerd bij volwassenen (in de leeftijd van 18-60 jaar) en bij ouderen (boven de 60 jaar), met een primair vaccinatieschema van 1, 22 dagen.

Er is beperkte ervaring met betrekking tot een derde dosis (booster) toegediend 6 maanden na de eerste dosis (zie rubrieken 4.8 en 5.1).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van Foclivia bij personen jonger dan 18 jaar zijn nog niet vastgesteld. De momenteel beschikbare gegevens bij personen in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar worden beschreven in rubriek 5.1, maar er kan geen doseringsadvies worden gedaan.

Er zijn geen gegevens beschikbaar voor kinderen jonger dan 6 maanden.

Wijze van toediening

De immunisatie dient te worden uitgevoerd via intramusculaire injectie in de musculus deltoideus of in de anterolaterale dij (afhankelijk van de spiermassa).

4.3Contra-indicaties

Eerder opgetreden anafylactische (d.w.z. levensbedreigende) reactie op een van de bestanddelen of op sporenhoeveelheden van eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB) die in dit vaccin aanwezig zijn. Het kan in een pandemische situatie echter toch juist zijn om het vaccin toe te dienen, onder voorwaarde dat er in noodgevallen direct reanimatieapparatuur beschikbaar is.

Zie rubriek 4.4.

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Voorzichtigheid is geboden als u dit vaccin toedient aan personen met een bekende overgevoeligheid (anders dan anafylactische reactie) voor het werkzame bestanddeel, voor één van de in

rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen en voor eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB).

Zoals voor alle injecteerbare vaccins geldt, moet gepaste medische behandeling en toezicht altijd direct beschikbaar zijn in het geval van een zeldzame anafylactische reactie na toediening van het vaccin.

Als de pandemische situatie dit toestaat, moet immunisatie worden uitgesteld bij patiënten met een ernstige febriele ziekte of acute infectie.

Foclivia mag in geen enkele omstandigheid intravasculair of subcutaan worden toegediend. Daarom moeten beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de voordelen en potentiële risico’s afwegen van toediening van het vaccin bij personen met trombocytopenie of een bloedingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor intramusculaire injectie, tenzij het mogelijke voordeel opweegt tegen het risico op bloedingen.

De antilichaamrespons kan bij patiënten met endogene of iatrogene immuunsuppressie onvoldoende zijn.

Het is mogelijk dat niet bij alle gevaccineerden een beschermende respons wordt opgewekt (zie rubriek 5.1).

In klinische onderzoeken is een zekere mate van kruisbescherming vastgesteld tegen verwante varianten van het H5N1-virus (zie rubriek 5.1).

Aangezien een tweede dosis wordt aanbevolen, moet hierbij worden opgemerkt dat er geen gegevens over veiligheid, immunogeniciteit en werkzaamheid beschikbaar zijn die de uitwisseling van Foclivia met andere H5N1 monovalente vaccins ondersteunen.

Hoewel er geen gegevens beschikbaar zijn over het optreden bij gebruik van Foclivia, zijn gevallen van convulsie met en zonder koorts gemeld bij personen die waren gevaccineerd met Focetria, een op Foclivia gelijkend H1N1 pandemisch vaccin met MF59.1 als adjuvans.

De meeste febriele convulsies traden op bij pediatrische personen. Sommige gevallen werden waargenomen bij personen met een voorgeschiedenis van epilepsie. Speciale aandacht moet worden gegeven aan personen die lijden aan epilepsie en de arts moet hen (of hun ouders) informeren over de mogelijkheid van het optreden van convulsies (zie rubriek 4.8).

Syncope (flauwvallen) kan optreden na, of zelfs vóór, iedere vaccinatie, als psychogene reactie op injectie met een naald. Dit kan vergezeld gaan van verscheidene neurologische verschijnselen, zoals tijdelijke visusstoornissen, paresthesie en tonisch-klonische bewegingen van de ledematen tijdens herstel. Het is van belang dat er procedures zijn ter voorkoming van letsel als gevolg van flauwvallen.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Foclivia mag niet gelijktijdig met andere vaccins worden gegeven. Als gelijktijdige toediening van een ander vaccin echter geïndiceerd is, moeten de immunisaties in verschillende ledematen worden uitgevoerd. Men dient erop te letten dat de bijwerkingen dan sterker kunnen zijn.

De immuunrespons kan verlaagd zijn als de patiënt een immuunsuppressiebehandeling ondergaat.

Na influenzavaccinatie kunnen fout-positieve serologietestresultaten worden verkregen bij gebruik van de ELISA-methode voor de detectie van antistoffen tegen humaan immunodeficiëntievirus-1 (HIV-1), hepatitis C en met name HTLV-1. In dergelijke gevallen is de Western blot methode negatief. Deze tijdelijke fout-positieve uitslagen kunnen worden veroorzaakt door IgM-productie als respons op het vaccin.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen klinische gegevens voorhanden over gevallen van gebruik van Foclivia tijdens de zwangerschap.

Er zijn echter wel veiligheidsgegevens beschikbaar bij zwangere vrouwen die blootgesteld zijn aan Focetria (een H1N1 pandemisch vaccin vergelijkbaar met Foclivia) dat dezelfde hoeveelheid MF59C.1 bevat als Foclivia. Na het in de handel brengen spontaan gemelde bijwerkingen en een interventioneel onderzoek suggereren geen directe of indirecte schadelijke effecten van blootstelling aan Focetria op de zwangerschap. Daarnaast toonden twee grote observatie-onderzoeken, bedoeld voor het beoordelen van de veiligheid van blootstelling aan Focetria tijdens de zwangerschap, geen verhoging van het aantal gevallen van zwangerschapsdiabetes, preeclampsie, abortussen, doodgeboorte, laag geboortegewicht, prematuriteit, neonataal overlijden en aangeboren misvormingen bij bijna 10.000 gevaccineerde zwangere vrouwen en hun nakomelingen, vergeleken met niet-gevaccineerde controles.

Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg moeten de voordelen en mogelijke risico’s afwegen van toediening van Foclivia aan zwangere vrouwen, rekening houdende met officiële aanbevelingen.

Borstvoeding

Het vaccin kan worden gebruikt bij vrouwen die borstvoeding geven.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen vruchtbaarheidsgegevens beschikbaar.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Enkele van de in rubriek 4.8 “Bijwerkingen” genoemde effecten kunnen van invloed zijn op de rijvaardigheid en op het vermogen machines te bedienen.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Volwassenen en ouderen (ouder dan 18 jaar)

In de met een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans uitgevoerde klinische onderzoeken bij volwassenen en ouderen (zie rubriek 5.1 voor meer informatie) waren de meeste reacties licht van aard, van korte duur en kwalitatief soortgelijk aan die die werden geïnduceerd door conventionele seizoensinfluenzavaccins. Het wordt breed aanvaard dat het effect van het adjuvans dat leidt tot verhoogde immunogeniciteit is geassocieerd met een iets hogere frequentie van lokale reacties (meestal lichte pijn) vergeleken met conventionele influenzavaccins zonder adjuvans. Er waren minder reacties na de tweede dosis vergeleken met de eerste.

Kinderen en adolescenten van 6 maanden tot 17 jaar:

In een fase II klinisch onderzoek (studie V87P6) werd de veiligheid van een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans geëvalueerd bij kinderen en adolescenten (zie rubriek 5.1 voor meer informatie).

Ongeacht de leeftijd was de reactogeniciteit na de eerste dosis hoger dan na de tweede vaccinatie. De reactogeniciteit na een derde dosis, toegediend 12 maanden na de tweede dosis, was hoger dan

zowel na de eerste als na de tweede dosis. Het percentage van de personen die lokale reacties meldden was hoger in de oudere leeftijdsgroepen, voornamelijk ten gevolge van het hogere aantal meldingen van pijn. Bij peuters waren erytheem en gevoeligheid de bij navraag vaakst gemelde lokale reacties; prikkelbaarheid en ongebruikelijk huilen waren de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. Bij kinderen en adolescenten was pijn de bij navraag vaakst gemelde lokale reactie en waren vermoeidheid en hoofdpijn de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. In alle leeftijdsgroepen meldde een laag percentage van de personen koorts. Veiligheidsgegevens na de eerste en tweede dosis bij kinderen en adolescenten met een soortgelijk pandemisch vaccin (Focetria H1N1v) suggereren een veiligheidsprofiel dat vergelijkbaar is met het profiel dat werd gemeld voor de

aH5N1 modelvaccin formulering (Foclivia).

De frequentie van bijwerkingen in klinische onderzoeken en postmarketingsurveillance wordt hieronder gemeld.

Klinische onderzoeken

Bijwerkingen in klinische onderzoeken bij volwassenen (ouder dan 18 jaar) en ouderen.

De incidentie van bijwerkingen is geëvalueerd in vier klinische onderzoeken met verschillende influenzastammen en formuleringen (H5N3, H9N2 en H5N1); er werden 3696 volwassenen en ouderen gevaccineerd. Van deze personen werd bij 3618 personen het modelvaccin Foclivia (A/H5N1) toegediend (zie rubriek 5.1).

Bijwerkingen in klinische onderzoeken met het modelvaccin Foclivia staan hieronder vermeld.

De incidentie van symptomen die zijn waargenomen bij personen ouder dan 60 jaar was lager dan die bij de populatie van 18-60 jaar.

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst:

Zenuwstelselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): hoofdpijn

Huid- en onderhuidaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): zweten

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): artralgie en myalgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Vaak (>1/100, <1/10): roodheid op de injectieplaats, zwelling van de injectieplaats, verharding van de injectieplaats, ecchymose op de injectieplaats en pijn aan de injectieplaats, koorts, malaise, vermoeidheid en beven

De meerderheid van deze reacties verdwijnt doorgaans binnen 1-2 dagen zonder behandeling.

Bijwerkingen in klinische onderzoeken bij kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar

Er werd een klinisch onderzoek uitgevoerd (studie V87P6) met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans (n =334) tegenover een vaccin tegen seizoensinfluenza (n=137).

 

Eerste dosis

 

Tweede dosis

 

Derde dosis

 

 

 

(21 dagen na eerste

 

(12 maanden na

 

 

 

dosis)

 

tweede dosis)

 

 

H5N1 geadjuveerd vaccin

 

Peuters (6-<36 maanden)

N=145

 

N=138

 

N=124

Enige

76%

 

68%

 

80%

Lokaal

47%

 

46%

 

60%

Systemisch

59%

 

51%

 

54%

Koorts ≥ 38 °C (≥ 40 °C)

0%

 

0%

 

0%

Andere bijwerking

54%

 

49%

 

35%

Kinderen (3-<9 jaar)

N=96

 

N=93

 

N=85

Enige

72%

 

68%

 

79%

Lokaal

66%

 

58%

 

74%

Systemisch

32%

 

33%

 

45%

Koorts ≥ 38 °C (≥ 40 °C)

4%

 

2%

 

6%

Andere bijwerking

36%

 

31%

 

19%

Adolescenten (9-<18 jaar)

N=93

 

N=91

 

N=83

Enige

91%

 

82%

 

89%

Lokaal

81%

 

70%

 

81%

Systemisch

69%

 

52%

 

69%

Koorts ≥ 38 °C (≥ 40 °C)

0%

 

1%

 

2%

Andere bijwerking

30%

 

27%

 

22%

Focetria (H1N1v)

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 77 kinderen van 3-8 jaar en 80 kinderen en adolescenten van 9-17 jaar die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Kinderen (3 tot 8 jaar)

N=77

N=75

Elke bijwerking

74%

69%

Lokaal

62%

56%

Systemisch

39%

35%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

4%

1%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

0%

1%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

14%

17%

Adolescenten (9 tot 17 jaar)

N=80

N=79

Elke bijwerking

79%

66%

Lokaal

70%

58%

Systemisch

45%

30%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

3%

1%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

0%

0%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

13%

10%

Gegevens bij kinderen en adolescenten van 3-17 jaar suggereren een geringe daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder stijging van het aantal gevallen van koorts.

Zeer vaak optredende reacties gemeld bij kinderen en adolescenten van 3 tot 17 jaar: Pijn, induratie en erytheem, malaise, myalgie, hoofdpijn en vermoeidheid.

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 73 zuigelingen van 6-11 maanden

en 73 peuters van 12-35 maanden die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Zuigelingen (6 tot 11 maanden)

N=73

N=68

Elke bijwerking

79%

65%

Lokaal

44%

26%

Systemisch

70%

56%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

11%

9%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

3%

4%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

32%

31%

Peuters (12 tot 35 maanden)

N=73

N=71

Elke bijwerking

70%

71%

Lokaal

51%

49%

Systemisch

60%

49%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

10%

11%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

4%

1%

Koorts ≥ 40 °C

1%

0%

Elke andere bijwerking

21%

24%

Gegevens bij zuigelingen en peuters van 6-35 maanden suggereren een lichte daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder toename van het aantal koortsgevallen.

Zeer vaak optredende reacties die werden gemeld bij 146 zuigelingen en peuters van 6 tot 35 maanden:

Gevoeligheid, erytheem, prikkelbaarheid, ongebruikelijk huilen, slaperigheid, diarree, braken en verandering in eetgewoonten. Induratie en ecchymose waren zeer vaak optredende reacties bij peuters maar kwamen minder voor bij zuigelingen.

Post-marketing bewaking

Naast de bijwerkingen gemeld in de klinische onderzoeken zijn de volgende bijwerkingen gemeld tijdens postmarketingervaring met Focetria H1N1v:

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

Lymfadenopathie

Hartaandoeningen

Palpitatie, tachycardie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Asthenie

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Spierzwakte, pijn in de extremiteiten

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Hoest

Huid- en onderhuidaandoeningen

Gegeneraliseerde huidreacties waaronder pruritus, urticaria en niet-specifieke huiduitslag; angio-oedeem

Maagdarmstelselaandoeningen

Maagdarmstelselaandoeningen zoals misselijkheid, braken, buikpijn en diarree

Zenuwstelselaandoeningen

Hoofdpijn, duizeligheid, slaperigheid, syncope. Neurologische aandoeningen zoals neuralgie, paresthesie, convulsies en neuritis

Immuunsysteemaandoeningen

Allergische reacties, anafylaxie waaronder dyspneu, bronchospasme, larynxoedeem, in zeldzame gevallen leidend tot shock

Op basis van post-marketing bewaking van interpandemische trivalente vaccins met adjuvans, met een vergelijkbare samenstelling als Foclivia (een H1N1 pandemisch vaccin met MF59C.1 als adjuvans), zijn de volgende aanvullende bijwerkingen gemeld:

Zelden (>1/10.000, <1/1.000):

Trombocytopenie (sommige zeer zelden voorkomende gevallen waren ernstig, met een aantal bloedplaatjes van minder dan 5.000 per mm3).

Zeer zelden (<1/10.000):

Vasculitis met voorbijgaande nieraandoeningen en exudatief erythema multiforme. Neurologische aandoeningen, zoals encefalomyelitis, neuritis en guillain-barrésyndroom.

Bijwerking(en) uit post-marketing bewaking van het pandemisch vaccin: niet van toepassing.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Er zijn geen gevallen van overdosering gemeld.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: influenzavaccin, ATC-code: J07BB02

In dit gedeelte wordt de klinische ervaring beschreven met de H5N1 modelvaccins na toediening van twee doses van 7,5 microgram.

Modelvaccins bevatten influenza-antigenen die verschillen van die van de momenteel circulerende influenzavirussen. Deze antigenen kunnen worden beschouwd als ‘nieuwe’ antigenen. Hiermee wordt een situatie gesimuleerd waarin de doelpopulatie voor de vaccinatie immunologisch naïef is.

De gegevens die met een modelvaccin worden verkregen, zullen een vaccinatiestrategie ondersteunen die waarschijnlijk gebruikt gaat worden voor het pandemisch vaccin: gegevens over de klinische werkzaamheid en veiligheid die worden verkregen met modelvaccins zijn relevant voor de pandemische vaccins.

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Er werd een fase II klinisch onderzoek (studie V87P1) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 312 gezonde volwassenen. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N1-stam (A/Vietnam/1194/2004; 7,5 µg haemagglutinine (HA)/ dosis met adjuvans) toegediend aan 156 personen.

In een ander klinisch onderzoek (fase III) (studie V87P13) werden 2693 gezonde volwassenen geïncludeerd en zij kregen twee keer een dosis vaccin met H5N1 (A/Vietnam/1194/2004;

7,5 µgHA/geadjuveerde dosis) toegediend met een interval van drie weken. De immunogeniciteit werd beoordeeld bij een subset (n=197) van de studiepopulatie.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam/1194/2004 bij de volwassenen gemeten door Single Radial Haemolysis (SRH) waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=149

N=197

Serumprotectiepercentage

85% (79-91)

91% (87-95)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

85% (78-90)

78% (72-84)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

7,74 (6,6-9,07)

4,03 (3,54-4,59)

 

 

 

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=69

N=128

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage

87% (77-94)

94% (88-97)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

87% (77-94)

73% (65-81)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

8,87 (7,09-11)

2,71 (2,38-3,08)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

Microneutralisatie (MN)-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 67% (60-74) tot 85% (78-90) en 65% (58-72) tot 83% (77-89). De immuunrespons op de vaccinatie die met een MN-assay is geëvalueerd, is in overeenstemming met de resultaten verkregen met SRH.

De persistentie van antistoffen na primaire vaccinatie werd in deze populatie geëvalueerd door haemagglutinatieremming (HI), SRH- en MN-assays. In vergelijking met het niveau antistoffen verkregen op dag 43 na voltooiing van de primaire vaccinatieschema’s, waren de antistofniveaus op dag 202 met 1/5 tot ½ gereduceerd ten opzichte van hun vorige niveaus.

Ouderen (> 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 bij personen ouder dan 60 jaar (een beperkt aantal personen was ouder dan 70 jaar) gemeten door de SRH-assay in twee klinische studies waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=84

N=210

Serumprotectiepercentage

80% (70-88)

82% (76-87)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

70% (59-80)

63% (56-69)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

4,96 (3,87-6,37)

2,9 (2,53-3,31)

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=66

N=143

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage

82% (70-90)

82% (75-88)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

82% (70-90)

54% (45-62)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

8,58 (6,57-11)

1,91 (1,72-2,12)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 57% (50-64) tot 79% (68-87) en 55% (48-62) tot 58% (47-69). De MN-resultaten waren vergelijkbaar met de SHR-resultaten en toonden een sterke immuunrespons na voltooiing van de primaire vaccinatiereeks bij een populatie van ouderen.

HI-, SRH- en MN-tests toonden aan dat persistentie van antistoffen na de eerste vaccinatie bij deze populatie op dag 202 was gedaald van ½ tot 1/5e van hun post-vaccinatieniveau in vergelijking met dag 43 na de afronding van de primaire schema's. Tot 50% van de ouderen geïmmuniseerd met H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C was serumbeschermd na zes maanden.

Boosterdosis

Een derde (booster) dosis H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C werd 6 maanden na de primaire vaccinatiereeks toegediend. De resultaten van de SRH-test worden hieronder weergegeven.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 gemeten door middel van de SRH-test waren als volgt:

 

Studie V87P1 Volwassenen

Studie V87P1 Ouderen

 

booster (6 maanden na 2de dosis)

booster (6 maanden na 2de dosis)

SRH

N=71

N=38

Serumprotectie-percentage

89% (79-95)

84% (69-94)

(95%CI)*

 

 

Serumconversie-percentage

83% (72-91)

63% (46-78)

(95%CI)*

 

 

Serumconversie-factor

5,96 (4,72-7,53)

5,15 (3,46-7,66)

(95%CI)**

 

 

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

De ervaring met een boosterdosis bij ouderen is beperkt.

Ondersteunende gegevens voor populaties van volwassenen en ouderen

In twee dosisbepalende studies kregen 78 volwassenen een adjuvans modelvaccin (H5N3 of H9N2) toegediend. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N3-stam (A/Duck/Singapore/97) toegediend in drie verschillende doseringen (7,5; 15 en 30 µg HA/dosis).

De serummonsters werden getest tegen de oorspronkelijke H5N3-stam en tegen een aantal H5N1-isolaten. De serologische responsen die werden verkregen met de SRH-assay lieten zien dat 100% van de proefpersonen serumprotectie bereikte, en 100% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had. Het H5N3-vaccin met MF59C.1-adjuvans induceerde ook antistoffen die kruisbescherming gaven tegen de H5N1-stammen uit 1997, en bovendien ook tegen de H5N1-stammen die in 2003 en 2004 werden geïsoleerd en die enige antigene drift vertonen ten opzichte van de oorspronkelijke stammen.

Tweemaal, met een interval van vier weken, werd een dosis vaccin met de H9N2-stam (A/chicken/Hong Kong/G9/97) toegediend in vier verschillende doseringen (3,75; 7,5; 15 en 30 μg HA/dosis). De serologische responsen die werden verkregen met de HI-assay lieten zien dat 92% van de proefpersonen serumprotectie bereikte en 75% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had.

Kruisreactiviteit

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij volwassenen in de leeftijd van 18 tot 60 jaar, gemeten door de SRH- en HI-assay, waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=70

N=197

SRH

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

70% (58-80)

59% (52-66)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)*

NA***

49% (42-56)

 

Serumconversiefactor(95%CI)**

NA***

2.37 (2,1-2,67)

 

 

N=69

N=197

HI

Serumprotectiepercentage (95%CI)°

36% (25-49)

23% (18-30)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)°

NA***

19% (14-25)

 

Serumconversiefactor (95%CI)°°

NA***

1,92 (1,64-2,25)

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel tonen een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 27% (17-39) (V87P1) tot 39% (32-46) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 36% (29-43) voor de studie V87P13. MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2,77 (2,4-3,2) aan.

Ouderen (>60 jaar)

Serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij ouderen > 60 jaar, gemeten door SRH- en HI-assays waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=37

N=207

 

 

 

 

SRH

Serumprotectiepercentage

57% (39-73)

20% (18-23)

 

(95%CI)*

 

 

 

 

 

 

 

Serumconpercentage

NA***

48% (41-55)

 

(95%CI)*

 

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

NA***

1,74 (1,57-1,94)

 

 

N=36

N=208

 

 

 

 

HI

Serumprotectiepercentage

36% (21-54)

25% (19-32)

 

(95%CI)°

 

 

 

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

NA***

19% (14-25)

 

(95%CI)°

 

 

 

Serumconversiefactor

NA***

1,79 (1,56-2,06)

 

(95%CI)°°

 

 

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel toonden een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 11% (3-25) (V87P1) tot 30% (24-37) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 25% (19-31) voor de studie V87P13.

De MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2,01 (1,78-2,26) aan.

Gegevens in pediatrische populaties

Er werd een klinisch onderzoek (Studie V87P6) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 471 kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis van 7,5 microgram toegediend gevolgd door een derde

dosis 12 maanden na de eerste dosis. Drie weken na de 2de vaccinatie (dag 43). bereikten alle groepen (d.w.z. in de leeftijd van 6-35 maanden, 3-8 jaar en 9-17 jaar) hoge niveaus antistoffen tegen (A/Vietnam/1194/2004) zoals geëvalueerd met SRH- en HI-assays zoals wordt weergegeven in de onderstaande tabel*. Bij dit onderzoek werden geen ernstige bijwerkingen gerelateerd aan het vaccin vastgesteld.

 

 

Peuters

Kinderen (3-<9 jaar)

Adolescenten

 

 

(6-<36 maanden)

 

(9-<18 jaar)

 

 

N=134

N=91

N=89

 

Serumprotectiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

Serumconversiefactor

HI (95% CI)

(109-151)

(97-142)

(51-88)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

 

N=133

N=91

N=90

 

Serumprotectiepercentage

100%

100%

100%

 

(95% CI)

(97-100)

(96-100)

(96-100)

 

Dag 43

 

 

 

SRH

Serumconversiefactor

 

(95% CI)

(14-18)

(13-17)

(12-16)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

98%

100%

99%

 

(95% CI)

(95-100)

(96-100)

(94-100)

 

Dag 43

 

 

 

* Aangezien er geen CHMP-immunogeniciteitscriteria zijn voor kinderen, zijn de CHMP-immunogeniciteitscriteria die voor de evaluatie van vaccins tegen seizoensgriep bij volwassenen worden gebruikt, toegepast op de serologische gegevens die zijn verzameld na de vaccinatie van kinderen. De relevantie voor de klinische bescherming is echter niet bekend.

De MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 geven een serumprotectiepercentage van 99% aan (95% CI: 94-100), een serumconversiepercentage van 97% (95% CI: 91-99) tot 99% (95% CI: 96-100) en een GMR van 29 (95% CI: 25-35) tot 50 (95% CI: 44-58).

Immunogeniciteitsresultaten met Focetria H1N1v (studie V111_03):

Het serumprotectiepercentage en het serumconversiepercentage gemeten door de HI-assay en de serumconversiefactor, uitgedrukt als geometrisch gemiddelde van HI voor anti-HA antistof voor H1N1 na toediening van een en twee 7,5 µg doses Focetria werd bepaald bij 70 kinderen en adolescenten (9-17 jaar), 60 kinderen (3-8 jaar), 58 kinderen (12-35 maanden) en 49 zuigelingen (6-11 maanden). In alle bovengenoemde leeftijdsgroepen (zowel in de totale populatie als in de subset seronegatief op de baseline) werd aan de CHMP immunogeniciteitscriteria voor volwassenen

(18-60 jaar) voldaan, zowel na de 1e als na de 2e dosis.

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Foclivia in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten met betrekking tot actieve immunisatie tegen het H5N1-subtype van het influenza A-virus (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

Foclivia is geregistreerd onder “uitzonderlijke omstandigheden”.

Dit betekent dat om wetenschappelijke redenen het niet mogelijk was om volledige informatie over dit geneesmiddel te verkrijgen.

Het Europees Geneesmiddelenbureau zal alle nieuwe informatie die beschikbaar kan komen, ieder jaar beoordelen en zo nodig deze SmPC aanpassen.

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Niet van toepassing.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens verkregen met Foclivia en met seizoensinfluenzavaccin dat MF59C.1 als adjuvans bevat duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van herhaalde dosistoxiciteit, lokale verdraagbaarheid, vruchtbaarheid bij vrouwen en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit (tot en met het eind van

de borstvoedingsperiode).

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Natriumchloride,

Kaliumchloride,

Kaliumdiwaterstoffosfaat,

Dinatriumfosfaat-dihydraat,

Magnesiumchloride-hexahydraat,

Calciumchloride-dihydraat,

Natriumcitraat,

Citroenzuur,

Water voor injecties.

Zie voor het adjuvans rubriek 2.

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3Houdbaarheid

1 jaar.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

0,5 ml in voorgevulde spuit (type I-glas) met zuiger-stop (broombutylrubber). Verpakkingen van 1 en 10 stuks.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Laat het vaccin op kamertemperatuur komen alvorens het te gebruiken. Voorzichtig schudden voor gebruik.

Voer voorafgaand aan toediening een visuele inspectie van de suspensie uit. Als sprake is van deeltjes en/of een abnormaal uiterlijk moet het vaccin worden afgevoerd.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Seqirus S.r.l.

Via Fiorentina, 1

Siena

Italië

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

9.DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 19 oktober 2009

Datum van laatste verlenging: 19 oktober 2014

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu/).

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Foclivia suspensie voor injectie

Pandemisch influenzavaccin (H5N1) (oppervlakteantigeen, geïnactiveerd, met adjuvans)

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Oppervlakteantigenen van influenzavirus (haemagglutinine en neuraminidase)* van de volgende stam:

A/Vietnam/1194/2004 (H5N1)

7,5 microgram** per dosering van 0,5 ml

*in eieren gekweekt

**uitgedrukt in microgram haemagglutinine.

Adjuvans MF59C.1 bevat:

 

Squaleen

9,75 milligram

Polysorbaat 80

1,175 milligram

Sorbitaantrioleaat

1,175 milligram

Dit vaccin voldoet aan de WHO-aanbevelingen en aan het EU-besluit met betrekking tot pandemie.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Suspensie voor injectie.

Melkwitte vloeistof.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Profylaxe van influenza in een officieel afgekondigde pandemische situatie. Foclivia dient te worden gebruikt in overeenstemming met de officiële richtlijnen.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering

Volwassenen en ouderen: 0,5 ml op een gekozen datum.

Na een interval van tenminste 3 weken dient een tweede dosis vaccin te worden toegediend. Foclivia werd geëvalueerd bij volwassenen (in de leeftijd van 18-60 jaar) en bij ouderen (boven de 60 jaar), met een primair vaccinatieschema van 1, 22 dagen.

Er is beperkte ervaring met betrekking tot een derde dosis (booster) toegediend 6 maanden na de eerste dosis (zie rubrieken 4.8 en 5.1).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van Foclivia bij personen jonger dan 18 jaar zijn nog niet vastgesteld. De momenteel beschikbare gegevens bij personen in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar worden beschreven in rubriek 5.1, maar er kan geen doseringsadvies worden gedaan.

Er zijn geen gegevens beschikbaar voor kinderen jonger dan 6 maanden.

Wijze van toediening

De immunisatie dient te worden uitgevoerd via intramusculaire injectie in de musculus deltoideus of in de anterolaterale dij (afhankelijk van de spiermassa).

4.3 Contra-indicaties

Eerder opgetreden anafylactische (d.w.z. levensbedreigende) reactie op een van de bestanddelen of op sporenhoeveelheden van eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB) die in dit vaccin aanwezig zijn. Het kan in een pandemische situatie echter toch juist zijn om het vaccin toe te dienen, onder voorwaarde dat er in noodgevallen direct reanimatieapparatuur beschikbaar is.

Zie rubriek 4.4.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Voorzichtigheid is geboden als u dit vaccin toedient aan personen met een bekende overgevoeligheid (anders dan anafylactische reactie) voor het werkzame bestanddeel, voor één van de in

rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen en voor eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB).

Zoals voor alle injecteerbare vaccins geldt, moet gepaste medische behandeling en toezicht altijd direct beschikbaar zijn in het geval van een zeldzame anafylactische reactie na toediening van het vaccin. Als de pandemische situatie dit toestaat, moet immunisatie worden uitgesteld bij patiënten met een ernstige febriele ziekte of acute infectie.

Foclivia mag in geen enkele omstandigheid intravasculair of subcutaan worden toegediend. Daarom moeten beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de voordelen en potentiële risico’s afwegen van toediening van het vaccin bij personen met trombocytopenie of een bloedingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor intramusculaire injectie, tenzij het mogelijke voordeel opweegt tegen het risico op bloedingen.

De antilichaamrespons kan bij patiënten met endogene of iatrogene immuunsuppressie onvoldoende zijn.

Het is mogelijk dat niet bij alle gevaccineerden een beschermende respons wordt opgewekt (zie rubriek 5.1).

In klinische onderzoeken is een zekere mate van kruisbescherming vastgesteld tegen verwante varianten van het H5N1-virus (zie rubriek 5.1).

Aangezien een tweede dosis wordt aanbevolen, moet hierbij worden opgemerkt dat er geen gegevens over veiligheid, immunogeniciteit en werkzaamheid beschikbaar zijn die de uitwisseling van Foclivia met andere H5N1 monovalente vaccins ondersteunen.

Hoewel er geen gegevens beschikbaar zijn over het optreden bij gebruik van Foclivia, zijn gevallen van convulsie met en zonder koorts gemeld bij personen die waren gevaccineerd met Focetria, een op Foclivia gelijkend H1N1 pandemisch vaccin met MF59.1 als adjuvans.

De meeste febriele convulsies traden op bij pediatrische personen. Sommige gevallen werden waargenomen bij personen met een voorgeschiedenis van epilepsie. Speciale aandacht moet worden gegeven aan personen die lijden aan epilepsie en de arts moet hen (of hun ouders) informeren over de mogelijkheid van het optreden van convulsies. (zie rubriek 4.8).

Syncope (flauwvallen) kan optreden na, of zelfs vóór, iedere vaccinatie, als psychogene reactie op de injectie met een naald. Dit kan vergezeld gaan van verscheidene neurologische verschijnselen, zoals tijdelijke visusstoornissen, paresthesie en tonisch-klonische bewegingen van de ledematen tijdens herstel. Het is van belang dat er procedures zijn ter voorkoming van letsel als gevolg van flauwvallen.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Foclivia mag niet gelijktijdig met andere vaccins worden gegeven. Als gelijktijdige toediening van een ander vaccin echter geïndiceerd is, moeten de immunisaties in verschillende ledematen worden uitgevoerd. Men dient erop te letten dat de bijwerkingen dan sterker kunnen zijn.

De immuunrespons kan verlaagd zijn als de patiënt een immuunsuppressiebehandeling ondergaat. Na influenzavaccinatie kunnen fout-positieve serologietestresultaten worden verkregen bij gebruik van de ELISA-testmethode voor de detectie van antistof fen tegen humaan immunodeficiëntievirus-1 (HIV-1_, hepatitis C en met name HTLV-1. In dergelijke gevallen is de Western blot methode negatief. Deze tijdelijke fout-positieve uitslagen kunnen worden veroorzaakt door IgM-productie

als respons op het vaccin.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn voor Foclivia geen klinische gegevens voorhanden over gevallen van gebruik tijdens de zwangerschap.

Er zijn echter wel veiligheidsgegevens beschikbaar bij zwangere vrouwen die blootgesteld zijn aan Focetria (een H1N1 pandemisch vaccin vergelijkbaar met Foclivia) dat dezelfde hoeveelheid MF59C.1 bevat als Foclivia. Na het in de handel brengen spontaan gemelde bijwerkingen en een interventioneel onderzoek suggereren geen directe of indirecte schadelijke effecten van blootstelling aan Focetria op de zwangerschap. Daarnaast toonden twee grote observatie-onderzoeken bedoeld voor het beoordelen van de veiligheid van blootstelling aan Focetria tijdens de zwangerschap geen verhoging van het aantal gevallen van zwangerschapsdiabetes, preeclampsie, abortussen, doodgeboorte, laag geboortegewicht, prematuriteit, neonataal overlijden en aangeboren misvormingen bij bijna 10.000 gevaccineerde zwangere vrouwen

en hun nakomelingen, vergeleken met niet-gevaccineerde controles.

Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg moeten de voordelen en mogelijke risico’s afwegen van toediening van Focliviavaccin aan zwangere vrouwen, rekening houdende met officiële aanbevelingen.

Borstvoeding

Het vaccin kan worden gebruikt bij vrouwen die borstvoeding geven.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen vruchtbaarheidsgegevens beschikbaar.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Enkele van de in rubriek 4.8 “Bijwerkingen” genoemde effecten kunnen van invloed zijn op de rijvaardigheid en op het vermogen machines te bedienen.

4.8 Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Volwassenen en ouderen (ouder dan 18 jaar)

In de met een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans uitgevoerde klinische onderzoeken bij volwassenen en ouderen (zie rubriek 5.1 voor meer informatie) waren de meeste reacties licht van aard, van korte duur en kwalitatief soortgelijk aan die die werden geïnduceerd door conventionele seizoensinfluenzavaccins. Het wordt breed aanvaard dat het effect van het adjuvans dat leidt tot verhoogde immunogeniciteit is geassocieerd met een iets hogere frequentie van lokale reacties (meestal lichte pijn) vergeleken met conventionele influenzavaccins zonder adjuvans. Er waren minder reacties na de tweede dosis vergeleken met de eerste.

Kinderen en adolescenten van 6 maanden tot 17 jaar:

In een fase II klinisch onderzoek (studie V87P6) werd de veiligheid van een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans geëvalueerd bij kinderen en adolescenten (zie rubriek 5.1 voor meer informatie).

Ongeacht de leeftijd was de reactogeniciteit na de eerste dosis hoger dan na de tweede vaccinatie. De reactogeniciteit na een derde dosis, toegediend 12 maanden na de tweede dosis, was hoger dan

zowel na de eerste als na de tweede dosis. Het percentage van de personen die lokale reacties meldden was hoger in de oudere leeftijdsgroepen, voornamelijk ten gevolge van het hogere aantal meldingen van pijn. Bij peuters waren erytheem en gevoeligheid de bij navraag vaakst gemelde lokale reacties; prikkelbaarheid en ongebruikelijk huilen waren de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. Bij kinderen en adolescenten was pijn de bij navraag vaakst gemelde lokale reactie en waren vermoeidheid en hoofdpijn de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. In alle leeftijdsgroepen meldde een laag percentage van de personen koorts. Veiligheidsgegevens na de eerste en tweede dosis bij kinderen en adolescenten met een soortgelijk pandemisch vaccin (Focetria H1N1v) suggereren een veiligheidsprofiel dat vergelijkbaar is met het profiel dat werd gemeld voor de

aH5N1 modelvaccin formulering (Foclivia).

De frequentie van de bijwerkingen in klinische onderzoeken en postmarketing surveillance wordt hieronder gemeld.

Klinische onderzoeken

Bijwerkingen in klinische onderzoeken bij volwassenen (ouder dan 18 jaar) en ouderen

De incidentie van bijwerkingen is geëvalueerd in vier klinische onderzoeken met verschillende influenzastammen en formuleringen (H5N3, H9N2 en H5N1); er werden 3696 volwassenen en ouderen gevaccineerd. Van deze personen werd bij 3618 personen het modelvaccin Foclivia (A/H5N1) toegediend (zie rubriek 5.1).

Bijwerkingen in klinische onderzoeken met het modelvaccin Foclivia staan hieronder vermeld.

De incidentie van symptomen die zijn waargenomen bij personen ouder dan 60 jaar was lager dan die bij de populatie van 18-60 jaar.

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst:

Zenuwstelselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): hoofdpijn

Huid- en onderhuidaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): zweten

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): artralgie en myalgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Vaak (>1/100, <1/10): roodheid op de injectieplaats, zwelling van de injectieplaats, verharding van de injectieplaats, ecchymose op de injectieplaats en pijn aan de injectieplaats, koorts, malaise, vermoeidheid en beven

De meerderheid van deze reacties verdwijnt doorgaans binnen 1-2 dagen zonder behandeling.

Bijwerkingen in kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar in klinische onderzoeken

Er werd een klinisch onderzoek uitgevoerd (studie V87P6) met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans (n =334) tegenover een vacccin tegen seizoensinfluenza (n=137).

 

Eerste dosis

 

Tweede dosis

 

Derde dosis

 

 

 

(21 dagen na eerste

 

(12 maanden na

 

 

 

dosis)

 

tweede dosis)

 

 

H5N1 geadjuveerd vaccin

 

Peuters (6-<36 maanden)

N=145

 

N=138

 

N=124

Enige

76%

 

68%

 

80%

Lokaal

47%

 

46%

 

60%

Systemisch

59%

 

51%

 

54%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

0%

 

0%

 

0%

Andere bijwerking

54%

 

49%

 

35%

Kinderen (3-<9 jaar)

N=96

 

N=93

 

N=85

Enige

72%

 

68%

 

79%

Lokaal

66%

 

58%

 

74%

Systemisch

32%

 

33%

 

45%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

4%

 

2%

 

6%

Andere bijwerking

36%

 

31%

 

19%

Adolescenten (9-<18 jaar)

N=93

 

N=91

 

N=83

Enige

91%

 

82%

 

89%

Lokaal

81%

 

70%

 

81%

Systemisch

69%

 

52%

 

69%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

0%

 

1%

 

2%

Andere bijwerking

30%

 

27%

 

22%

Focetria (H1N1v)

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 77 kinderen van 3-8 jaar en 80 kinderen en adolescenten van 9-17 jaar die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Kinderen (3 tot 8 jaar)

N= 77

N= 75

Elke bijwerking

74%

69%

Lokaal

62%

56%

Systemisch

39%

35%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

4%

1%

Koorts 39 °C tot 3,9 °C

0%

1%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

14%

17%

Adolescenten (9 tot 17 jaar)

N= 80

N= 79

Elke bijwerking

79%

66%

Lokaal

70%

58%

Systemisch

45%

30%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

3%

1%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

0%

0%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

13%

10%

Gegevens bij kinderen en adolescenten van 3-17 jaar suggereren een geringe daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder stijging van het aantal gevallen van koorts.

Zeer vaak optredende reacties gemeld bij kinderen en adolescenten van 3 tot 17 jaar: Pijn, induratie en erytheem, malaise, myalgie, hoofdpijn en vermoeidheid.

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 73 zuigelingen van 6-11 maanden

en 73 peuters van 12-35 maanden die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Zuigelingen (6 tot 11 maanden)

N= 73

N= 68

Elke bijwerking

79%

65%

Lokaal

44%

26%

Systemisch

70%

56%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

11%

9%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

3%

4%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

32%

31%

Peuters (12 tot 35 maanden)

N= 73

N= 71

Elke bijwerking

70%

71%

Lokaal

51%

49%

Systemisch

60%

49%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

10%

11%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

4%

1%

Koorts ≥ 40 °C

1%

0%

Elke andere bijwerking

21%

24%

Gegevens bij zuigelingen en peuters van 6-35 maanden suggereren een lichte daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder toename van het aantal koortsgevallen.

Zeer vaak optredende reacties die werden gemeld bij 146 zuigelingen en peuters van 6 tot 35 maanden:

Gevoeligheid, erytheem, prikkelbaarheid, ongebruikelijk huilen, slaperigheid, diarree, braken en verandering in eetgewoonten. Induratie en ecchymose waren zeer vaak optredende reacties bij peuters maar kwamen minder voor bij zuigelingen.

Post-marketing bewaking

Naast de bijwerkingen gemeld in de klinische onderzoeken zijn de volgende bijwerkingen gemeld tijdens post-marketing-ervaring met Focetria H1N1v:

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

Lymfadenopathie

Hartaandoeningen

Palpitatie, tachycardie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Asthenie

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Spierzwakte, pijn in de extremiteiten

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Hoest

Huid- en onderhuidaandoeningen

Gegeneraliseerde huidreacties waaronder pruritus, urticaria en niet-specifieke huiduitslag; angio-oedeem.

Maagdarmstelselaandoeningen

Maagdarmstelselaandoeningen zoals misselijkheid, braken, buikpijn en diarree.

Zenuwstelselaandoeningen

Hoofdpijn, duizeligheid, slaperigheid, syncope. Neurologische aandoeningen zoals neuralgie, paresthesie, convulsies en neuritis.

Immuunsysteemaandoeningen

Allergische reacties, anafylaxie waaronder dyspneu, bronchospasme, larynx-oedeem, in zeldzame gevallen leidend tot shock.

Op basis van post-marketing bewaking van interpandemische trivalente vaccins met adjuvans, met een vergelijkbare samenstelling als Foclivia (een H1N1 pandemisch vaccin met MF59.1 als adjuvans), zijn de volgende bijwerkingen gemeld:

Zelden (>1/10.000, <1/1.000):

Trombocytopenie (sommige zeer zelden voorkomende gevallen waren ernstig, met een aantal bloedplaatjes van minder dan 5.000 per mm3).

Zeer zelden (<1/10.000):

Vasculitis met voorbijgaande nieraandoeningen en exudatief erythema multiforme. Neurologische aandoeningen, zoals encefalomyelitis, neuritis en guillain-barrésyndroom.

Bijwerking(en) uit post-marketing bewaking van het pandemisch vaccin: niet van toepassing.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V

4.9 Overdosering

Er zijn geen gevallen van overdosering gemeld.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: influenzavaccin, ATC-code: J07BB02

In dit gedeelte wordt de klinische ervaring beschreven met de H5N1 modelvaccins na toediening van twee doses van 7,5 microgram.

Modelvaccins bevatten influenza-antigenen die verschillen van die van de momenteel circulerende influenzavirussen. Deze antigenen kunnen worden beschouwd als ‘nieuwe’ antigenen. Hiermee wordt een situatie gesimuleerd waarin de doelpopulatie voor de vaccinatie immunologisch naïef is.

De gegevens die met een modelvaccin worden verkregen, zullen een vaccinatiestrategie ondersteunen die waarschijnlijk gebruikt gaat worden voor het pandemisch vaccin: gegevens over de klinische werkzaamheid en veiligheid die worden verkregen met modelvaccins zijn relevant voor de pandemische vaccins.

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Er werd een fase II klinisch onderzoek (studie V87P1) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 312 gezonde volwassenen. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N1-stam (A/Vietnam/1194/2004; 7,5 µg haemoagglutinine

(HA)/ dosis met adjuvans) toegediend aan 156 personen.

In een ander klinisch onderzoek (fase III) (studie V87P13) werden 2693 gezonde volwassenen geïncludeerd en zij kregen twee keer een dosis vaccin met H5N1 (A/Vietnam/1194/2004;

7,5 µgHA/geadjuveerde dosis) toegediend met een interval van drie weken. De immunogeniciteit werd beoordeeld bij een subset (n=197) van de studiepopulatie.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam/1194/2004 bij de volwassenen gemeten door Single Radial Haemolysis (SRH) waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=149

N=197

Serumprotectiepercentage

85% (79-91)

91% (87-95)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

85% (78-90)

78% (72-84)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

7,74 (6,6-9,07)

4,03 (3,54-4,59)

 

 

 

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=69

N=128

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

87% (77-94)

94% (88-97)

Serumconversiepercentage (95%CI)*

87% (77-94)

73% (65-81)

Serumconversiefactor (95%CI)**

8,87 (7,09-11)

2,71 (2,38-3,08)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

Microneutralisatie (MN)-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 67% (60-74) tot 85% (78-90) en 65% (58-72) tot 83% (77-89). De immuunrespons op de vaccinatie die met een MN-assay is geëvalueerd, is in overeenstemming met de resultaten verkregen met SRH.

De persistentie van antistoffen na primaire vaccinatie werd in deze populatie geëvalueerd door haemagglutinatieremming (HI), SRH- en MN-assays. In vergelijking met het niveau antistoffen verkregen op dag 43 na voltooiing van de primaire vaccinatieschema’s, waren de antistofniveaus op dag 202 met 1/5 tot ½ gereduceerd ten opzichte van hun vorige niveaus.

Ouderen (> 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 bij personen ouder dan 60 jaar (een beperkt aantal personen was ouder dan 70 jaar) gemeten door de SRH-assay in twee klinische studies waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=84

N=210

Serumprotectiepercentage

80% (70-88)

82% (76-87)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

70% (59-80)

63% (56-69)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

4,96 (3,87-6,37)

2,9 (2,53-3,31)

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=66

N=143

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage

82% (70-90)

82% (75-88)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

82% (70-90)

54% (45-62)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

8,58 (6,57-11)

1,91 (1,72-2,12)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 57% (50-64) tot 79% (68-87) en 55% (48-62) tot 58% (47-69). De MN-resultaten waren vergelijkbaar met de SHR-resultaten en toonden een sterke immuunrespons na voltooiing van de primaire vaccinatiereeks bij een populatie van ouderen.

HI-, SRH- en MN-tests toonden aan dat persistentie van antistoffen na de eerste vaccinatie bij deze populatie op dag 202 was gedaald van ½ tot 1/5e van hun post-vaccinatie-niveau in vergelijking met dag 43 na de afronding van de primaire schema's. Tot 50% van de ouderen geïmmuniseerd met H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C was serumbeschermd na zes maanden.

Boosterdosis

Een derde (booster) dosis H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C, werd 6 maanden na de primaire vaccinatiereeks toegediend. De resultaten van de SRH-test worden hieronder weergegeven.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 gemeten door middel van de SRH-test waren als volgt:

 

Studie V87P1 Volwassenen

Studie V87P1 Ouderen

 

booster (6 maanden na 2de dosis)

booster (6 maanden na 2de dosis)

SRH

N=71

N=38

Serumprotectie-percentag

89% (79-95)

84% (69-94)

e (95%CI)*

 

 

Serumconversie-percenta

83% (72-91)

63% (46-78)

ge (95%CI)*

 

 

Serumconversie-factor

5,96 (4,72-7,53)

5,15 (3,46-7,66)

(95%CI)**

 

 

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

De ervaring een met boosterdosis bij ouderen is beperkt.

Ondersteunende gegevens voor populaties van volwassenen en ouderen

In twee dosisbepalende studies kregen 78 volwassenen een adjuvans modelvaccin (H5N3 of H9N2) toegediend. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N3-stam (A/Duck/Singapore/97) toegediend in drie verschillende doseringen (7,5; 15 en 30 µg HA/dosis).

De serummonsters werden getest tegen de oorspronkelijke H5N3-stam en tegen een aantal H5N1-isolaten.

De serologische responsen die werden verkregen met de SRH-assay lieten zien dat 100% van de proefpersonen serumprotectie bereikte, en 100% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had.

Het H5N3-vaccin met MF59C.1-adjuvans induceerde ook antistoffen die kruisbescherming gaven tegen de H5N1-stammen uit 1997, en bovendien ook tegen de H5N1-stammen die in 2003 en 2004 werden geïsoleerd en die enige antigene drift vertonen ten opzichte van de oorspronkelijke stammen.

Tweemaal, met een interval van vier weken, werd een dosis vaccin met de H9N2-stam (A/chicken/Hong Kong/G9/97) toegediend in vier verschillende doseringen (3,75; 7,5; 15 en 30 μg HA/dosis). De serologische responsen die werden verkregen met de HI-assay lieten zien dat 92% van de proefpersonen serumprotectie bereikte en 75% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had.

Kruisreactiviteit

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij volwassenen in de leeftijd van 18 tot 60 jaar, gemeten door de SRH- en HI-assay waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=70

N=197

SRH

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

70% (58-80)

59% (52-66)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)*

NA***

49% (42-56)

 

Serumconversiefactor(95%CI)**

NA***

2.37 (2,1-2,67)

 

 

N=69

N=197

HI

Serumprotectiepercentage (95%CI)°

36%(25-49)

23% (18-30)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)°

NA***

19% (14-25)

 

Serumconversiefactor (95%CI)°°

NA***

1,92 (1,64-2,25)

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel tonen een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 27% (17-39) (V87P1) tot 39% (32-46) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 36% (29-43) voor de studie V87P13. MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2,77 (2,4-3,2) aan.

Ouderen (>60 jaar)

Serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij ouderen > 60 jaar, gemeten door SRH- en HI-assays waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=37

N=207

 

 

 

 

SRH

Serumprotectiepercentage

57% (39-73)

20% (18-23)

 

(95%CI)*

 

 

 

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

NA***

48% (41-55)

 

(95%CI)*

 

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

NA***

1,74 (1,57-1,94)

 

 

N=36

N=208

 

 

 

 

HI

Serumprotectiepercentage

36% (21-54)

25% (19-32)

 

(95%CI)°

 

 

 

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

NA***

19% (14-25)

 

(95%CI)°

 

 

 

Serumconversiefactor

NA***

1,79 (1,56-2,06)

 

(95%CI)°°

 

 

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel toonden een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 11% (3-25) (V87P1) tot 30% (24-37) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 25% (19-31) voor de studie V87P13.

De MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2,01 (1,78-2,26) aan.

Gegevens in pediatrische populaties

Er werd een klinisch onderzoek (Studie V87P6) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 471 kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis van 7,5 microgram toegediend gevolgd door een derde

dosis 12 maanden na de eerste dosis. Drie weken na de 2de vaccinatie (dag 43). bereikten alle groepen (d.w.z. in de leeftijd van 6-35 maanden, 3-8 jaar en 9-17 jaar) hoge niveaus antistoffen tegen (A/Vietnam/1194/2004) zoals geëvalueerd met SRH- en HI-assays zoals wordt weergegeven in de onderstaande tabel*. Bij dit onderzoek werden geen ernstige bijwerkingen gerelateerd aan het vaccin vastgesteld.

 

 

Peuters

Kinderen (3-<9 jaar)

Adolescenten

 

 

(6-<36 maanden)

 

(9-<18 jaar)

 

 

N=134

N=91

N=89

 

Serumprotectiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

Serumconversiefactor

HI (95% CI)

(109-151)

(97-142)

(51-88)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

 

N=133

N=91

N=90

 

Serumprotectiepercentage

100%

100%

100%

 

(95% CI)

(97-100)

(96-100)

(96-100)

 

Dag 43

 

 

 

SRHSerumconversiefactor

 

(95% CI)

(14-18)

(13-17)

(12-16)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

98%

100%

99%

 

(95% CI)

(95-100)

(96-100)

(94-100)

 

Dag 43

 

 

 

* Aangezien er geen CHMP-immunogeniciteitscriteria zijn voor kinderen, zijn de CHMP-immunogeniciteitscriteria die voor de evaluatie van vaccins tegen seizoensgriep bij volwassenen worden gebruikt, toegepast op de serologische gegevens die zijn verzameld na de vaccinatie van kinderen. De relevantie voor de klinische bescherming is echter niet bekend.

De MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 geven een serumprotectiepercentage van 99% aan (95% CI: 94-100), een serumconversiepercentage van 97% (95% CI: 91-99) tot 99% (95% CI: 96-100) en een GMR van 29 (95% CI: 25-35) tot 50 (95% CI: 44-58).

Immunogeniciteitsresultaten met Focetria H1N1v (studie V111_03):

Het serumprotectiepercentage en het serumconversiepercentage gemeten door de HI-assay en de serumconversiefactor, uitgedrukt als geometrisch gemiddelde van HI voor anti-HA antistof voor H1N1 na toediening van een en twee 7,5 µg doses Focetria werd bepaald bij 70 kinderen en adolescenten (9-17 jaar), 60 kinderen (3-8 jaar), 58 kinderen (12-35 maanden) en 49 zuigelingen (6-11 maanden). In alle bovengenoemde leeftijdsgroepen (zowel in de totale populatie als in de subset seronegatief op de baseline) werd aan de CHMP immunogeniciteitscriteria voor volwassenen

(18-60 jaar) voldaan, zowel na de 1e als de 2e dosis.

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Foclivia in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten met betrekking tot actieve immunisatie tegen het H5N1-subtype van het influenza A-virus (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

Foclivia is geregistreerd onder ‘uitzonderlijke omstandigheden’.

Dit betekent dat om wetenschappelijke redenen het niet mogelijk was om volledige informatie over dit geneesmiddel te verkrijgen.

Het Europees Geneesmiddelenbureau zal alle nieuwe informatie die beschikbaar kan komen, ieder jaar beoordelen en zo nodig deze SPC aanpassen.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Niet van toepassing.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens verkregen met Foclivia en met seizoensinfluenzavaccin dat MF59C.1 als adjuvans bevat duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van herhaalde dosistoxiciteit, lokale verdraagbaarheid, vruchtbaarheid bij vrouwen en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit (tot en met het eind van de borstvoedingsperiode).

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Natriumchloride,

Kaliumchloride,

Kaliumdiwaterstoffosfaat,

Dinatriumfosfaat-dihydraat,

Magnesiumchloride-hexahydraat,

Calciumchloride-dihydraat,

Natriumcitraat,

Citroenzuur,

Water voor injecties.

Zie voor het adjuvans rubriek 2.

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3 Houdbaarheid

1 jaar.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

0,5 ml in injectieflacon met enkele dosis (type I-glas) met stop (halobutylrubber). Verpakkingen van 10 stuks.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Laat het vaccin op kamertemperatuur komen alvorens het te gebruiken. Voorzichtig schudden voor gebruik.

Voer voorafgaand aan toediening een visuele inspectie van de suspensie uit. Als sprake is van deeltjes en/of een abnormaal uiterlijk moet het vaccin worden afgevoerd.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Seqirus S.r.l.

Via Fiorentina, 1

Siena

Italië

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/09/577/003

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 19 oktober 2009

Datum van laatste verlenging: 19 oktober 2014

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu/).

1. NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Foclivia suspensie voor injectie in multidosisflacon

Pandemisch influenzavaccin (H5N1) (oppervlakteantigeen, geïnactiveerd, met adjuvans)

2. KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Oppervlakteantigenen van influenzavirus (haemagglutinine en neuraminidase)* van de volgende stam:

A/Vietnam/1194/2004 (H5N1)

7,5 microgram** per dosering van 0,5 ml

*in eieren gekweekt

**uitgedrukt in microgram haemagglutinine.

Adjuvans MF59C.1 bevat:

 

Squaleen

9,75 milligram

Polysorbaat 80

1,175 milligram

Sorbitaantrioleaat

1,175 milligram

Hulpstoffen:

 

Thiomersal

0,05 milligram

Dit is een houder die meerdere doses bevat. Zie rubriek 6.5 voor het aantal doses per injectieflacon.

Dit vaccin voldoet aan de WHO-aanbevelingen en aan het EU-besluit met betrekking tot pandemie.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3. FARMACEUTISCHE VORM

Suspensie voor injectie.

Melkwitte vloeistof.

4. KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties

Profylaxe van influenza in een officieel afgekondigde pandemische situatie. Foclivia dient te worden gebruikt in overeenstemming met de officiële richtlijnen.

4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering

Volwassenen en ouderen: 0,5 ml op een gekozen datum.

Na een interval van tenminste 3 weken dient een tweede dosis vaccin te worden toegediend.

Foclivia werd geëvalueerd bij volwassenen (in de leeftijd van 18-60 jaar) en bij ouderen (boven de 60 jaar), met een primair vaccinatieschema van 1, 22 dagen.

Er is beperkte ervaring met betrekking tot een derde dosis (booster) toegediend 6 maanden na de eerste dosis (zie rubrieken 4.8 en 5.1).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van Foclivia bij personen jonger dan 18 jaar zijn nog niet vastgesteld. De momenteel beschikbare gegevens bij personen in de leeftijd van 6 maanden tot 18 jaar worden beschreven in rubriek 5.1, maar er kan geen doseringsadvies worden gedaan.

Er zijn geen gegevens beschikbaar voor kinderen jonger dan 6 maanden.

Wijze van toediening

De immunisatie dient te worden uitgevoerd via intramusculaire injectie in de musculus deltoideus of in de anterolaterale dij (afhankelijk van de spiermassa).

4.3 Contra-indicaties

Eerder opgetreden anafylactische (d.w.z. levensbedreigende) reactie op een van de bestanddelen of op sporenhoeveelheden van eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB) die in dit vaccin aanwezig zijn. Het kan in een pandemische situatie echter toch juist zijn om het vaccin toe te dienen, onder voorwaarde dat er in noodgevallen direct reanimatieapparatuur beschikbaar is.

Zie rubriek 4.4.

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Voorzichtigheid is geboden als u dit vaccin toedient aan personen met een bekende overgevoeligheid (anders dan anafylactische reactie) voor het werkzame bestanddeel, voor één van de in

rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen, voor thiomersal en voor eieren, kippeneiwitten, kanamycine en neomycinesulfaat, bariumsulfaat, formaldehyde en cetyltrimethylammoniumbromide (CTAB). Zoals voor alle injecteerbare vaccins geldt, moet gepaste medische behandeling en toezicht altijd direct beschikbaar zijn in het geval van een zeldzame anafylactische reactie na toediening van het vaccin.

Als de pandemische situatie dit toestaat, moet immunisatie worden uitgesteld bij patiënten met een ernstige febriele ziekte of acute infectie.

Foclivia mag in geen enkele omstandigheid intravasculair of subcutaan worden toegediend. Daarom moeten beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg de voordelen en potentiële risico’s afwegen van toediening van het vaccin bij personen met trombocytopenie of een bloedingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor intramusculaire injectie tenzij het mogelijke voordeel opweegt tegen het risico op bloedingen.

De antilichaamrespons kan bij patiënten met endogene of iatrogene immuunsuppressie onvoldoende zijn.

Het is mogelijk dat niet bij alle gevaccineerden een beschermende respons wordt opgewekt (zie rubriek 5.1).

In klinische onderzoeken is een zekere mate van kruisbescherming vastgesteld tegen verwante varianten van het H5N1-virus (zie rubriek 5.1).

Aangezien een tweede dosis wordt aanbevolen, moet hierbij worden opgemerkt dat er geen gegevens over veiligheid, immunogeniciteit en werkzaamheid beschikbaar zijn die de uitwisseling van Foclivia met andere H5N1 monovalente vaccins ondersteunen.

Hoewel er geen gegevens beschikbaar zijn over het optreden bij gebruik van Foclivia, zijn gevallen van convulsie met en zonder koorts gemeld bij personen die waren gevaccineerd met Focetria, een op Foclivia gelijkend H1N1 pandemisch vaccin met MF59.1 als adjuvans.

De meeste febriele convulsies traden op bij pediatrische personen. Sommige gevallen werden waargenomen bij personen met een voorgeschiedenis van epilepsie. Speciale aandacht moet worden gegeven aan personen die lijden aan epilepsie en de arts moet hen (of hun ouders) informeren over de mogelijkheid van het optreden van convulsies (zie rubriek 4.8).

Syncope (flauwvallen) kan optreden na, of zelfs vóór, iedere vaccinatie, als psychogene reactie op de injectie met een naald. Dit kan vergezeld gaan van verscheidene neurologische verschijnselen, zoals tijdelijke visusstoornissen, paresthesie en tonisch-klonische bewegingen van de ledematen tijdens herstel. Het is van belang dat er procedures zijn ter voorkoming van letsel als gevolg van flauwvallen.

4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Foclivia mag niet gelijktijdig met andere vaccins worden gegeven. Als gelijktijdige toediening van een ander vaccin echter geïndiceerd is, moeten de immunisaties in verschillende ledematen worden uitgevoerd. Men dient erop te letten dat de bijwerkingen dan sterker kunnen zijn.

De immuunrespons kan verlaagd zijn als de patiënt een immuunsuppressiebehandeling ondergaat.

Na influenzavaccinatie kunnen fout-positieve serologietestresultaten worden verkregen bij gebruik van de ELISA-methode voor de detectie van antistoffen tegen humaan immunodeficiëntievirus-1 (HIV-1_, hepatitis C en met name HTLV-1. In dergelijke gevallen is de Western blot methode negatief. Deze tijdelijke fout-positieve uitslagen kunnen worden veroorzaakt door IgM-productie als respons op het vaccin.

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen klinische gegevens voorhanden over gevallen van gebruik van Foclivia tijdens de zwangerschap.

Er zijn echter wel veiligheidsgegevens beschikbaar bij zwangere vrouwen die blootgesteld zijn aan Focetria (een H1N1 pandemisch vaccin vergelijkbaar met Foclivia) dat dezelfde hoeveelheid MF59C.1 bevat als Foclivia. Na het in de handel brengen spontaan gemelde bijwerkingen en een

interventioneel onderzoek suggereren geen directe of indirecte schadelijke effecten van blootstelling aan Focetria op de zwangerschap. Daarnaast toonden twee grote observatie-onderzoeken bedoeld voor het beoordelen van de veiligheid van blootstelling aan Focetria tijdens de zwangerschap geen verhoging van het aantal gevallen van zwangerschapsdiabetes, preeclampsie, abortussen, doodgeboorte, laag geboortegewicht, prematuriteit, neonataal overlijden en aangeboren misvormingen bij bijna

10.000 gevaccineerde zwangere vrouwen en hun nakomelingen, vergeleken met niet-gevaccineerde controles.

Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg moeten de voordelen en mogelijke risico’s afwegen van toediening van Focliviavaccin aan zwangere vrouwen, rekening houdende met officiële aanbevelingen.

Borstvoeding

Het vaccin kan worden gebruikt bij vrouwen die borstvoeding geven.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen vruchtbaarheidsgegevens beschikbaar.

4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Enkele van de in rubriek 4.8 “Bijwerkingen” genoemde effecten kunnen van invloed zijn op de rijvaardigheid en op het vermogen machines te bedienen.

4.8 Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Volwassenen en ouderen (ouder dan 18 jaar)

In de met een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans uitgevoerde klinische onderzoeken bij volwassenen en ouderen (zie rubriek 5.1 voor meer informatie) waren de meeste reacties licht van aard, van korte duur en kwalitatief soortgelijk aan die die werden geïnduceerd door conventionele seizoensinfluenzavaccins. Het wordt breed aanvaard dat het effect van het adjuvans dat leidt tot verhoogde immunogeniciteit is geassocieerd met een iets hogere frequentie van lokale reacties (meestal lichte pijn) vergeleken met conventionele influenzavaccins zonder adjuvans. Er waren minder reacties na de tweede dosis vergeleken met de eerste.

Kinderen en adolescenten van 6 maanden tot 17 jaar:

In een fase II klinisch onderzoek (studie V87P6) werd de veiligheid van een pandemisch H5N1 modelvaccin met adjuvans geëvalueerd bij kinderen en adolescenten (zie rubriek 5.1 voor meer informatie).

Ongeacht de leeftijd was de reactogeniciteit na de eerste dosis hoger dan na de tweede vaccinatie. De reactogeniciteit na een derde dosis, toegediend 12 maanden na de tweede dosis, was hoger dan

zowel na de eerste als na de tweede dosis. Het percentage van de personen die lokale reacties meldden was hoger in de oudere leeftijdsgroepen, voornamelijk ten gevolge van het hogere aantal meldingen van pijn. Bij peuters waren erytheem en gevoeligheid de bij navraag vaakst gemelde lokale reacties; prikkelbaarheid en ongebruikelijk huilen waren de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. Bij kinderen en adolescenten was pijn de bij navraag vaakst gemelde lokale reactie en waren vermoeidheid en hoofdpijn de bij navraag vaakst gemelde systemische reacties. In alle leeftijdsgroepen meldde een laag percentage van de personen koorts. Veiligheidsgegevens na de eerste en tweede dosis bij kinderen en adolescenten met een soortgelijk pandemisch vaccin (Focetria H1N1v) suggereren een veiligheidsprofiel dat vergelijkbaar is met het profiel dat werd gemeld voor de aH5N1 modelvaccin formulering (Foclivia).

De frequentie van de bijwerkingen in klinische onderzoeken en postmarketing surveillance wordt hieronder gemeld.

Klinische onderzoeken

Bijwerkingen in klinische onderzoeken bij volwassenen (ouder dan 18 jaar) en ouderen

De incidentie van bijwerkingen is geëvalueerd in vier klinische onderzoeken met verschillende influenzastammen en formuleringen (H5N3, H9N2 en H5N1); er werden 3696 volwassenen en ouderen gevaccineerd. Van deze personen werd bij 3618 personen het modelvaccin Foclivia (A/H5N1) toegediend (zie rubriek 5.1).

Bijwerkingen in klinische onderzoeken met het modelvaccin Foclivia staan hieronder vermeld

De incidentie van symptomen die zijn waargenomen bij personen ouder dan 60 jaar was lager dan die bij de populatie van 18-60 jaar.

Binnen iedere frequentiegroep worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende ernst:

Zenuwstelselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): hoofdpijn

Huid- en onderhuidaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): zweten

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Vaak (>1/100, <1/10): artralgie en myalgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Vaak (>1/100, <1/10): roodheid op de injectieplaats, zwelling van de injectieplaats, verharding van de injectieplaats, ecchymose op de injectieplaats en pijn aan de injectieplaats, koorts, malaise, vermoeidheid en beven

De meerderheid van deze reacties verdwijnt doorgaans binnen 1-2 dagen zonder behandeling.

Bijwerkingen in klinische onderzoeken bij kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar

Er werd een klinisch onderzoek uitgevoerd (studie V87P6) met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans (n =334) tegenover een vaccin tegen seizoensinfluenza (n=137).

 

Eerste dosis

 

Tweede dosis

 

Derde dosis

 

 

 

(21 dagen na eerste

 

(12 maanden na

 

 

 

dosis)

 

tweede dosis)

 

 

H5N1 geadjuveerd vaccin

 

Peuters (6-<36 maanden)

N=145

 

N=138

 

N=124

Enige

76%

 

68%

 

80%

Lokaal

47%

 

46%

 

60%

Systemisch

59%

 

51%

 

54%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

0%

 

0%

 

0%

Andere bijwerking

54%

 

49%

 

35%

Kinderen (3-<9 jaar)

N=96

 

N=93

 

N=85

Enige

72%

 

68%

 

79%

Lokaal

66%

 

58%

 

74%

Systemisch

32%

 

33%

 

45%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

4%

 

2%

 

6%

Andere bijwerking

36%

 

31%

 

19%

Adolescenten (9-<18 jaar)

N=93

 

N=91

 

N=83

Enige

91%

 

82%

 

89%

Lokaal

81%

 

70%

 

81%

Systemisch

69%

 

52%

 

69%

Koorts ≥ 38°C (≥ 40°C)

0%

 

1%

 

2%

Andere bijwerking

30%

 

27%

 

22%

Focetria (H1N1v)

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 77 kinderen van 3-8 jaar en 80 kinderen en adolescenten van 9-17 jaar die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Kinderen (3 tot 8 jaar)

N= 77

N= 75

Elke bijwerking

74%

69%

Lokaal

62%

56%

Systemisch

39%

35%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

4%

1%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

0%

1%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

14%

17%

Adolescenten (9 tot 17jaar)

N= 80

N= 79

Elke bijwerking

79%

66%

Lokaal

70%

58%

Systemisch

45%

30%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

3%

1%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

0%

0%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

13%

10%

 

 

Gegevens bij kinderen en adolescenten van 3-17 jaar suggereren een geringe daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder stijging van het aantal gevallen van koorts.

Zeer vaak optredende reacties gemeld bij kinderen en adolescenten van 3 tot 17 jaar: Pijn, induratie en erytheem, malaise, myalgie, hoofdpijn en vermoeidheid.

In de week na vaccinatie met Focetria H1N1v werden bij 73 zuigelingen van 6-11 maanden

en 73 peuters van 12-35 maanden die de 7,5 µg formulering kregen de volgende bijwerkingen gemeld:

 

Injectie 1

Injectie 2

Zuigelingen (6 tot 11 maanden)

N= 73

N= 68

Elke bijwerking

79%

65%

Lokaal

44%

26%

Systemisch

70%

56%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

11%

9%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

3%

4%

Koorts ≥ 40 °C

0%

0%

Elke andere bijwerking

32%

31%

Peuters (12 tot 35 maanden)

N= 73

N= 71

Elke bijwerking

70%

71%

Lokaal

51%

49%

Systemisch

60%

49%

Koorts ≥ 38 °C tot 38,9 °C

10%

11%

Koorts 39 °C tot 39,9 °C

4%

1%

Koorts ≥ 40 °C

1%

0%

Elke andere bijwerking

21%

24%

Gegevens bij zuigelingen en peuters van 6-35 maanden suggereren een lichte daling van de reactogeniciteit na de tweede dosis, zonder toename van het aantal koortsgevallen.

Zeer vaak optredende reacties die werden gemeld bij 146 zuigelingen en peuters van 6 tot 35 maanden:

Gevoeligheid, erytheem, prikkelbaarheid, ongebruikelijk huilen, slaperigheid, diarree, braken en verandering in eetgewoonten. Induratie en ecchymose waren zeer vaak optredende reacties bij kleutrs maar kwamen minder voor bij zuigelingen.

Post-marketing bewaking

Naast de bijwerkingen gemeld in de klinische onderzoeken zijn de volgende bijwerkingen gemeld tijdens post-marketing-ervaring met Focetria H1N1v:

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

Lymfadenopathie

Hartaandoeningen

Palpitatie, tachycardie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Asthenie

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Spierzwakte, pijn in de extremiteiten

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Hoest

Huid- en onderhuidaandoeningen

Gegeneraliseerde huidreacties waaronder pruritus, urticaria en niet-specifieke huiduitslag; angio-oedeem

Maagdarmstelselaandoeningen

Maagdarmstelselaandoeningen zoals misselijkheid, braken, buikpijn en diarree

Zenuwstelselaandoeningen

Hoofdpijn, duizeligheid, slaperigheid, syncope. Neurologische aandoeningen zoals neuralgie, paresthesie, convulsies en neuritis.

Immuunsysteemaandoeningen

Allergische reacties, anafylaxie waaronder dyspneu, bronchospasme, larynx-oedeem, in zeldzame gevallen leidend tot shock.

Op basis van post-marketing bewaking van interpandemische trivalente vaccins met adjuvans, met een vergelijkbare samenstelling als Foclivia (een H1N1 pandemisch vaccin met MF59.1 als adjuvans), zijn de volgende aanvullende bijwerkingen gemeld:

Zelden (>1/10.000, <1/1.000):

Trombocytopenie (sommige zeer zelden voorkomende gevallen waren ernstig, met een aantal bloedplaatjes van minder dan 5.000 per mm3).

Zeer zelden (<1/10.000):

Vasculitis met voorbijgaande nieraandoeningen en exudatief erythema multiforme. Neurologische aandoeningen, zoals encefalomyelitis, neuritis en guillain-barrésyndroom.

Bijwerking(en) uit post-marketing bewaking van het pandemisch vaccin: niet van toepassing.

Dit geneesmiddel bevat thiomersal (een organische kwikverbinding) als conserveermiddel, daarom kunnen mogelijk sensibilisatiereacties optreden (zie rubriek 4.4).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9 Overdosering

Er zijn geen gevallen van overdosering gemeld.

5. FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: influenzavaccin, ATC-code: J07BB02

In dit gedeelte wordt de klinische ervaring beschreven met de H5N1 modelvaccins na toediening van twee doses van 7,5 microgram.

Modelvaccins bevatten influenza-antigenen die verschillen van die van de momenteel circulerende influenzavirussen. Deze antigenen kunnen worden beschouwd als ‘nieuwe’ antigenen. Hiermee wordt een situatie gesimuleerd waarin de doelpopulatie voor de vaccinatie immunologisch naïef is. De gegevens die met een modelvaccin worden verkregen, zullen een vaccinatiestrategie ondersteunen die waarschijnlijk gebruikt gaat worden voor het pandemisch vaccin: gegevens over de klinische werkzaamheid en veiligheid die worden verkregen met modelvaccins zijn relevant voor de pandemische vaccins.

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Er werd een fase II klinisch onderzoek (studie V87P1) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 312 gezonde volwassenen. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N1-stam (A/Vietnam/1194/2004; 7,5 µg haemoagglutinine (HA)/ dosis met adjuvans) toegediend aan 156 personen.

In een ander klinisch onderzoek (fase III) (studie V87P13) werden 2693 gezonde volwassenen geïncludeerd en zij kregen twee keer een dosis vaccin met H5N1 (A/Vietnam/1194/2004;

7,5 µgHA/geadjuveerde dosis) toegediend met een interval van drie weken. De immunogeniciteit werd beoordeeld bij een subset (n=197) van de studiepopulatie.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam/1194/2004 bij de volwassenen gemeten door Single Radial Haemolysis (SRH) waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=149

N=197

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

85% (79-91)

91% (87-95)

Serumconversiepercentage (95%CI)*

85% (78-90)

78% (72-84)

Serumconversiefactor (95%CI)**

7,74 (6,6-9,07)

4,03 (3,54-4,59)

 

 

 

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=69

N=128

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

87% (77-94)

94% (88-97)

Serumconversiepercentage (95%CI)*

87% (77-94)

73% (65-81)

Serumconversiefactor (95%CI)**

8,87 (7,09-11)

2,71 (2,38-3,08)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

Microneutralisatie (MN)-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 67% (60-74) tot 85% (78-90) en 65% (58-72) tot 83% (77-89). De immuunrespons op de vaccinatie die met een MN-assay is geëvalueerd, is in overeenstemming met de resultaten verkregen met SRH.

De persistentie van antistoffen na primaire vaccinatie werd in deze populatie geëvalueerd door haemagglutinatieremming (HI), SRH- en MN-assays. In vergelijking met het niveau antistoffen verkregen op dag 43 na voltooiing van de primaire vaccinatieschema’s, waren de antistofniveaus op dag 202 met 1/5 tot ½ gereduceerd ten opzichte van hun vorige niveaus.

Ouderen (> 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 bij personen ouder dan 60 jaar (een beperkt aantal personen was ouder dan 70 jaar) gemeten door de SRH-assay in twee klinische studies waren als volgt:

 

Studie V87P1

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=84

N=210

Serumprotectiepercentage

80% (70-88)

82% (76-87)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

70% (59-80)

63% (56-69)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

4,96 (3,87-6,37)

2,9 (2,53-3,31)

 

 

 

Studie V87P13

Studie V87P13

Anti-HA antistof (SRH)

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

N=66

N=143

Uitgangswaarde serumstatus

< 4 mm2

≥ 4 mm2

Serumprotectiepercentage

82% (70-90)

82% (75-88)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiepercentage

82% (70-90)

54% (45-62)

(95%CI)*

 

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

8.58 (6.57-11)

1.91 (1.72-2.12)

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 tonen een serumprotectie- en serumconversiepercentage aan dat respectievelijk varieert van 57% (50-64) tot 79% (68-87) en 55% (48-62) tot 58% (47-69). De MN-resultaten waren vergelijkbaar met de SHR-resultaten en toonden een sterke immuunrespons na voltooiing van de primaire vaccinatiereeks bij een populatie van ouderen.

HI-, SRH- en MN-tests toonden aan dat persistentie van antistoffen na de eerste vaccinatie bij deze populatie op dag 202 was gedaald van ½ tot 1/5e van hun post-vaccinatie-niveau in vergelijking met dag 43 na de afronding van de primaire schema's. Tot 50% van de ouderen geïmmuniseerd met H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C was serumbeschermd na zes maanden.

Boosterdosis

Een derde (booster) dosis H5N1 vaccin gecombineerd met MF59C, werd 6 maanden na de primaire vaccinatiereeks toegediend. De resultaten van de SRH-test worden hieronder weergegeven.

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/Vietnam 1194/2004 gemeten door middel van de SRH-test waren als volgt:

 

Studie V87P1 Volwassenen

Studie V87P1 Ouderen

 

booster (6 maanden na 2de dosis)

booster (6 maanden na 2de dosis)

SRH

N=71

N=38

Serumprotectie-percentage

89% (79-95)

84% (69-94)

(95%CI)*

 

 

Serumconversie-percentage

83% (72-91)

63% (46-78)

(95%CI)*

 

 

Serumconversie-factor

5,96 (4,72-7,53)

5,15 (3,46-7,66)

(95%CI)**

 

 

*gemeten met SRH-assay ≥ 25 mm²

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH

De ervaring met een boosterdosis bij ouderen is beperkt.

Ondersteunende gegevens voor populaties van volwassenen en ouderen

In twee dosisbepalende studies kregen 78 volwassenen een adjuvans modelvaccin (H5N3 of H9N2) toegediend. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis vaccin met de H5N3-stam (A/Duck/Singapore/97) toegediend in drie verschillende doseringen (7,5; 15 en 30 µg HA/dosis).

De serummonsters werden getest tegen de oorspronkelijke H5N3-stam en tegen een aantal H5N1-isolaten. De serologische responsen die werden verkregen met de SRH-assay lieten zien dat 100% van de proefpersonen serumprotectie bereikte, en 100% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had. Het H5N3-vaccin met MF59C.1-adjuvans induceerde ook antistoffen die kruisbescherming gaven tegen de H5N1-stammen uit 1997, en bovendien ook tegen de H5N1-stammen die in 2003 en 2004 werden geïsoleerd en die enige antigene drift vertonen ten opzichte van de oorspronkelijke stammen.

Tweemaal, met een interval van vier weken, werd een dosis vaccin met de H9N2-stam (A/chicken/Hong Kong/G9/97) toegediend in vier verschillende doseringen (3,75; 7,5; 15 en 30 μg HA/dosis). De serologische responsen die werden verkregen met de HI-assay lieten zien dat 92% van de proefpersonen serumprotectie bereikte en 75% na twee injecties met 7,5 g serumconversie had.

Kruisreactiviteit

Volwassenen (in de leeftijd van 18 tot 60 jaar)

Het serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij volwassenen in de leeftijd van 18 tot 60 jaar, gemeten door de SRH- en HI-assay waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=70

N=197

SRH

Serumprotectiepercentage (95%CI)*

70% (58-80)

59% (52-66)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)*

NA***

49% (42-56)

 

Serumconversiefactor (95%CI)**

NA***

2.37 (2,1-2,67)

 

 

N=69

N=197

HI

Serumprotectiepercentage (95%CI)°

36%(25-49)

23% (18-30)

 

Serumconversiepercentage (95%CI)°

NA***

19% (14-25)

 

Serumconversiefactor (95%CI)°°

NA***

1,92 (1,64-2,25)

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel tonen een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 27% (17-39) (V87P1) tot 39% (32-46) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 36% (29-43) voor de studie V87P13. MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2.77 (2,4-3,2) aan.

Ouderen (>60 jaar)

Serumprotectiepercentage*, serumconversiepercentage* en de serumconversiefactor** voor anti-HA antistoffen tegen H5N1 A/turkey/Turkey/05 na de 2de dosis bij ouderen > 60 jaar, gemeten door SRH- en HI-assays waren als volgt:

 

Anti-HA antistof

Studie V87P1

Studie V87P13

 

 

21 dagen na 2de dosis

21 dagen na 2de dosis

 

 

N=37

N=207

 

 

 

 

SRH

Serumprotectiepercentage

57% (39-73)

20% (18-23)

 

(95%CI)*

 

 

 

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

NA***

48% (41-55)

 

(95%CI)*

 

 

 

Serumconversiefactor

NA***

1,74 (1,57-1,94)

 

(95%CI)**

 

 

 

 

N=36

N=208

 

 

 

 

HI

Serumprotectiepercentage

36%(21-54)

25% (19-32)

 

(95%CI)°

 

 

 

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

NA***

19% (14-25)

 

(95%CI)°

 

 

 

Serumconversiefactor

NA***

1,79 (1,56-2,06)

 

(95%CI)°°

 

 

*gemeten door SRH-assay ≥ 25 mm2

**geometrisch gemiddelde verhoudingen van SRH ° gemeten door HI-assay ≥ 40

°° geometrisch gemiddelde verhoudingen van HI

***In V87P1: uitgangswaarde niet getest

De MN-resultaten voor de klinische onderzoeken in de bovenstaande tabel toonden een serumprotectiepercentage tegen A/turkey/Turkey/05 aan variërend van 11% (3-25) (V87P1) tot 30% (24-37) (V87P13) en een serumconversiepercentage van 25% (19-31) voor de studie V87P13.

De MN-resultaten in V87P13 gaven een GMR tegen A/turkey/Turkey/05 van 2,01 (1,78-2,26) aan.

Gegevens in pediatrische populaties

Er werd een klinisch onderzoek (Studie V87P6) uitgevoerd met een H5N1-vaccin gecombineerd met MF59C.1-adjuvans bij 471 kinderen in de leeftijd van 6 maanden tot 17 jaar. Tweemaal, met een interval van drie weken, werd een dosis van 7,5 microgram toegediend gevolgd door een derde

dosis 12 maanden na de eerste dosis. Drie weken na de 2de vaccinatie (dag 43). bereikten alle groepen (d.w.z. in de leeftijd van 6-35 maanden, 3-8 jaar en 9-17 jaar) hoge niveaus antistoffen tegen (A/Vietnam/1194/2004) zoals geëvalueerd met SRH- en HI-assays zoals wordt weergegeven in de onderstaande tabel*. Bij dit onderzoek werden geen ernstige bijwerkingen gerelateerd aan het vaccin vastgesteld.

 

 

Peuters

Kinderen (3-<9 jaar)

Adolescenten

 

 

(6-<36 maanden)

 

(9-<18 jaar)

 

 

N=134

N=91

N=89

 

Serumprotectiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

Serumconversiefactor

HI (95% CI)

(109-151)

(97-142)

(51-88)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

97%

97%

89%

 

(95% CI)

(92-99)

(91-99)

(80-94)

 

Dag 43

 

 

 

 

 

N=133

N=91

N=90

 

Serumprotectiepercentage

100%

100%

100%

 

(95% CI)

(97-100)

(96-100)

(96-100)

 

Dag 43

 

 

 

SRHSerumconversiefactor

 

(95% CI)

(14-18)

(13-17)

(12-16)

 

Dag 43 tot dag 1

 

 

 

 

Serumconversiepercentage

98%

100%

99%

 

(95% CI)

(95-100)

(96-100)

(94-100)

 

Dag 43

 

 

 

* Aangezien er geen CHMP-immunogeniciteitscriteria zijn voor kinderen, zijn de CHMP-immunogeniciteitscriteria die voor de evaluatie van vaccins tegen seizoensgriep bij volwassenen worden gebruikt, toegepast op de serologische gegevens die zijn verzameld na de vaccinatie van kinderen. De relevantie voor de klinische bescherming is echter niet bekend.

De MN-resultaten tegen A/Vietnam/1194/2004 geven een serumprotectiepercentage van 99% aan (95% CI: 94-100), een serumconversiepercentage van 97% (95% CI: 91-99) tot 99% (95% CI: 96-100) en een GMR van 29 (95% CI: 25-35) tot 50 (95% CI: 44-58).

Immunogeniciteitsresultaten met Focetria H1N1v (studie V111_03):

Het serumprotectiepercentage en het serumconversiepercentage gemeten door de HI-assay en de serumconversiefactor, uitgedrukt als geometrisch gemiddelde van HI voor anti-HA antistof voor H1N1 na toediening van een en twee 7,5 µg doses Focetria werd bepaald bij 70 kinderen en adolescenten (9-17 jaar), 60 kinderen (3-8 jaar), 58 kinderen (12-35 maanden) en 49 zuigelingen (6-11 maanden). In alle bovengenoemde leeftijdsgroepen (zowel in de totale populatie als in de subset seronegatief op de baseline) werd aan de CHMP immunogeniciteitscriteria voor volwassenen

(18-60 jaar) voldaan, zowel na de 1e als de 2e dosis.

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Foclivia in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten met betrekking tot actieve immunisatie tegen het H5N1-subtype van het influenza A-virus (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

Foclivia is geregistreerd onder ‘uitzonderlijke omstandigheden’.

Dit betekent dat om wetenschappelijke redenen het niet mogelijk was om volledige informatie over dit geneesmiddel te verkrijgen. Het Europees Geneesmiddelenbureau zal alle nieuwe informatie die beschikbaar kan komen, ieder jaar beoordelen en zo nodig deze SPC aanpassen.

5.2 Farmacokinetische eigenschappen

Niet van toepassing.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens verkregen met Foclivia en met seizoensinfluenzavaccin dat MF59C.1 als adjuvans bevat duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van herhaalde dosistoxiciteit, lokale verdraagbaarheid, vruchtbaarheid bij vrouwen en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit (tot en met het eind van de borstvoedingsperiode).

6. FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Natriumchloride,

Kaliumchloride,

Kaliumdiwaterstoffosfaat,

Dinatriumfosfaat-dihydraat,

Magnesiumchloride-hexahydraat,

Calciumchloride-dihydraat,

Natriumcitraat,

Citroenzuur,

Thiomersal,

Water voor injecties.

Zie voor het adjuvans rubriek 2.

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3 Houdbaarheid

1 jaar.

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking

5,0 ml in injectieflacon met 10 doses (type I-glas) met stop (halobutylrubber). Verpakkingen van 10 stuks.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Laat het vaccin op kamertemperatuur komen alvorens het te gebruiken. Voorzichtig schudden voor gebruik. Voer voorafgaand aan toediening een visuele inspectie van de suspensie uit. Als sprake is van deeltjes en/of een abnormaal uiterlijk moet het vaccin worden afgevoerd.

Schud de flacon voor meerdere doses voorzichtig telkens voordat u een dosis van het vaccin (0,5 ml) optrekt in een spuit. Voorafgaand aan toediening moet het opgetrokken vaccin op kamertemperatuur kunnen komen. Hoewel Foclivia in flacons voor meerdere doses een conserveermiddel bevat dat microbiële groei remt, is het zoveel mogelijk beperken van het risico op contaminatie van de flacon voor meerdere doses tijdens het optrekken van elke dosis de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Noteer op het flacon-etiket datum en tijd van het voor het eerst optrekken van de dosis.

Koel tussen de gebruiksmomenten door de flacon voor meerdere doses weer af tot de aanbevolen bewaartemperatuur tussen 2 ºC en 8 ºC. De flacon voor meerdere doses moet bij voorkeur binnen 24 uur na het voor het eerst optrekken worden gebruikt.

Er zijn gegevens beschikbaar die suggereren dat de flacon voor meerdere doses kan worden gebruikt gedurende maximaal 72 uur na het voor het eerst optrekken, hoewel dergelijke langdurige bewaarperioden niet de voorkeur hebben.

Al het ongebruikte vaccin of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7. HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Seqirus S.r.l.

Via Fiorentina, 1

Siena

Italië

8. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/09/577/004

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 19 oktober 2009

Datum van laatste verlenging: 19 oktober 2014

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu/).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld