Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Incresync (alogliptin / pioglitazone) – Samenvatting van de productkenmerken - A10BD09

Updated on site: 08-Oct-2017

Naam van geneesmiddelIncresync
ATC codeA10BD09
Werkzame stofalogliptin / pioglitazone
ProducentTakeda Pharma A/S

Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Incresync 12,5 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Incresync 12,5 mg/45 mg filmomhulde tabletten

Incresync 25 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Incresync 25 mg/45 mg filmomhulde tabletten

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Incresync 12,5 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Elke tablet bevat alogliptinebenzoaat en pioglitazonhydrochloride, overeenkomend met 12,5 mg alogliptine en 30 mg pioglitazon.

Hulpstof(fen) met bekend effect:

Elke tablet bevat 121 mg lactose (als monohydraat).

Incresync 12,5 mg/45 mg filmomhulde tabletten

Elke tablet bevat alogliptinebenzoaat en pioglitazonhydrochloride, overeenkomend met 12,5 mg alogliptine en 45 mg pioglitazon.

Hulpstof(fen) met bekend effect:

Elke tablet bevat 105 mg lactose (als monohydraat).

Incresync 25 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Elke tablet bevat alogliptinebenzoaat en pioglitazonhydrochloride, overeenkomend met 25 mg alogliptine en 30 mg pioglitazon.

Hulpstof(fen) met bekend effect:

Elke tablet bevat 121 mg lactose (als monohydraat).

Incresync 25 mg/45 mg filmomhulde tabletten

Elke tablet bevat alogliptinebenzoaat en pioglitazonhydrochloride, overeenkomend met 25 mg alogliptine en 45 mg pioglitazon.

Hulpstof(fen) met bekend effect:

Elke tablet bevat 105 mg lactose (als monohydraat).

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Filmomhulde tablet (tablet).

Incresync 12,5 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Licht-perzikkleurige, ronde (diameter ongeveer 8,7 mm), biconvexe, filmomhulde tabletten met op één kant in rode inkt “A/P” en “12.5/30” gedrukt.

Incresync 12,5 mg/45 mg filmomhulde tabletten

Lichtrode, ronde (diameter ongeveer 8,7 mm), biconvexe, filmomhulde tabletten met op één kant in rode inkt “A/P” en “12.5/45” gedrukt.

Incresync 25 mg/30 mg filmomhulde tabletten

Perzikkleurige, ronde (diameter ongeveer 8,7 mm), biconvexe, filmomhulde tabletten met op één kant in grijze inkt “A/P” en “25/30” gedrukt.

Incresync 25 mg/45 mg filmomhulde tabletten

Rode, ronde (diameter ongeveer 8,7 mm), biconvexe, filmomhulde tabletten met op één kant in grijze inkt “A/P” en “25/45” gedrukt.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Incresync is geïndiceerd voor gebruik als tweede- of derdelijnsbehandeling bij volwassen patiënten met diabetes mellitus type 2 die 18 jaar en ouder zijn:

als aanvulling op een dieet en lichaamsbeweging, om de glykemische controle te verbeteren bij volwassen patiënten (vooral patiënten met overgewicht) die onvoldoende controle bereiken met alleen pioglitazon, en voor wie metformine niet geschikt is wegens contra-indicaties of intolerantie.

in combinatie met metformine (d.w.z. triple combinatietherapie) als aanvulling op een dieet en lichaamsbeweging, om de glykemische controle te verbeteren bij volwassen patiënten (vooral patiënten met overgewicht) die onvoldoende controle bereiken met hun maximale verdraagbare dosering van metformine en pioglitazon.

Daarnaast kan Incresync worden gebruikt om afzonderlijke tabletten alogliptine en pioglitazon te vervangen bij patiënten met diabetes mellitus type 2 die 18 jaar en ouder zijn die al met deze combinatie worden behandeld.

Na het opstarten van de behandeling met Incresync moeten patiënten na 3 tot 6 maanden worden onderzocht, om te beoordelen of er goed op de behandeling wordt gereageerd (d.w.z. afname van HbA1c). Bij patiënten die geen adequate respons op de behandeling vertonen, moet Incresync worden stopgezet. Gezien de potentiële risico's van langdurige behandeling met pioglitazon dienen voorschrijvers tijdens volgende routineonderzoeken te bevestigen dat het voordeel van Incresync nog steeds aanwezig is (zie rubriek 4.4).

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

Voor de verschillende doseringsschema’s is Incresync beschikbaar in sterktes van 25 mg/30 mg, 25 mg/45 mg, 12,5 mg/30 mg en 12,5 mg/45 mg filmomhulde tabletten.

Volwassenen (≥ 18 jaar)

De dosis Incresync moet voor elke patiënt afzonderlijk worden vastgesteld, op basis van het huidige behandelschema van de patiënt.

Voor patiënten die intolerant zijn voor metformine of voor wie metformine gecontra-indiceerd is en die onvoldoende controle bereiken met enkel pioglitazon is de aanbevolen dosis Incresync 1 tablet van 25 mg/30 mg of 25 mg/45 mg eenmaal daags, afhankelijk van de dosis pioglitazon die reeds werd ingenomen.

Voor patiënten die onvoldoende controle bereiken met tweevoudige therapie met pioglitazon en een maximale verdragen dosis metformine dient de dosering van metformine te worden aangehouden en

Incresync tegelijkertijd te worden toegediend. De aanbevolen dosering is 25 mg/30 mg of 25 mg/45 mg eenmaal daags, afhankelijk van de dosis pioglitazon die reeds werd ingenomen.

Voorzichtigheid dient in acht genomen te worden wanneer alogliptine wordt gebruikt in combinatie met metformine en een thiazolidinedion omdat een verhoogd risico op hypoglykemie is waargenomen bij deze triple therapie (zie rubriek 4.4). Een lagere dosis van het thiazolidinedion of metformine kan overwogen worden in geval van hypoglykemie.

Voor patiënten die overschakelen van afzonderlijke tabletten alogliptine en pioglitazon dient de dosering van zowel alogliptine als pioglitazon dezelfde te zijn als de dagelijkse doses die reeds werden ingenomen.

De maximale aanbevolen dagelijkse dosis van 25 mg alogliptine en 45 mg pioglitazon dient niet te worden overschreden.

Specifieke populaties

Ouderen (≥ 65 jaar)

Er is geen dosisaanpassing nodig op basis van leeftijd (zie rubriek 4.4). Echter, alogliptine dient voorzichtig gedoseerd te worden aan patiënten met een hoge leeftijd wegens de mogelijk verlaagde nierfunctie bij deze bevolkingsgroep.

Nierfunctiestoornis

Voor patiënten met een lichte nierfunctiestoornis (creatinineklaring > 50 tot ≤ 80 ml/min) hoeft de dosis Incresync niet te worden aangepast (zie rubriek 5.2).

Voor patiënten met een matige nierfunctiestoornis (creatinineklaring ≥ 30 tot ≤ 50 ml/min) dient de helft van de aanbevolen dosis alogliptine te worden toegediend. Eén tablet 12,5 mg/30 mg of

12,5 mg/45 mg eenmaal daags, afhankelijk van de dosis pioglitazon die reeds werd ingenomen, wordt daarom aanbevolen bij patiënten met een matige nierfunctiestoornis (zie rubriek 5.2).

Incresync wordt niet aanbevolen voor patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min) of met nierziekte in het laatste stadium die moeten worden gedialyseerd.

Een goede beoordeling van de nierfunctie wordt aanbevolen voordat de behandeling met Incresync wordt gestart en op regelmatige tijdstippen nadien (zie rubriek 4.4).

Leverfunctiestoornis

Incresync mag niet worden gebruikt bij patiënten met een leverfunctiestoornis (zie rubriek 4.3, 4.4 en 5.2).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van Incresync bij kinderen en jongeren < 18 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

Wijze van toediening

Oraal gebruik.

Incresync dient eenmaal daags, met of zonder voedsel te worden ingenomen. De tabletten moeten in hun geheel met water worden doorgeslikt.

Indien een dosis vergeten wordt, moet die worden ingenomen zodra de patiënt eraan denkt. Er mag niet op dezelfde dag een dubbele dosis worden ingenomen.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of een voorgeschiedenis van een ernstige overgevoeligheidsreactie, waaronder een anafylactische reactie, anafylactische shock en angio-oedeem, op om het even welke dipeptidyl-peptidase-4 (DPP-4)-remmer (zie rubriek 4.4 en 4.8)

Hartfalen of een voorgeschiedenis met hartfalen (NYHA-klassen I tot IV, zie rubriek 4.4)

Leverfunctiestoornis (zie rubriek 4.4)

Diabetische ketoacidose

Op dit moment aanwezige blaaskanker of een voorgeschiedenis met blaaskanker (zie rubriek 4.4)

Niet-onderzochte macroscopische hematurie (zie rubriek 4.4).

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Algemeen

Incresync mag niet worden gebruikt bij patiënten met diabetes mellitus type 1. Incresync is geen vervangmiddel voor insuline bij patiënten die insuline nodig hebben.

Vochtretentie en hartfalen

Pioglitazon kan vochtretentie veroorzaken, wat hartfalen kan verergeren of versnellen. Wanneer artsen patiënten behandelen met minimaal één risicofactor voor het ontwikkelen van congestief hartfalen (bijv. voorafgaand myocardinfarct of symptomatische coronaire hartziekte, of oudere patiënten) moeten zij de behandeling met pioglitazon starten met de laagste beschikbare dosis en de dosis geleidelijk verhogen. Patiënten dienen te worden geobserveerd ter controle op tekenen en symptomen van hartfalen, gewichtstoename of oedeem; dit geldt vooral voor patiënten met een verminderde hartreserve. In de postmarketingfase werden er gevallen gemeld van hartfalen bij gebruik van pioglitazon in combinatie met insuline, of bij patiënten met een voorgeschiedenis met hartfalen. Patiënten dienen te worden geobserveerd op tekenen en symptomen van hartfalen, gewichtstoename en oedeem wanneer pioglitazon in combinatie met insuline wordt gebruikt. Aangezien pioglitazon en insuline beide worden geassocieerd met vochtretentie kan gelijktijdige toediening het risico op oedeem verhogen. Bij patiënten die gelijktijdig pioglitazon en NSAID's, waaronder selectieve COX-2-remmers, gebruikten, zijn postmarketing ook voorvallen gemeld van perifeer oedeem en hartfalen. Incresync dient te worden gestopt als er achteruitgang van de hartstatus optreedt.

Er is een onderzoek uitgevoerd met pioglitazon naar de cardiovasculaire gevolgen bij patiënten jonger dan 75 jaar met diabetes mellitus type 2 en een vooraf aanwezige belangrijke macrovasculaire aandoening. Pioglitazon of een placebo werd gedurende maximaal 3,5 jaar toegevoegd aan bestaande antidiabetica en cardiovasculaire therapie. Dit onderzoek toonde een stijging van het aantal meldingen van hartfalen, maar dat leidde in dit onderzoek niet tot een stijging van de mortaliteit.

Oudere patiënten

Gezien de leeftijdsgebonden risico's (vooral blaaskanker, breuken en hartfalen, geassocieerd met de pioglitazon-component) dienen de voordelen en risico's bij oudere patiënten zorgvuldig tegen elkaar te worden afgewogen, zowel vóór als tijdens de behandeling met Incresync.

Blaaskanker

In een meta-analyse van gecontroleerde klinische studies met pioglitazon werd blaaskanker vaker gemeld (19 gevallen onder 12.506 patiënten; 0,15%) dan in de controlegroep (7 gevallen onder 10.212 patiënten; 0,07%), HR = 2,64 (95% BI 1,11-6,31; p = 0,029). Na uitsluiting van de patiënten

die, ten tijde van de diagnose van blaaskanker, minder dan één jaar aan het geneesmiddel waren blootgesteld, bleven er nog 7 gevallen (0,06%) in de pioglitazongroep en 2 gevallen (0,02%) in de controlegroep over. Epidemiologische studies wezen ook op een licht verhoogd risico op blaaskanker bij diabetici die werden behandeld werden met pioglitazon, pioglitazone, hoewel niet uit alle studies een statistisch significant verhoogd risico bleek.

De risicofactoren voor blaaskanker dienen te worden beoordeeld voordat een behandeling met Incresync wordt gestart (risico's zijn onder andere leeftijd, roken of gerookt hebben, blootstelling aan een aantal beroepsgerelateerde of chemotherapeutische middelen, bijvoorbeeld cyclofosfamide of eerdere bestralingstherapie in het bekkengebied). Elke macroscopische hematurie dient vóór het starten van de therapie te worden onderzocht.

Patiënten dienen het advies te krijgen om direct medische hulp van hun arts in te roepen als tijdens de behandeling macroscopische hematurie of andere symptomen, zoals dysurie of mictiedrang ontstaan.

Controle van de leverfunctie

Uit ervaring met pioglitazon na het op de markt te brengen, zijn er zeldzame meldingen geweest van hepatocellulaire dysfunctie (zie rubriek 4.8). Voor alogliptine werden er, na het op de markt brengen, meldingen ontvangen van leverfunctiestoornissen, waaronder leverfalen. Het wordt daarom aanbevolen om bij patiënten die worden behandeld met Incresync periodiek de leverenzymen te controleren. De leverenzymen dienen bij alle patiënten vóór het starten van de therapie te worden gecontroleerd. De therapie met Incresync mag niet worden gestart bij patiënten met verhoogde leverenzymwaarden in de uitgangssituatie (ALAT > 2,5 x ULN; ULN: upper limit of normal) of met elke andere aanwijzing van een leverziekte.

Na het opstarten van de therapie met Incresync wordt aanbevolen om de leverenzymen regelmatig te controleren, op basis van klinisch oordeel. Als tijdens de therapie de ALAT-spiegels tot 3 x ULN zijn gestegen, dienen de leverenzymwaarden zo snel mogelijk opnieuw te worden beoordeeld. Als de ALAT-spiegels > 3 x ULN blijven, dient de therapie te worden gestopt. Als een patiënt symptomen ontwikkelt die wijzen op leverdysfunctie, waaronder onverklaarde misselijkheid, braken, abdominale pijn, vermoeidheid, anorexie en/of donkergekleurde urine, dienen de leverenzymen te worden gecontroleerd. De beslissing of de patiënt de behandeling met Incresync kan voortzetten, dient te worden genomen op basis van klinisch oordeel, in afwachting van de beoordeling van de uitslagen van laboratoriumonderzoek. Indien geelzucht wordt waargenomen dient te worden gestopt met het geneesmiddel.

Nierfunctiestoornis

Omdat dosisaanpassing van alogliptine nodig is bij patiënten met een matige of ernstige nierfunctiestoornis of met nierziekte in het laatste stadium die gedialyseerd moeten worden, wordt een goede evaluatie van de nierfunctie aanbevolen vóór aanvang van de behandeling met Incresync en regelmatig nadien (zie rubriek 4.2).

Incresync wordt niet aanbevolen voor patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of met nierziekte in het laatste stadium die moeten worden gedialyseerd. Er is geen informatie beschikbaar over het gebruik van pioglitazon en alogliptine bij patiënten die worden gedialyseerd. Daarom dienen alogliptine en pioglitazon bij deze patiënten niet gelijktijdig te worden toegediend (zie rubriek 4.2 en 5.2).

Gewichtstoename

In het klinisch onderzoek met pioglitazon werd dosisgerelateerde gewichtstoename aangetoond, die mogelijk is toe te schrijven aan vetophoping en in sommige gevallen geassocieerd is met vochtretentie. In sommige gevallen kan gewichtstoename een symptoom van hartfalen zijn. Daarom dient het gewicht nauwlettend te worden gecontroleerd. Een deel van de behandeling van diabetes

bestaat uit dieetafstemming. Patiënten dienen het advies te krijgen om zich strikt aan een dieet met een gecontroleerd aantal calorieën te houden.

Hematologie

Er waren tijdens de behandeling met pioglitazon lichte afnames van de gemiddelde hemoglobinewaarde (relatieve afname 4%) en van de gemiddelde hematocrietwaarde (relatieve afname 4,1%), die consistent waren met hemodilutie. Gelijksoortige veranderingen werden waargenomen bij patiënten die werden behandeld met metformine (relatieve afname hemoglobine 3-4% en hematocriet 3,6-4,1%) en in mindere mate bij patiënten die werden behandeld met sulfonylureumderivaten en insuline (relatieve afname hemoglobine 1-2% en hematocriet 1-3,2%) in vergelijkend gecontroleerd onderzoek met pioglitazon.

Gebruik met andere anti-hyperglykemische middelen en bij hypoglykemie

Door het verhoogde risico op hypoglykemie bij combinatie met metformine, kan een lagere dosis van metformine of de pioglitazoncomponent overwogen worden om het risico op hypoglykemie te verlagen wanneer deze combinatie wordt gebruikt (zie rubriek 4.2).

Niet onderzochte combinaties

De werkzaamheid en veiligheid van Incresync als triple-therapie met een sulfonylureumderivaat is niet vastgesteld en het gebruik wordt daarom niet aanbevolen.

Incresync mag niet in combinatie met insuline worden gebruikt, omdat de veiligheid en werkzaamheid van deze combinatie niet zijn vastgesteld.

Oogaandoeningen

In de postmarketingfase met thiazolidinedionen, waaronder pioglitazon, zijn er meldingen geweest van het ontstaan of verergeren van diabetisch macula-oedeem met verminderde gezichtsscherpte. Veel van deze patiënten meldden gelijktijdig optredend perifeer oedeem. Het is niet duidelijk of er een direct verband bestaat tussen pioglitazon en macula-oedeem, maar voorschrijvers dienen alert te zijn op de mogelijkheid van macula-oedeem wanneer patiënten die Incresync gebruiken stoornissen van de gezichtsscherpte melden. Een gepaste oftalmologische verwijzing dient te worden overwogen.

Overgevoeligheidsreacties

Overgevoeligheidsreacties, met inbegrip van anafylactische reacties, angio-oedeem en exfoliatieve huidaandoeningen waaronder het Stevens-Johnsonsyndroom en erythema multiforme, werden waargenomen bij DPP-4-remmers en werden spontaan gemeld voor alogliptine in de postmarketingfase. In het klinisch onderzoek met alogliptine werden anafylactische reacties met een lage incidentie gemeld.

Acute pancreatitis

Het gebruik van DPP-4-remmers is in verband gebracht met een risico op het ontwikkelen van acute pancreatitis. Bij een gepoolde analyse van de gegevens van 13 onderzoeken bedroeg het totale aantal meldingen van pancreatitis bij patiënten die werden behandeld met 25 mg alogliptine, 12,5 mg alogliptine, actieve controle of placebo respectievelijk 2, 1, 1 of 0 voorvallen per 1.000 patiëntjaren. In het cardiovasculaire uitkomstonderzoek bedroeg het aantal meldingen van pancreatitis bij patiënten die werden behandeld met alogliptine of placebo respectievelijk 3 of 2 voorvallen per

1.000 patiëntjaren. Er zijn spontane meldingen geweest van acute pancreatitis als bijwerking in de postmarketingfase. Patiënten dienen te worden geïnformeerd over het kenmerkende symptoom van acute pancreatitis: aanhoudende, ernstige abdominale pijn, die kan uitstralen naar de rug. Als pancreatitis wordt vermoed, dient Incresync te worden gestopt; als acute pancreatitis wordt bevestigd,

mag Incresync niet opnieuw worden gestart. Voorzichtigheid moet in acht genomen worden bij patiënten met een voorgeschiedenis van pancreatitis.

Overige

Er werd een verhoogde frequentie van botfracturen bij vrouwen waargenomen in een gepoolde analyse van bijwerkingen van botfracturen in gerandomiseerde, gecontroleerde, dubbelblinde klinische onderzoeken met meer dan 8.100 patiënten die werden behandeld met pioglitazon en meer dan

7.400 patiënten die werden behandeld met een comparator, met een behandelingsduur tot maximaal 3,5 jaar.

Fracturen werden waargenomen bij 2,6% van de vrouwen die pioglitazon gebruikten, vergeleken met 1,7% van de vrouwen die met een comparator werden behandeld. Er werd geen stijging in het aantal fracturen waargenomen bij mannen die werden behandeld met pioglitazon (1,3%), vergeleken met de comparator (1,5%).

De berekende incidentie van fracturen was bij vrouwen die werden behandeld met pioglitazon 1,9 fracturen per 100 patiëntjaren en bij vrouwen die werden behandeld met een comparator

1,1 fracturen per 100 patiëntjaren. Het extra risico op fracturen dat werd waargenomen bij vrouwen behandeld met pioglitazon is op basis van deze gegevens 0,8 fracturen per 100 patiëntjaren van gebruik.

In het 3,5 jaar durende PROactive-onderzoek naar cardiovasculaire risico's hadden 44/870 vrouwelijke patiënten die werden behandeld met pioglitazon, fracturen (5,1%; 1,0 fracturen per 100 patiëntjaren), vergeleken met 23/905 vrouwelijke patiënten die werden behandeld met een comparator

(2,5%; 0,5 fracturen per 100 patiëntjaren). Er werd geen stijging in het aantal fracturen waargenomen bij mannen die werden behandeld met pioglitazon (1,7%), vergeleken met de comparator (2,1%).

In sommige epidemiologische onderzoeken leek zowel bij mannen als bij vrouwen een vergelijkbaar hoger risico op fracturen te ontstaan. In de langetermijnzorg voor patiënten die worden behandeld met Incresync dient rekening te worden gehouden met het risico op fracturen (zie rubriek 4.8).

Als gevolg van het versterken van de werking van insuline kan de behandeling met pioglitazon bij patiënten met polycysteus-ovariumsyndroom leiden tot hervatting van de ovulatie. Deze patiënten kunnen een risico lopen zwanger te worden. Patiënten dienen daarom bewust te worden gemaakt van het risico om zwanger te worden. Indien een patiënt zwanger wil worden, of zwanger wordt, dient de behandeling met Incresync te worden gestopt (zie rubriek 4.6).

Incresync dient met voorzichtigheid te worden gebruikt bij gelijktijdige toediening van cytochroom P450 2C8-remmers (bijv. gemfibrozil) of -inductoren (bijv. rifampicine). Glykemische controle dient nauwgezet te worden gemonitord. Dosisaanpassing van pioglitazon, binnen de

aanbevolen doseringen, of veranderingen in de diabetesbehandeling dienen te worden overwogen (zie rubriek 4.5).

Incresynctabletten bevatten lactose en mogen daarom niet worden toegediend aan patiënten met de zeldzame erfelijke galactose-intolerantie, Lapp-lactasedeficiëntie of glucose-galactosemalabsorptie.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Gelijktijdige toediening van 25 mg alogliptine eenmaal daags en 45 mg pioglitazon eenmaal daags aan gezonde proefpersonen gedurende 12 dagen had geen klinisch relevante effecten op de farmacokinetiek van alogliptine, pioglitazon of hun actieve metabolieten.

Specifiek farmacokinetisch onderzoek naar geneesmiddeleninteracties is niet uitgevoerd met Incresync. In de volgende rubriek wordt een overzicht gegeven van de interacties die met de afzonderlijke componenten van Incresync (alogliptine/pioglitazon) zijn waargenomen, zoals deze staan vermeld in de betreffende Samenvatting van de productkenmerken van deze producten.

Effecten van andere geneesmiddelen op alogliptine

Alogliptine wordt voor het grootste deel ongewijzigd in de urine uitgescheiden; de metabolisatie door het cytochroom (CYP) P450-enzymsysteem is verwaarloosbaar (zie rubriek 5.2). Interacties met CYP-remmers worden daarom niet verwacht en werden niet aangetoond.

Resultaten van klinisch onderzoek naar interacties tonen ook aan dat er geen klinisch relevante effecten zijn van gemfibrozil (een CYP2C8/9-remmer), fluconazol (een CYP2C9-remmer), ketoconazol (een CYP3A4-remmer), ciclosporine (een P-glycoproteïneremmer), voglibose (een alfa-glucosidaseremmer), digoxine, metformine, cimetidine, pioglitazon of atorvastatine op de farmacokinetiek van alogliptine.

Effecten van alogliptine op andere geneesmiddelen

In-vitro-onderzoek wijst erop dat alogliptine de CYP450-isovormen niet remt en ook niet induceert in de concentraties die worden bereikt met de aanbevolen dosis van 25 mg alogliptine (zie rubriek 5.2). Interacties met substraten van CYP450-isovormen worden daarom niet verwacht en zijn niet aangetoond. Uit in-vitro-onderzoek is gebleken dat alogliptine geen substraat en geen remmer is van belangrijke transporters die geassocieerd zijn met geneesmiddeldispositie in de nieren: organisch- anionentransporter 1, organisch-anionentransporter 3 of organisch-kationentransporter 2 (OCT2). Verder wijzen klinische gegevens niet op interactie met remmers of substraten van P-glycoproteïne.

In klinisch onderzoek had alogliptine geen klinisch relevant effect op de farmacokinetiek van cafeïne,

(R)-warfarine, pioglitazon, glyburide, tolbutamide, (S)-warfarine, dextromethorfan, atorvastatine, midazolam, een oraal contraceptivum (norethindron en ethinyloestradiol), digoxine, fexofenadine, metformine of cimetidine, waarmee in vivo bewijs werd geleverd van een lage neiging om interacties met substraten van CYP1A2, CYP3A4, CYP2D6, CYP2C9, P-glycoproteïne en OCT2 te veroorzaken.

Bij gezonde proefpersonen had alogliptine bij gelijktijdige toediening met warfarine geen effect op de protrombinetijd of de INR (International Normalised Ratio).

Combinatie van alogliptine met andere antidiabetica

Resultaten van onderzoek naar alogliptine met metformine, pioglitazon (thiazolidinedion), voglibose (alfa-glucosidaseremmer) en glyburide (sulfonylureumderivaat) hebben geen klinisch relevante farmacokinetische interacties aangetoond.

Interacties met pioglitazon

Er werd gemeld dat gelijktijdige toediening van pioglitazon met gemfibrozil (een remmer van cytochroom P450 2C8) resulteerde in een drievoudige toename van de AUC voor pioglitazon. Aangezien de mogelijkheid bestaat dat dosisgerelateerde bijwerkingen toenemen, kan het nodig zijn om bij gelijktijdige toediening met gemfibrozil de dosis pioglitazon te verlagen. Nauwgezette monitoring van de glykemische regulering dient te worden overwogen (zie rubriek 4.4).

Er werd gemeld dat gelijktijdige toediening van pioglitazon met rifampicine (een inductor van cytochroom P450 2C8) leidde tot een daling van de AUC voor pioglitazon met 54%. Bij gelijktijdige toediening van rifampicine moet de dosis pioglitazon mogelijk verhoogd worden. Nauwgezette monitoring van de glykemische regulering dient te worden overwogen (zie rubriek 4.4).

Uit onderzoek naar interacties is gebleken dat pioglitazon geen relevant effect heeft op de farmacokinetiek of de farmacodynamiek van digoxine, warfarine, fenprocoumon of metformine. Gelijktijdige toediening van pioglitazon met sulfonylureumderivaten blijkt geen invloed te hebben op de farmacokinetiek van het sulfonylureumderivaat. De resultaten van onderzoek bij mensen wijzen erop dat geen inductie plaatsvindt van de belangrijkste induceerbare cytochroom P450-enzymen 1A, 2C8/9 en 3A4. Uit in-vitro-onderzoek is geen remming van enig subtype van cytochroom P450

gebleken. Interacties met stoffen die door deze enzymen worden gemetaboliseerd, bijv. orale contraceptiva, ciclosporine, calciumantagonisten en HMG-CoA-reductaseremmers, worden niet verwacht.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen gegevens over het gebruik van Incresync bij zwangere vrouwen. Uit dieronderzoek met gecombineerde behandeling met alogliptine plus pioglitazon is reproductietoxiciteit gebleken (lichte verhoging van pioglitazongerelateerde foetale groeiretardatie en foetale viscerale variaties, zie rubriek 5.3). Incresync mag niet tijdens de zwangerschap worden gebruikt.

Risico in verband met alogliptine

Er zijn geen gegevens over het gebruik van alogliptine bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).

Risico in verband met pioglitazon

Er zijn geen adequate gegevens over het gebruik bij mensen om de veiligheid van pioglitazon tijdens de zwangerschap te bepalen. Foetale groeibeperking was duidelijk aanwezig in dieronderzoek met pioglitazon. Deze was toe te schrijven aan de werking van pioglitazon in het verlagen van de maternale hyperinsulinemie en aan de verhoogde insulineresistentie die tijdens de zwangerschap optreedt, waardoor de beschikbaarheid van metabole substraten voor foetale groei wordt verlaagd. De relevantie van een dergelijk mechanisme bij mensen is niet duidelijk.

Borstvoeding

Er is geen onderzoek uitgevoerd met de gecombineerde werkzame stoffen van Incresync in zogende dieren. In onderzoeken die zijn uitgevoerd met de afzonderlijke werkzame stoffen werd zowel alogliptine als pioglitazon uitgescheiden in de melk van zogende ratten. Het is niet bekend of alogliptine en pioglitazon in de moedermelk worden uitgescheiden. Risico voor zuigelingen kan niet worden uitgesloten.

Incresync mag niet worden toegediend aan vrouwen die borstvoeding geven.

Vruchtbaarheid

Het effect van Incresync op de vruchtbaarheid bij mensen is niet onderzocht. In dieronderzoek met alogliptine zijn geen nadelige effecten op de vruchtbaarheid waargenomen (zie rubriek 5.3). In vruchtbaarheidsonderzoek bij dieren met pioglitazon is geen effect gevonden op de copulatie, bevruchting of vruchtbaarheidsindex.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Alogliptine heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Pioglitazon heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Patiënten die visusstoornissen ondervinden, dienen echter voorzichtig te zijn bij het besturen van voertuigen en het bedienen van machines. Patiënten dienen te worden gewaarschuwd voor het risico op hypoglykemie wanneer Incresync wordt gebruikt in combinatie met andere antidiabetica waarvan bekend is dat deze hypoglykemie kunnen veroorzaken.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

In klinisch onderzoek dat werd uitgevoerd ter ondersteuning van de werkzaamheid en veiligheid van Incresync werden alogliptine en pioglitazon gelijktijdig als afzonderlijke tabletten toegediend. De resultaten van onderzoek naar bio-equivalentie tonen echter aan dat Incresync filmomhulde tabletten bio-equivalent zijn aan de corresponderende doses alogliptine en pioglitazon wanneer deze tegelijkertijd als afzonderlijke tabletten worden toegediend.

De verstrekte informatie is gebaseerd op een totaal van 3.504 patiënten met diabetes mellitus type 2, onder wie 1.908 patiënten die werden behandeld met alogliptine en pioglitazon, die deelnamen aan 4 dubbelblinde, placebo- of actief-gecontroleerde klinische fase 3-onderzoeken. In deze onderzoeken werden de effecten geëvalueerd van gelijktijdig toegediende alogliptine en pioglitazon op de glykemische regulatie, en hun veiligheid als initiële combinatietherapie, als tweevoudige therapie bij patiënten die eerst alleen met pioglitazon werden behandeld (met of zonder metformine of een sulfonylureumderivaat), en als aanvullende therapie bij metformine.

Het veiligheidsprofiel van gelijktijdig toegediende alogliptine en pioglitazon was consistent met dat van de afzonderlijke componenten, zoals voor alogliptine is aangetoond in klinische onderzoeken en voor pioglitazon uit de uitgebreide gegevens die daarvoor beschikbaar zijn. In de volgende rubriek wordt op basis hiervan een overzicht gegeven van de bijwerkingen van de afzonderlijke componenten van Incresync (alogliptine/pioglitazon), zoals deze staan vermeld in de betreffende Samenvatting van de productkenmerken van deze producten.

Alogliptine

De verstrekte informatie is gebaseerd op een totaal van 9.405 patiënten met diabetes mellitus type 2, onder wie 3.750 patiënten die werden behandeld met 25 mg alogliptine en 2.476 patiënten die werden behandeld met 12,5 mg alogliptine, die deelnamen aan één fase 2 of 12 fase 3 dubbelblinde, placebo- of actief-gecontroleerde klinische onderzoeken. Daarnaast werd bij 5.380 patiënten met diabetes mellitus type 2 en een recent voorval van acuut coronair syndroom een cardiovasculair uitkomstonderzoek verricht. Er werden 2.701 patiënten gerandomiseerd naar alogliptine en 2.679 patiënten naar placebo. In deze onderzoeken werden de effecten geëvalueerd van alogliptine op de glykemische regulatie, en de veiligheid van het middel als monotherapie, als initiële combinatietherapie met metformine of pioglitazon, en als aanvullende therapie bij metformine of een sulfonylureumderivaat of pioglitazon (met of zonder metformine of een sulfonylureumderivaat) of insuline (met of zonder metformine).

In een gepoolde analyse van de gegevens van 13 onderzoeken waren de totale incidenties van bijwerkingen, ernstige bijwerkingen en bijwerkingen die leidden tot het staken van de therapie vergelijkbaar bij de patiënten die werden behandeld met 25 mg alogliptine, 12,5 mg alogliptine, actieve controle of placebo.

Bij patiënten die met 25 mg alogliptine werden behandeld was hoofdpijn de meest voorkomende bijwerking.

De veiligheid van alogliptine was vergelijkbaar tussen de ouderen (≥ 65 jaar oud) en de niet-ouderen (<65 jaar).

Bijwerkingen weergegeven in tabelvorm

De bijwerkingen worden weergegeven per systeem/orgaanklasse en frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10), soms (≥ 1/1.000, < 1/100), zelden

(≥ 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Alogliptine

De bijwerkingen die werden waargenomen in de gepoolde, placebogecontroleerde klinische fase 3- hoofdonderzoeken met 5.659 patiënten met alogliptine als monotherapie en als aanvullende combinatietherapie worden hieronder weergegeven (Tabel 1).

Tabel 1: Bijwerkingen die werden waargenomen in gepoolde, placebogecontroleerde klinische fase 3-hoofdonderzoeken

Systeem/orgaanklasse

Frequentie van bijwerkingen

Bijwerking

 

Infecties en parasitaire aandoeningen

 

Infecties van de bovenste luchtwegen

Vaak

Nasofaryngitis

Vaak

Zenuwstelselaandoeningen

 

Hoofdpijn

Vaak

Maagdarmstelselaandoeningen

 

Abdominale pijn

Vaak

Gastro-oesofageale refluxziekte

Vaak

Huid- en onderhuidaandoeningen

 

Pruritus

Vaak

Huiduitslag

Vaak

Alogliptine/pioglitazon

De bijwerkingen die werden waargenomen in de gepoolde placebogecontroleerde klinisch fase 3- hoofdonderzoeken met alogliptine als aanvullende therapie bij pioglitazon, met 3.504 patiënten, worden hieronder weergegeven (Tabel 2).

Tabel 2: Bijwerkingen die werden waargenomen in gepoolde, placebogecontroleerde klinische

fase 3-hoofdonderzoeken

Systeem/orgaanklasse

Frequentie van bijwerkingen

Bijwerking

 

Infecties en parasitaire aandoeningen

 

Infecties van de bovenste luchtwegen

Vaak

Sinusitis

Vaak

Zenuwstelselaandoeningen

 

Hoofdpijn

Vaak

Maagdarmstelselaandoeningen

 

Nausea

Vaak

Dyspepsie

Vaak

Abdominale pijn

Vaak

Huid- en onderhuidaandoeningen

 

Pruritus

Vaak

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

 

Myalgie

Vaak

Algemene aandoeningen en

 

toedieningsplaatsstoornissen

 

Perifeer oedeem

Vaak

Gewichtstoename

Vaak

Alogliptine

Postmarketingervaring

In tabel 3 staan extra bijwerkingen weergegeven die spontaan zijn gemeld in de postmarketingfase.

Tabel 3: Spontaan in de postmarketingfase gemelde bijwerkingen van alogliptine

Systeem/orgaanklasse

Frequentie van bijwerkingen

Bijwerking

 

Immuunsysteemaandoeningen

 

Overgevoeligheidsreacties

Niet bekend

Maagdarmstelselaandoeningen

 

Acute pancreatitis

Niet bekend

Lever- en galaandoeningen

 

Leverfunctiestoornis, inclusief leverfalen

Niet bekend

Huid- en onderhuidaandoeningen

 

Exfoliatieve huidaandoeningen,

 

waaronder Stevens-Johnsonsyndroom

Niet bekend

Erythema multiforme

Niet bekend

Angio-oedeem

Niet bekend

Urticaria

Niet bekend

Pioglitazon

Bijwerkingen die zijn waargenomen in dubbelblinde onderzoeken met pioglitazon als monotherapie staan hieronder weergegeven (Tabel 4).

Tabel 4: Frequentie van bijwerkingen van pioglitazon

Systeem/orgaanklasse

Frequentie van bijwerkingen

Bijwerking

 

Infecties en parasitaire aandoeningen

 

Infectie van de bovenste luchtwegen

Vaak

Sinusitis

Soms

Neoplasmata, benigne, maligne en niet-gespecificeerd

 

(inclusief cysten en poliepen)

 

Blaaskanker

Soms

Immuunsysteemaandoeningen

 

Overgevoeligheid en allergische reacties

Niet bekend

Zenuwstelselaandoeningen

 

Hypo-esthesie

Vaak

Slapeloosheid

Soms

Oogaandoeningen

 

Visusstoornis

Vaak

Macula-oedeem

Niet bekend

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

 

Botfractuur

Vaak

Onderzoeken

 

Gewichtstoename

Vaak

Verhoogd alanine-aminotransferase

Niet bekend

Beschrijving van bepaalde bijwerkingen

Na het op de markt brengen werden er spontane meldingen gemaakt van overgevoeligheidsreacties bij patiënten die werden behandeld met pioglitazon, onder meer anafylaxie, angio-oedeem en urticaria.

Stoornis van het gezichtsvermogen is voornamelijk in het begin van de behandeling gemeld en hangt samen met veranderingen in de bloedglucosespiegel, door een tijdelijke verandering van de turgor en refractieve index van de lens, zoals ook bij andere hypoglykemische behandelingen wordt gezien.

Oedeem werd gemeld bij 6-9% van de patiënten die gedurende één jaar in gecontroleerd klinisch onderzoek werden behandeld met pioglitazon. De percentages van oedeem in de comparatorgroepen (sulfonylureum, metformine) waren 2-5%. De gemelde gevallen van oedeem waren over het algemeen licht tot matig van aard en stopzetten van de behandeling was doorgaans niet nodig.

Er werd een gepoolde analyse uitgevoerd van de bijwerking botfracturen in gerandomiseerde, comparator-gecontroleerde, dubbelblinde klinische onderzoeken met meer dan 8.100 patiënten in de met pioglitazon behandelde groepen en meer dan 7.400 patiënten in de met een comparator behandelde groepen, met een behandelingsduur tot maximaal 3,5 jaar. Er werd een hoger percentage fracturen waargenomen bij vrouwen die pioglitazon gebruikten (2,6%) ten opzichte van de comparator (1,7%). Er werd geen stijging van de percentages fracturen waargenomen bij mannen die werden behandeld met pioglitazon (1,3%), vergeleken met de comparator (1,5%). In het 3,5 jaar durende PROactive-onderzoek hadden 44/870 (5,1%) vrouwelijke patiënten die werden behandeld met pioglitazon fracturen, vergeleken met 23/905 (2,5%) vrouwelijke patiënten die werden behandeld met een comparator. Er werd geen stijging van de percentages fracturen waargenomen bij mannen die werden behandeld met pioglitazon (1,7%), vergeleken met comparator (2,1%). Postmarketing is er melding gemaakt van botbreuken bij zowel mannelijke als vrouwelijke patiënten (zie rubriek 4.4).

In klinische onderzoeken met een actieve comparator als controle bedroeg de gemiddelde gewichtstoename met pioglitazon als monotherapie 2-3 kg over één jaar. Dit is ongeveer gelijk aan de gewichtstoename die werd gezien in een actieve-comparatorgroep die een sulfonylureumderivaat kreeg. In combinatie-onderzoeken leidde toevoeging van pioglitazon aan metformine tot een gemiddelde gewichtstoename over één jaar van 1,5 kg en toevoeging aan een sulfonylureumderivaat tot een gemiddelde gewichtstoename over één jaar van 2,8 kg. In comparatorgroepen leidde toevoeging van sulfonylureum aan metformine tot een gemiddelde gewichtstoename van 1,3 kg en toevoeging van metformine aan een sulfonylureumderivaat tot een gemiddeld gewichtsverlies van 1,0 kg.

In klinische onderzoeken met pioglitazon was de incidentie van verhoogde ALAT die hoger was dan driemaal de Upper Limit of Normal (ULN) gelijk aan die bij placebo, maar lager dan de incidentie die in de metformine- of sulfonylureum-comparatorgroepen werd gezien. De gemiddelde waarden van de leverenzymen namen af bij behandeling met pioglitazon. Zeldzame gevallen van verhoogde leverenzymen en hepatocellulaire dysfunctie zijn opgetreden tijdens de postmarketingfase. Hoewel dit slechts zeer zelden is voorgekomen, zijn gevallen met fatale afloop gemeld, waarbij een causaal verband niet is vastgesteld.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in Aanhangsel V.

4.9Overdosering

Er zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot overdosering van Incresync.

Alogliptine

De hoogste doses alogliptine die in klinisch onderzoek werden toegediend, waren enkelvoudige doses van 800 mg aan gezonde proefpersonen en doseringen van 400 mg eenmaal daags, gedurende

14 dagen, aan patiënten met diabetes mellitus type 2 (dit komt overeen met respectievelijk 32 keer en 16 keer de aanbevolen dagdosis van 25 mg alogliptine).

Pioglitazon

In klinische studies hebben patiënten pioglitazon ingenomen in hogere doseringen dan de aanbevolen hoogste dosis van 45 mg per dag. Bij de maximale gemelde dosis van 120 mg/dag gedurende vier dagen en dan 180 mg/dag gedurende zeven dagen zijn geen symptomen opgetreden.

Hypoglykemie kan voorkomen in combinatie met sulfonylureumderivaten of insuline.

Behandelbeleid

In geval van overdosering dienen gepaste ondersteunende maatregelen te worden genomen op basis van de klinische toestand van de patiënt.

Minimale hoeveelheden alogliptine worden verwijderd door hemodialyse (ongeveer 7% van de verbinding werd verwijderd tijdens een dialysesessie van 3 uur). Daarom geeft hemodialyse bij overdosering weinig klinisch voordeel. Het is niet bekend of alogliptine wordt verwijderd door peritoneale dialyse.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Geneesmiddelen bij diabetes; combinaties van orale bloedglucoseverlagende middelen.

ATC-code: A10BD09.

Werkingsmechanisme en farmacodynamische effecten

In Incresync zijn twee antihyperglykemische geneesmiddelen met complementaire en verschillende werkingsmechanismen gecombineerd, om de glykemische regulering te verbeteren bij patiënten met diabetes mellitus type 2: alogliptine, een dipeptidylpeptidase-4 (DPP-4)-remmer, en pioglitazon, een stof uit de klasse van de thiazolidinedionen. Uit onderzoek met diermodellen voor diabetes is gebleken dat gelijktijdige behandeling met alogliptine en pioglitazon leidde tot zowel additieve als synergistische verbeteringen in de glykemische controle, een verhoogde insulinecapaciteit van de pancreas en een genormaliseerde distributie van bètacellen in de pancreas.

Alogliptine

Alogliptine is een sterke en zeer selectieve remmer van DPP-4 > 10.000 maal selectiever voor DPP-4 dan andere, verwante enzymen, waaronder DPP-8 en DPP-9. DPP-4 is het belangrijkste enzym dat betrokken is bij de snelle afbraak van de incretinehormonen ‘glucagon-like peptide-1 (GLP-1)’ en GIP (glucose-dependent insulinotropic polypeptide), die door de darm afgegeven worden en die na een maaltijd toenemen. GLP-1 en GIP verhogen de biosynthese en de secretie van insuline door de bètacellen van de pancreas, terwijl GLP-1 ook de glucagonsecretie en de productie van glucose door de levercellen remt. Daardoor verbetert alogliptine de glykemische regulatie via een glucose- afhankelijk mechanisme, waarbij de afgifte van insuline verhoogd wordt en de glucagonwaarden onderdrukt worden wanneer de glucosewaarden hoog zijn.

Pioglitazon

Effecten van pioglitazon kunnen worden gemedieerd door een daling van de insulineresistentie. Pioglitazon blijkt te werken via de activatie van specifieke nucleaire receptoren (PPARG, peroxisome proliferator activated receptor gamma), wat bij dieren leidt tot een verhoogde gevoeligheid voor insuline van de lever-, vet- en skeletspiercellen. Het is aangetoond dat behandeling met pioglitazon de glucoseafgifte van de lever verlaagt en de perifere glucoseverwijdering verhoogt in geval van insulineresistentie.

Na de behandeling van patiënten met diabetes mellitus type 2 met pioglitazon is de glykemische regulatie in nuchtere toestand en postprandiaal verbeterd. De verbeterde glykemische regulatie gaat gepaard met een verlaging van de plasma-insulineconcentraties, zowel in nuchtere toestand als postprandiaal.

HOMA-analyse toont aan dat pioglitazon zowel de bètacelfunctie verbetert als de gevoeligheid voor insuline verhoogt. Klinische onderzoeken gedurende twee jaar hebben aangetoond dat dit een blijvend effect is.

In één jaar durende klinische onderzoeken gaf pioglitazon consistent een statistisch significante daling van de albumine/creatinineverhouding ten opzichte van de uitgangswaarden.

Het effect van pioglitazon (45 mg monotherapie vs. placebo) is onderzocht in een kleinschalig, 18 weken durend onderzoek met diabetes type 2-patiënten. Pioglitazon was geassocieerd met

significante gewichtstoename. De hoeveelheid visceraal vet nam significant af, terwijl er een toename was van de extra-abdominale vetmassa. Soortgelijke veranderingen van de vetverdeling bij gebruik van pioglitazon zijn gepaard gegaan met een verbetering van de gevoeligheid voor insuline. In de

meeste klinische onderzoeken werden verlaagde gehaltes aan totale triglyceriden en vrije vetzuren in het plasma en verhoogde gehaltes HDL-cholesterol waargenomen ten opzichte van placebo, met lichte maar niet klinisch significante verhogingen van de gehaltes LDL-cholesterol.

In klinische onderzoeken met een duur tot maximaal twee jaar verlaagde pioglitazon de gehaltes aan totale triglyceriden en vrije vetzuren in het plasma en verhoogde de gehaltes aan HDL-cholesterol, ten opzichte van placebo, metformine of gliclazide. Pioglitazon veroorzaakte geen statistisch significante stijgingen van de gehaltes LDL-cholesterol ten opzichte van placebo, terwijl dalingen werden waargenomen met metformine en gliclazide. In een 20 weken durend onderzoek verlaagde pioglitazon niet alleen de gehaltes aan triglyceriden in nuchtere toestand, maar verlaagde het ook postprandiale hypertriglyceridemie, door een effect op zowel geabsorbeerde als in de lever gesynthetiseerde triglyceriden. Deze effecten waren onafhankelijk van de effecten van pioglitazon op de glykemie en waren statistisch significant verschillend van glibenclamide.

Klinische werkzaamheid

In klinisch onderzoek dat werd uitgevoerd ter ondersteuning van de werkzaamheid van Incresync werden alogliptine en pioglitazon gelijktijdig als afzonderlijke tabletten toegediend. De resultaten van onderzoek naar bio-equivalentie tonen echter aan dat Incresync filmomhulde tabletten bio-equivalent zijn aan de corresponderende doses alogliptine en pioglitazon wanneer deze tegelijkertijd als afzonderlijke tabletten worden toegediend.

De gelijktijdige toediening van alogliptine en pioglitazon is onderzocht als tweevoudige therapie bij patiënten die eerst enkel met pioglitazon waren behandeld (met of zonder metformine of een sulfonylureumderivaat), en als aanvullende therapie bij metformine.

Toediening van 25 mg alogliptine aan patiënten met diabetes mellitus type 2 gaf binnen 1 tot 2 uur een piekremming van DPP-4 die zowel na een enkelvoudige dosis van 25 mg als na eenmaaldaagse doseringen gedurende 14 dagen hoger was dan 93%. De remming van DPP-4 bleef gedurende 24 uur hoger dan 81% na 14 dagen toediening. Wanneer de gemiddelde 4-uur-postprandiale glucoseconcentraties werden berekend van ontbijt, lunch en avondeten samen, leidde 14 dagen behandeling met 25 mg alogliptine tot een gemiddelde, placebogecorrigeerde daling van -35,2 mg/dl ten opzichte van de uitgangswaarde.

Zowel enkel 25 mg alogliptine als 25 mg alogliptine in combinatie met 30 mg pioglitazon toonden, vergeleken met placebo, in week 16 een significante daling in postprandiale glucose- en glucagonspiegels, terwijl de gehaltes postprandiaal actief GLP-1 significant waren gestegen (p < 0,05). Bovendien gaven enkel 25 mg alogliptine en 25 mg alogliptine in combinatie met 30 mg pioglitazon in week 16 statistisch significante dalingen (p < 0,001) van de totale triglyceriden, gemeten als de postprandiale incrementele verandering van de AUC(0-8) ten opzichte van de uitgangswaarde, vergeleken met placebo.

Een totaal van 3.504 patiënten met diabetes mellitus type 2, onder wie 1.908 patiënten die werden behandeld met alogliptine en pioglitazon, hebben deelgenomen aan 4 dubbelblinde, placebo- of actief- gecontroleerde klinische fase 3-onderzoeken die werden uitgevoerd om de effecten van gelijktijdig toegediende alogliptine en pioglitazon op de glykemische regulatie en de veiligheid van deze middelen te beoordelen. In deze onderzoeken hadden 312 met alogliptine/pioglitazon behandelde patiënten een leeftijd van ≥ 65 jaar. Aan de onderzoeken namen 1.269 patiënten met een lichte nierfunctiestoornis en 161 patiënten met een matige nierfunctiestoornis die werden behandeld met alogliptine/pioglitazon deel.

Over het geheel genomen leidde de behandeling met de aanbevolen dosis van 25 mg alogliptine in combinatie met pioglitazon tot een verbetering van de glykemische regulatie. Dit werd vastgesteld door klinisch relevante en statistisch significante dalingen van geglycosyleerd hemoglobine (HbA1c) en van nuchtere plasmaglucose (fasting plasma glucose) ten opzichte van controle, vanaf de uitgangswaarden tot het eindpunt van het onderzoek. De daling van HbA1c was bij de verschillende subgroepen vergelijkbaar, met inbegrip van nierfunctiestoornis, leeftijd, geslacht en BMI, terwijl

verschillen tussen etniciteiten (vb. blanken en niet-blanken) klein waren. Klinisch relevante dalingen in HbA1c ten opzichte van controle zijn ook waargenomen, ongeacht de dosering van de achtergrondbehandeling bij aanvang. Hogere HbA1c-uitgangswaarden werden geassocieerd met grotere dalingen in HbA1c. Over het algemeen waren de effecten van alogliptine op lichaamsgewicht en lipiden neutraal.

Alogliptine als aanvullende therapie bij pioglitazon

De toevoeging van 25 mg alogliptine eenmaal daags aan pioglitazon-therapie (gemiddelde dosis = 35,0 mg, met of zonder metformine of een sulfonylureumderivaat) leidde tot statistisch

significante verbeteringen, ten opzichte van de uitgangswaarden, in HbA1c en nuchtere plasmaglucose in week 26, vergeleken met toevoeging van placebo (Tabel 5). Klinisch relevante dalingen in HbA1c ten opzichte van placebo zijn ook waargenomen met 25 mg alogliptine, ongeacht of patiënten gelijktijdig werden behandeld met metformine of een sulfonylureumderivaat. Significant meer patiënten die 25 mg alogliptine kregen (49,2%) dan patiënten die placebo kregen (34,0%) bereikten

HbA1c-streefwaarden van ≤ 7,0% in week 26 (p = 0,004).

Alogliptine als aanvullende therapie bij pioglitazon met metformine

De toevoeging van 25 mg alogliptine eenmaal daags aan therapie met 30 mg pioglitazon in combinatie met metforminehydrochloride (gemiddelde dosis = 1.867,9 mg) leidde tot verbeteringen, ten opzichte van de uitgangswaarden, in HbA1c in week 52 die zowel niet-inferieur als statistisch superieur waren ten opzichte van de verbeteringen die werden verkregen met therapie met 45 mg pioglitazon in combinatie met metforminehydrochloride (gemiddelde dosis = 1.847,6 mg, Tabel 6). De significante dalingen van HbA1c die werden waargenomen met 25 mg alogliptine plus 30 mg pioglitazon en metformine waren over de gehele behandelperiode van 52 weken consistent, vergeleken met 45 mg pioglitazon en metformine (p < 0,001 op alle tijdstippen). Daarnaast was de gemiddelde verandering in nuchtere plasmaglucose ten opzichte van de uitgangswaarden in week 52 voor 25 mg alogliptine plus 30 mg pioglitazon en metformine significant groter dan die voor 45 mg pioglitazon en metformine

(p < 0,001). Significant meer patiënten die 25 mg alogliptine plus 30 mg pioglitazon en metformine kregen (33,2%) dan patiënten die 45 mg pioglitazon en metformine kregen (21,3%) bereikten HbA1c- streefwaarden van ≤ 7,0% in week 52 (p < 0,001).

Tabel 5: Verandering in HbA1c (%) ten opzichte van de uitgangswaarden in week 26 met

25 mg alogliptine per placebogecontroleerd onderzoek (FAS, LOCF)

Studie

Gemiddelde

Gemiddelde

Voor placebo gecorrigeerde

 

uitgangswaarde

verandering

verandering in HbA1c ten

 

HbA1c (%) (SD)

in HbA1c

opzichte van de uitgangs-

 

 

ten opzichte

waarden (%)(2-zijdig

 

 

van de

95% BI)

 

 

uitgangs-

 

 

 

waarden

 

 

 

(%)(SE)

 

Placebogecontroleerde studies met aanvullende combinatietherapie

 

Alogliptine 25 mg

8,01

-0,80

-0,61*

eenmaal daags met

(0,837)

(0,056)

(-0,80; -0,41)

pioglitazon + metformine

 

 

 

of een

 

 

 

sulfonylureumderivaat

 

 

 

(n=195)

 

 

 

FAS = full analysis set (volledige analysedataset)

LOCF = last observation carried forward

Kleinste kwadratengemiddelden, gecorrigeerd voor voorafgaande antihyperglykemische behandelstatus en uitgangswaarden.

* p<0,001 in vergelijking met placebo of placebo + combinatiebehandeling

Tabel 6: Verandering in HbA1c (%) ten opzichte van de uitgangswaarden met 25 mg alogliptine per actief-gecontroleerd onderzoek (PPS, LOCF)

Studie

Gemiddelde uitgangs-

Gemiddelde

Verandering in

 

waarde HbA1c (%)

verandering in

HbA1c ten

 

(SD)

HbA1c ten

opzichte van de

 

 

opzichte van de

uitgangswaarden,

 

 

uitgangswaard

gecorrigeerd voor

 

 

en (%)(SE)

behandeling

 

 

 

(%)

 

 

 

(1-zijdig BI)

Studies met aanvullende combinatietherapie

 

 

Alogliptine 25 mg eenmaal

 

 

 

daags met pioglitazon +

 

 

 

metformine

 

 

 

vs. getitreerd pioglitazon +

 

 

 

metformine

8,25

-0,89

-0,47*

 

Verandering in week 26

(0,820)

(0,042)

(-oneindig, -0,35)

(n=303)

8,25

-0,70

-0,42*

 

Verandering in week 52

(0,820)

(0,048)

(-oneindig, -0,28)

(n=303)

 

 

 

PPS = per protocol set

LOCF = last observation carried forward

*Non-inferioriteit en superioriteit statistisch aangetoond

Kleinste kwadratengemiddelden, gecorrigeerd voor voorafgaande antihyperglykemische behandelstatus en uitgangswaarden.

Patiënten met een nierfunctiestoornis

Incresync wordt niet aanbevolen voor patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of met nierziekte in het laatste stadium die moeten worden gedialyseerd (zie rubriek 4.2).

Ouderen (≥ 65 jaar)

De werkzaamheid en veiligheid van de aanbevolen doses alogliptine en pioglitazon in een subgroep patiënten met diabetes mellitus type 2 en een leeftijd ≥ 65 jaar werden onderzocht en consistent bevonden met het profiel dat werd verkregen bij patiënten < 65 jaar.

Klinische veiligheid

Cardiovasculaire veiligheid

In een gepoolde analyse van de gegevens van 13 onderzoeken waren de totale incidenties voor cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct en niet-fatale CVA vergelijkbaar bij patiënten die werden behandeld met 25 mg alogliptine, actieve controle of placebo.

Daarnaast werd bij 5.380 patiënten met een hoog onderliggend cardiovasculair risico een prospectief, gerandomiseerd, cardiovasculair uitkomstonderzoek naar de veiligheid verricht om het effect van alogliptine in vergelijking met placebo (wanneer dit aan de standaardbehandeling werd toegevoegd) te onderzoeken op ernstige cardiovasculaire voorvallen (MACE), waaronder de tijd tot aan het eerste optreden van een voorval in het samengestelde eindpunt voor cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct en niet-fatale CVA bij patiënten met een recent (in de afgelopen 15 tot 90 dagen) acuut coronair voorval. Bij de uitgangssituatie hadden de patiënten een gemiddelde leeftijd van 61 jaar, een gemiddelde duur van de diabetes van 9,2 jaar en een gemiddelde HbA1c van 8,0%.

In het onderzoek werd aangetoond dat alogliptine het risico op een MACE niet verhoogde ten opzichte van placebo [risicoverhouding: 0,96; 1-zijdig 99% Betrouwbaarheidsinterval: 0-1,16]. In de

alogliptinegroep maakte 11,3% van de patiënten een MACE door in vergelijking met 11,8% van de patiënten in de placebogroep.

Tabel 7. MACE gemeld in cardiovasculair uitkomstonderzoek

 

Aantal patiënten (%)

 

Alogliptine

Placebo

 

25 mg

 

 

 

 

 

 

 

N=2.701

N=2.679

 

 

 

 

Primair samengesteld eindpunt

 

 

 

[eerste voorval van cardiovasculair

305 (11,3)

(11,8)

overlijden, niet-fataal MI en niet-

 

 

 

fatale CVA]

 

 

 

 

89 (3,3)

(4,1)

 

187 (6,9)

(6,5)

 

29 (1,1)

32 (1,2)

*In totaal overleden 153 proefpersonen (5,7%) van de alogliptinegroep en 173 proefpersonen (6,5%) van de placebogroep (overlijden ongeacht de oorzaak)

Er waren 703 patiënten die binnen het samengestelde eindpunt voor secundaire MACE (eerste voorval van cardiovasculair overlijden, niet-fataal myocardinfarct, niet-fatale CVA en urgente revascularisatie als gevolg van instabiele angina pectoris) een voorval doormaakten. In de alogliptinegroep maakte 12,7% (344 proefpersonen) binnen het samengestelde eindpunt voor secundaire MACE een voorval door, in vergelijking met 13,4% (359 proefpersonen) in de placebogroep [risicoverhouding = 0,95; 1- zijdig 99% Betrouwbaarheidsinterval: 0-1,14].

In gecontroleerde klinische studies was de incidentie van meldingen van hartfalen bij behandeling met pioglitazon hetzelfde als in de groepen die werden behandeld met placebo, metformine en sulfonylureum, maar hoger bij gebruik als combinatietherapie met insuline. In een outcome-onderzoek bij patiënten met een vooraf aanwezige ernstige macrovasculaire aandoening was de incidentie van ernstig hartfalen met pioglitazon 1,6% hoger dan met placebo, bij toevoeging aan een therapie met insuline. Dit leidde in dit onderzoek echter niet tot een stijging van de mortaliteit. Bij gebruik na toelating op de markt zijn er zelden gevallen gemeld van hartfalen met pioglitazon, maar vaker wanneer pioglitazon in combinatie met insuline werd gebruikt, of bij patiënten met een voorgeschiedenis met hartfalen.

In het PROactive-onderzoek, een cardiovasculair outcome-onderzoek met 5.238 patiënten met diabetes mellitus type 2 en een vooraf aanwezige ernstige macrovasculaire aandoening, werd na randomisatie pioglitazon of placebo maximaal 3,5 jaar lang toegevoegd aan een bestaande anti-diabetische en cardiovasculaire therapie. De onderzoekspopulatie had een gemiddelde leeftijd van 62 jaar en de gemiddelde duur van de diabetes bedroeg 9,5 jaar. Ongeveer een derde van de patiënten kreeg insuline in combinatie met metformine en/of een sulfonylureumderivaat. Om in aanmerking te komen voor deelname moesten patiënten één of meer van de volgende aandoeningen hebben gehad: myocardinfarct, beroerte, percutane hartinterventie of coronaire arteriële bypassgraft, acuut coronair syndroom, coronaire arteriële aandoening of perifere arteriële obstructieve aandoening. Bijna de helft van de patiënten had eerder een myocardinfarct gehad en ongeveer 20% een beroerte. Ongeveer de helft van de onderzoekspopulatie voldeed aan ten minste twee inclusiecriteria met betrekking tot cardiovasculaire voorgeschiedenis. Bijna alle proefpersonen (95%) kregen cardiovasculaire geneesmiddelen (bètablokkers, ACE-remmers, angiotensine-II-antagonisten, calciumantagonisten, nitraten, diuretica, aspirine, statines, fibraten).

Hoewel het onderzoek faalde met betrekking tot het primaire samengestelde eindpunt (alle mortaliteitsoorzaken, niet-fataal myocardinfarct, beroerte, acuut coronair syndroom, grote beenamputatie, coronaire revascularisatie en revascularisatie van het been) suggereren de resultaten dat er geen cardiovasculaire problemen op lange termijn zijn met betrekking tot het gebruik van

pioglitazon. De incidenties van oedeem, gewichtstoename en hartfalen waren echter verhoogd. Er werd geen stijging van de mortaliteit door hartfalen waargenomen.

Hypoglykemie

In een gepoolde analyse van de gegevens van 12 onderzoeken was de totale incidentie van alle episoden van hypoglykemie samen bij patiënten die werden behandeld met 25 mg alogliptine lager dan bij patiënten die werden behandeld met 12,5 mg alogliptine, actieve controle of placebo (respectievelijk 3,6%, 4,6%, 12,9% en 6,2%). De meeste van deze episoden hadden een lichte tot matige intensiteit. De totale incidentie van episoden van ernstige hypoglykemie was vergelijkbaar bij patiënten die werden behandeld met 25 mg of met 12,5 mg alogliptine, en lager dan de incidentie bij patiënten die werden behandeld met actieve controle of placebo (respectievelijk 0,1%, 0,1%, 0,4% en 0,4%,). In het prospectieve, gerandomiseerde, gecontroleerde cardiovasculaire uitkomstonderzoek waren de door de onderzoeker gemelde voorvallen van hypoglykemie bij patiënten die naast de standaardbehandeling een placebo ontvingen (6,5%) gelijk aan die bij patiënten die alogliptine ontvingen (6,7%).

Een klinische studie met alogliptine als aanvullende therapie bij pioglitazon heeft aangetoond dat er geen klinisch relevante stijging was in het percentage hypoglykemie, ten opzichte van placebo. De incidentie van hypoglykemie was hoger wanneer alogliptine als triple therapie werd gebruikt met pioglitazon en metformine (vergeleken met actieve controle). Dit is ook waargenomen met andere DPP-4-remmers.

Er wordt aangenomen dat oudere patiënten (≥ 65 jaar) met diabetes mellitus type 2 gevoeliger zijn voor episoden van hypoglykemie dan patiënten < 65 jaar. In een gepoolde analyse van de gegevens van 12 onderzoeken was de totale incidentie van alle episoden van hypoglykemie samen bij patiënten ≥ 65 jaar die werden behandeld met 25 mg alogliptine (3,8%) ongeveer gelijk aan die bij patiënten

< 65 jaar (3,6%).

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor deabrikantf

om de resultaten in te dienen van onderzoek met Incresync in alle subgroepen van pediatrische patiënten met diabetes mellitus type 2 (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2Farmacokinetische eigenschappen

De resultaten van onderzoek naar bio-equivalentie bij gezonde proefpersonen tonen aan dat Incresync filmomhulde tabletten bio-equivalent zijn aan de corresponderende doses alogliptine en pioglitazon wanneer deze tegelijkertijd als afzonderlijke tabletten worden toegediend.

Gelijktijdige toediening van 25 mg alogliptine eenmaal daags en 45 mg pioglitazon eenmaal daags aan gezonde proefpersonen gedurende 12 dagen had geen klinisch relevante effecten op de farmacokinetiek van alogliptine, pioglitazon of hun actieve metabolieten.

Toediening van Incresync met voedsel leidde niet tot verandering van de totale blootstelling aan alogliptine of pioglitazon. Incresync mag daarom met of zonder voedsel worden toegediend.

In de volgende rubriek wordt een overzicht gegeven van de farmacokinetische eigenschappen van de afzonderlijke componenten van Incresync (alogliptine/pioglitazon), zoals deze staan vermeld in de betreffende Samenvatting van de productkenmerken van deze producten.

Alogliptine

Het is aangetoond dat de farmacokinetiek van alogliptine bij gezonde proefpersonen en bij patiënten met diabetes mellitus type 2 ongeveer gelijk is.

Absorptie

De absolute biologische beschikbaarheid van alogliptine is ongeveer 100%.

Toediening met een vetrijke maaltijd leidde niet tot verandering in de totale blootstelling en piekblootstelling van alogliptine. Alogliptine mag daarom met of zonder voedsel worden toegediend.

Na toediening van enkelvoudige orale doses tot maximaal 800 mg aan gezonde proefpersonen werd alogliptine snel geabsorbeerd, waarbij piekplasmaconcentraties 1 tot 2 uur (mediane Tmax) na toediening werden bereikt.

Er werd geen klinisch relevante accumulatie waargenomen na meervoudige toediening aan gezonde proefpersonen of aan patiënten met diabetes mellitus type 2.

De totale blootstelling en piekblootstelling aan alogliptine stegen evenredig met toenemende, enkelvoudige doses van 6,25 mg tot maximaal 100 mg alogliptine (dit bereik dekt het therapeutische dosisbereik). De variatiecoëfficiënt tussen proefpersonen voor de AUC van alogliptine was klein (17%).

Distributie

Na toediening van een enkelvoudige, intraveneuze dosis van 12,5 mg alogliptine aan gezonde proefpersonen bedroeg het distributievolume in de terminale fase 417 l, wat aangeeft dat het geneesmiddel goed in weefsels verdeeld wordt.

Alogliptine is voor 20-30% gebonden aan plasma-eiwitten.

Biotransformatie

Alogliptine ondergaat geen extensieve metabolisatie, 60-70% van de dosis wordt in de urine uitgescheiden als ongewijzigd geneesmiddel.

Twee minder belangrijke metabolieten werden gevonden na toediening van een orale dosis [14C]-alogliptine, N-gedemethyleerde alogliptine, M-I (< 1% van de oorspronkelijke verbinding) en N-geacetyleerde alogliptine, M-II (< 6% van de oorspronkelijke verbinding). M-I is een actieve metaboliet en is een zeer selectieve remmer van DPP-4, net als alogliptine; M-II vertoont geen remmende werking op DPP-4 of op andere DPP-gerelateerde enzymen. Gegevens afkomstig van in- vitro-onderzoek wijzen erop dat CYP2D6 en CYP3A4 bijdragen aan de beperkte metabolisatie van alogliptine.

Gegevens afkomstig van in-vitro-onderzoek wijzen erop dat alogliptine geen inducerende werking heeft op CYP1A2, CYP2B6 en CYP2C9 en geen remmende werking op CYP1A2, CYP2B6, CYP2C8, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6 of CYP3A4, in concentraties die worden bereikt met de aanbevolen dosis van 25 mg alogliptine. In-vitro-studies hebben aangetoond dat alogliptine een lichte inductor is van CYP3A4, echter het werd niet aangetoond dat alogliptine een inductor is van CYP3A4 in in-vivo-studies.

Uit in-vitro-studies is gebleken dat alogliptine geen remmer is van de volgende renale transporters: OAT1, OAT3 en OCT2.

Alogliptine bestaat voornamelijk uit het (R)-enantiomeer (> 99%) en ondergaat in vivo weinig of geen chirale conversie tot het (S)-enantiomeer. Het (S)-enantiomeer is bij therapeutische doses niet detecteerbaar.

Eliminatie

Alogliptine werd geëlimineerd met een gemiddelde terminale halfwaardetijd (T1/2) van ongeveer 21 uur.

Na toediening van een orale dosis [14C]-alogliptine werd 76% van de totale hoeveelheid radioactiviteit in de urine uitgescheiden en werd 13% teruggevonden in de stoelgang.

De gemiddelde renale klaring van alogliptine (170 ml/min) was hoger dan de gemiddelde geschatte glomerulaire filtratiesnelheid (ongeveer 120 ml/min), hetgeen wijst op enige actieve renale uitscheiding.

Tijdsafhankelijkheid

De totale blootstelling (AUC(0-inf)) aan alogliptine was na toediening van een enkelvoudige dosis ongeveer gelijk aan de blootstelling gedurende één dosisinterval (AUC(0-24)) na eenmaal daagse toediening gedurende 6 dagen. Dit wijst op afwezigheid van tijdsafhankelijkheid in de kinetiek van alogliptine na meervoudige toediening.

Speciale populaties

Nierfunctiestoornis

Een enkelvoudige dosis van 50 mg alogliptine werd toegediend aan 4 groepen patiënten met een nierfunctiestoornis in verschillende gradaties van ernst (op basis van de creatinineklaring (CrCl) volgens de Cockcroft-Gault-formule): licht (CrCl = > 50 tot ≤ 80 ml/min), matig

(CrCl = ≥ 30 tot ≤ 50 ml/min), ernstig (CrCl = < 30 ml/min) en nierziekte in het laatste stadium met hemodialyse.

Er werd een stijging van de AUC voor alogliptine met een factor van ongeveer 1,7 waargenomen bij patiënten met een lichte nierfunctiestoornis. Omdat de verdeling van de AUC-waarden voor alogliptine bij deze patiënten echter binnen hetzelfde bereik lag als bij controle-proefpersonen, is het niet nodig om de dosis alogliptine aan te passen voor patiënten met een lichte nierfunctiestoornis (zie rubriek 4.2).

Bij patiënten met een matige of ernstige nierfunctiestoornis, of met nierziekte in het laatste stadium met hemodialyse, werd respectievelijk een ongeveer 2-voudige en 4-voudige stijging van de systemische blootstelling aan alogliptine waargenomen. (Patiënten met nierziekte in het laatste stadium ondergingen hemodialyse direct na toediening van alogliptine. Op basis van de gemiddelde dialysaatconcentraties werd tijdens een 3 uur durende dialysesessie ongeveer 7% van het geneesmiddel verwijderd. Daarom dienen bij patiënten met een matige of ernstige nierfunctiestoornis, of met nierziekte in het laatste stadium die moeten worden gedialyseerd, lagere doses alogliptine te worden gebruikt om de systemische blootstelling aan alogliptine ongeveer hetzelfde te houden als bij patiënten met een normale nierfunctie (zie hierboven en rubriek 4.2).

Leverfunctiestoornis

Bij patiënten met een matige leverfunctiestoornis was de totale blootstelling aan alogliptine ongeveer 10% lager en de piekblootstelling ongeveer 8% lager dan bij controle-proefpersonen. De omvang van deze dalingen werd niet als klinisch relevant beschouwd. Voor patiënten met een lichte tot matige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-scores van 5 tot 9) hoeft de dosis alogliptine daarom niet te worden aangepast. Alogliptine is niet onderzocht bij patiënten met een ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-score > 9).

Leeftijd, geslacht, ras, lichaamsgewicht

Leeftijd (65-81 jaar), geslacht, ras (blank, zwart en Aziatisch) en lichaamsgewicht hadden geen klinisch relevant effect op de farmacokinetiek van alogliptine. Er zijn geen dosisaanpassingen nodig (zie rubriek 4.2).

Pediatrische patiënten

De farmacokinetiek van alogliptine bij kinderen en jongeren < 18 jaar is niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar (zie rubriek 4.2).

Pioglitazon

Absorptie

Na orale toediening wordt pioglitazon snel geabsorbeerd en de piekserumconcentraties van ongewijzigd pioglitazon worden doorgaans 2 uur na toediening bereikt. Evenredige stijgingen van de serumconcentratie zijn waargenomen voor doses van 2-60 mg. Steady-state wordt na 4-7 dagen toediening bereikt. Herhaalde toediening leidt niet tot accumulatie van de stof of zijn metabolieten. De absorptie wordt niet beïnvloed door voedselinname. De absolute biologische beschikbaarheid is hoger dan 80%.

Distributie

Het geschatte distributievolume bij mensen is 19 l.

Pioglitazon en alle actieve metabolieten ervan worden voor een zeer groot deel gebonden aan plasma- eiwitten (> 99%).

Biotransformatie

Pioglitazon ondergaat extensieve metabolisering in de lever, door hydroxylering van alifatische methyleengroepen. Dit gebeurt vooral via cytochroom P450 2C8, hoewel ook andere isovormen in mindere mate hierbij betrokken kunnen zijn. Drie van de zes geïdentificeerde metabolieten van pioglitazon zijn actief (M-II, M-III en M-IV). Wanneer rekening wordt gehouden met activiteit, concentraties en eiwitbinding, dragen pioglitazon en zijn metaboliet M-III in gelijke mate bij aan de werkzaamheid. Op deze basis is de bijdrage van M-IV aan de werkzaamheid ongeveer 3 maal zo hoog als die van pioglitazon, terwijl de relatieve werkzaamheid van M-II minimaal is.

Uit in-vitro-onderzoek is niet gebleken dat pioglitazon een remmende werking heeft op enig subtype van cytochroom P450. Er is bij mensen geen inductie van de belangrijkste induceerbare P450-iso-enzymen 1A, 2C8/9 en 3A4.

Interactie-studies hebben aangetoond dat pioglitazon geen relevant effect heeft op de farmacokinetiek of de farmacodynamiek van digoxine, warfarine, fenprocoumon of metformine. Er is gemeld dat gelijktijdige toediening van pioglitazon en ofwel gemfibrozil (een remmer van

cytochroom P450 2C8), ofwel rifampicine (een inductor van cytochroom P450 2C8), de serumconcentratie van pioglitazon respectievelijk verhoogt of verlaagt (zie rubriek 4.5).

Eliminatie

Na orale toediening van radioactief gelabeld pioglitazon aan mensen werd het label voornamelijk in de feces (55%), en in mindere mate in de urine (45%) teruggevonden. In dieren kan zowel in de urine als in de feces slechts een kleine hoeveelheid onveranderd pioglitazon worden gedetecteerd. De gemiddelde serumeliminatiehalfwaardetijd van onveranderd pioglitazon bij mensen bedraagt 5 tot

6 uur, en van alle actieve metabolieten 16 tot 23 uur.

Speciale populaties

Nierfunctiestoornis

Bij patiënten met een nierfunctiestoornis zijn de serumconcentraties van pioglitazon en zijn metabolieten lager dan die bij proefpersonen met een normale nierfunctie, maar de orale klaring van de oorspronkelijke stof is ongeveer gelijk. De concentratie van vrij (ongebonden) pioglitazon is daarom niet veranderd (zie rubriek 4.2).

Leverfunctiestoornis

De totale serumconcentratie van pioglitazon is niet veranderd, maar het distributievolume is verhoogd. De intrinsieke klaring is daarom verlaagd, en gaat samen met een hogere ongebonden fractie pioglitazon (zie rubriek 4.2).

Ouderen(≥ 65 jaar)

De farmacokinetiek bij steady-state is bij patiënten van 65 jaar en ouder en bij jonge proefpersonen ongeveer gelijk (zie rubriek 4.2).

Pediatrische patiënten

De farmacokinetiek van pioglitazon bij kinderen en jongeren < 18 jaar is niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar (zie rubriek 4.2).

Incresync

Speciale populaties

Nierfunctiestoornis

Voor patiënten met een matige nierfunctiestoornis dient Incresync 12,5 mg/30 mg of 12,5 mg/45 mg eenmaal daags toegediend te worden. Incresync wordt niet aanbevolen voor patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of nierziekte in het laatste stadium die moeten worden gedialyseerd. Voor patiënten met een lichte nierfunctiestoornis is geen dosisaanpassing van Incresync vereist (zie rubriek 4.2).

Leverfunctiestoornis

Door de pioglitazoncomponent mag Incresync niet worden gebruikt bij patiënten met een leverfunctiestoornis (zie rubriek 4.2).

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Met de gecombineerde stoffen van Incresync zijn dieronderzoeken uitgevoerd met een duur van maximaal 13 weken.

Gelijktijdige behandeling met alogliptine en pioglitazon leidde niet tot nieuwe toxiciteiten en maakte de pioglitazongerelateerde bevindingen niet erger. Er werden geen effecten waargenomen op de toxicokinetiek van beide stoffen.

Combinatiebehandeling met alogliptine en pioglitazon bij zwangere ratten gaf een lichte verhoging van pioglitazongerelateerde foetale effecten van groeiretardatie en viscerale variaties, maar gaf geen inductie van embryofoetale mortaliteit of teratogeniciteit.

De hieronder weergegeven gegevens zijn bevindingen uit onderzoeken die zijn uitgevoerd met alogliptine of pioglitazon afzonderlijk.

Alogliptine

Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie en toxicologie.

De NOAEL-waarde (no-observed-adverse-effect level) in de toxiciteitsonderzoeken bij herhaalde dosering bij ratten en honden, die respectievelijk 26 en 39 weken duurden, leverde blootstellingsgrenzen op die respectievelijk ongeveer 147 maal en 227 maal hoger waren dan de blootstelling bij mensen bij de aanbevolen dagelijkse dosis van 25 mg alogliptine.

Alogliptine was in een standaardreeks van in-vitro- en in-vivo-genotoxiciteitsonderzoeken niet genotoxisch.

Alogliptine was in 2 jaar durende carcinogeniteitsonderzoeken bij ratten en muizen niet carcinogeen. Minimale tot lichte eenvoudige overgangscelhyperplasie werd gezien in de urineblaas van mannelijke ratten, bij de laagste gebruikte dosis (27 keer de humane blootstelling) zonder vaststellen van een duidelijke NOEL (no observed effect level).

Er werden geen nadelige effecten van alogliptine waargenomen op de vruchtbaarheid, reproductieve functie of vroege embryo-ontwikkeling bij ratten, tot op een systemische blootstelling die veel hoger was dan de blootstelling bij mensen bij de aanbevolen dosering. Hoewel de vruchtbaarheid niet werd aangetast, werd een lichte statistische stijging van het aantal afwijkende spermacellen waargenomen bij mannetjesratten, bij een blootstelling die veel hoger was dan de blootstelling bij mensen bij de aanbevolen dosering.

Alogliptine passeert bij ratten de placenta.

Alogliptine was bij ratten of konijnen niet teratogeen bij een systemische blootstelling op het niveau van de NOAEL-waarden, die veel hoger was dan de blootstelling bij mensen bij de aanbevolen dosering. Hogere doses alogliptine waren niet teratogeen, maar leidden tot maternale toxiciteit en gingen gepaard met vertraagde en/of ontbrekende ossificatie van botten en afgenomen lichaamsgewicht van de foetus.

In een onderzoek naar de pre- en postnatale ontwikkeling bij ratten hadden blootstellingen die veel hoger waren dan de blootstelling bij mensen bij de aanbevolen dosering, geen schadelijke effecten op de ontwikkeling van het embryo of op de groei en ontwikkeling van de nakomelingen. Hogere doses alogliptine leidden tot afgenomen lichaamsgewicht van de nakomelingen en gaven enige effecten op de ontwikkeling die als secundair aan het lagere lichaamsgewicht werden beschouwd.

Onderzoek met zogende ratten wijst erop dat alogliptine in melk wordt uitgescheiden.

Er werden geen alogliptine-gerelateerde effecten waargenomen bij juveniele ratten na herhaalde toediening gedurende 4 en 8 weken.

Pioglitazon

In toxicologisch onderzoek waren vergroting van het plasmavolume met hemodilutie, anemie en reversibele excentrische harthypertrofie consistent duidelijk aanwezig na herhaalde toediening aan muizen, ratten, honden en apen. Daarenboven werden verhoogde vetafzetting en -infiltratie waargenomen. Deze bevindingen werden bij de verschillende diersoorten waargenomen bij plasmaconcentraties van ≤ 4 maal de klinische blootstelling. Foetale groeibeperking was duidelijk aanwezig in dieronderzoek met pioglitazon. Deze was toe te schrijven aan de werking van pioglitazon in het verlagen van de maternale hyperinsulinemie en aan de verhoogde insulineresistentie die tijdens de zwangerschap optreedt, waardoor de beschikbaarheid van metabole substraten voor foetale groei wordt verlaagd.

Pioglitazon vertoonde geen genotoxisch potentieel in een uitgebreide reeks genotoxiciteitstesten, zowel in vivo als in vitro. Er was duidelijk sprake van een verhoogde incidentie van hyperplasie (mannetjes en vrouwtjes) en tumoren (mannetjes) van het urineblaasepitheel bij ratten die tot maximaal 2 jaar waren behandeld met pioglitazon.

De vorming en aanwezigheid van urinestenen met hieruit voortkomende irritatie en hyperplasie is voorgesteld als de mechanistische basis voor de waargenomen tumorigene respons bij mannetjesratten. In een 24 maanden durend mechanistisch onderzoek met mannetjesratten is aangetoond dat toediening van pioglitazon leidde tot een verhoogde incidentie van hyperplastische veranderingen in de blaas. Diëtische verzuring leidde tot een significante afname van het aantal tumoren, maar bracht de incidentie niet tot nul terug. De aanwezigheid van microkristallen verhoogde de hyperplastische respons, maar werd niet als de primaire oorzaak van hyperplastische veranderingen beschouwd. De relevantie van de tumorigene bevindingen bij mannetjesratten voor mensen kan niet worden uitgesloten.

Er was geen tumorigene respons bij muizen van beide geslachten. Hyperplasie van de urineblaas is niet gezien bij honden of apen die tot 12 maanden werden behandeld met pioglitazon.

In een diermodel voor familiaire adenomateuze polyposis leidde behandeling met twee andere thiazolidinedionen tot een verhoging van de tumormultipliciteit in het colon. De relevantie van deze bevinding is niet bekend.

Environmental Risk Assessment (ERA – Milieu- en effectbeoordeling)

Er worden geen effecten op het milieu verwacht van het klinische gebruik van pioglitazon.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Tabletkern

Mannitol

Microkristallijne cellulose

Hydroxypropylcellulose

Natriumcroscarmellose

Magnesiumstearaat

Lactose-monohydraat

Filmomhulling

Incresync

Incresync

Incresync

Incresync

12,5 mg/30 mg

12,5 mg/45 mg

25 mg/30 mg

25 mg/45 mg

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

Hypromellose

Hypromellose

Hypromellose

Hypromellose

Talk

Talk

Talk

Talk

Titaniumdioxide

Titaniumdioxide

Titaniumdioxide

Titaniumdioxide

(E171)

(E171)

(E171)

(E171)

Macrogol 8000

Macrogol 8000

Macrogol 8000

Macrogol 8000

Rood ijzeroxide (E172)

Rood ijzeroxide (E172)

Rood ijzeroxide (E172)

Rood ijzeroxide (E172)

Geel ijzeroxide (E172)

 

Geel ijzeroxide (E172)

 

Drukinkt

Incresync

Incresync

Incresync

Incresync

12,5 mg/30 mg

12,5 mg/45 mg

25 mg/30 mg

25 mg/45 mg

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

filmomhulde tabletten

Schellak

Schellak

Schellak

Schellak

Rood ijzeroxide (E172)

Rood ijzeroxide (E172)

Zwart

Zwart

 

 

ijzeroxide (E172)

ijzeroxide (E172)

Carnaubawas

Carnaubawas

 

 

Glycerol mono-oleaat

Glycerol mono-oleaat

 

 

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3Houdbaarheid

4 jaar.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities wat betreft de temperatuur. Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen vocht.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Blisterverpakkingen van nylon/aluminium/polyvinylchloride (PVC) met aluminium doordrukfolie ter afdekking. Verpakkingsgrootten van 10, 14, 28, 30, 56, 60, 90, 98 of 100 filmomhulde tabletten.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Takeda Pharma A/S

Dybendal Alle 10

2630 Taastrup

Denemarken

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/13/842/001-036

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 19/09/2013

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld