Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Kies uw taal

Pandemic influenza vaccine H5N1 AstraZeneca (Pandemic influenza vaccine H5N1 Medimmune) (reassortant influenza virus (live attenuated)...) – Samenvatting van de productkenmerken - J07BB03

Updated on site: 09-Oct-2017

Naam van geneesmiddelPandemic influenza vaccine H5N1 AstraZeneca (Pandemic influenza vaccine H5N1 Medimmune)
ATC codeJ07BB03
Werkzame stofreassortant influenza virus (live attenuated) of the following strain: A/Vietnam/1203/2004 (H5N1) strain
ProducentAstraZeneca AB

Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca, neusspray, suspensie

Pandemisch influenzavaccin (H5N1) (levend verzwakt, nasaal)

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

1 dosis (0,2 ml) bevat:

Reassortant influenzavirus* (levend verzwakt) van de volgende stam**:

A/Vietnam/1203/2004 (H5N1)-stam

107,0±0,5 FFU***

(A/Vietnam/1203/2004, MEDI 0141000136)

*gekweekt in bevruchte kippeneieren van gezonde tomen kippen.

**met behulp van VERO-cellen geproduceerd via ‘reverse genetics’-technologie. Dit product bevat een genetisch gemodificeerd organisme (GMO, genetically modified organism).

***fluorescent focus units

Dit vaccin voldoet aan de WHO-aanbeveling en het EU-besluit voor een pandemie.

Het vaccin kan residuen bevatten van de volgende stoffen: eiwitten uit eieren (bv. ovalbumine) en gentamicine. De maximale hoeveelheid ovalbumine bedraagt minder dan 0,024 microgram per 0,2 ml dosis (0,12 microgram per ml).

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Neusspray, suspensie

De suspensie is kleurloos tot lichtgeel, helder tot opalescent. Kleine, witte deeltjes kunnen aanwezig zijn.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Preventie van influenza in een officieel uitgeroepen pandemie bij kinderen en adolescenten van 12 maanden tot minder dan 18 jaar.

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca dient te worden gebruikt in overeenstemming met de officiële richtlijnen.

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

Kinderen en adolescenten vanaf 12 maanden tot jonger dan 18 jaar

0,2 ml (toegediend als 0,1 ml per neusgat).

Er worden twee doses aanbevolen voor alle kinderen en adolescenten. De tweede dosis dient te worden toegediend na een tussentijd van minstens 4 weken.

Kinderen jonger dan 12 maanden

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca mag niet worden toegediend bij baby’s jonger dan 12 maanden vanwege veiligheidsbezwaren in verband met een verhoogd aantal ziekenhuisopnamen en een piepende ademhaling bij deze populatie (zie rubriek 4.8).

Wijze van toediening

Immunisatie dient te worden uitgevoerd via nasale toediening.

Injecteer Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca niet.

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca wordt als een verdeelde dosis in beide neusgaten toegediend. Na het toedienen van de halve dosis in het ene neusgat, dient u meteen of kort daarna de andere helft van de dosis toe in het andere neusgat. De patiënt kan vrij ademhalen terwijl het vaccin wordt toegediend en hoeft niet actief te inhaleren of te snuiven.

Zie rubriek 6.6 voor toedieningsinstructies.

4.3Contra-indicaties

Een voorgeschiedenis van een anafylactische (d.w.z. levensbedreigende) reactie op de werkzame stof of op (een van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen) (bv. gelatine), of op gentamicine (een mogelijk sporenresidu), eieren of kippenei-eiwitten (bv. ovalbumine). Tijdens een pandemie kan het echter aangewezen zijn om het vaccin toe te dienen, op voorwaarde dat het reanimatiemateriaal onmiddellijk beschikbaar is, indien nodig.

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Voorzichtigheid is geboden bij toediening van dit vaccin aan personen met een bekende overgevoeligheid (anders dan een anafylactische reactie) voor de werkzame stof of voor (een van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of voor spoor residu(en) (gentamicine, eieren of kippenei-eiwitten, ovalbumine). Gepaste medische behandeling en toezicht moeten altijd beschikbaar zijn in geval van een anafylactische of overgevoeligheidsreactie na toediening van het vaccin.

Er zijn geen gegevens over Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar die behandeld worden met salicylaten. Omwille van het verband tussen het syndroom van Reye met salicylaten en een wild-type influenza-infectie dienen zorgverleners het mogelijk risico van toediening van het vaccin af te wegen tegen de eventuele voordelen tijdens een pandemie (zie rubriek 4.5).

De immuunrespons kan ontoereikend zijn bij patiënten met een endogene of iatrogene immunosuppressie.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over personen met een significante klinische immunodeficiëntie. Tijdens een pandemie dienen zorgverleners de mogelijke voordelen, alternatieven en risico’s te beoordelen van toediening van het vaccin aan kinderen en adolescenten met een significante klinische immunodeficiëntie als gevolg van een ziekte of immunosuppressieve behandeling, zoals acute en chronische leukemie, lymfoom, symptomatische HIV-infectie, cellulaire immunodeficiëntie en hooggedoseerde corticosteroïden.

De veiligheid van een seizoensgebonden levend verzwakt griepvaccin (LAIV) bij kinderen met ernstige astma en een actieve piepende ademhaling werd onvoldoende onderzocht. Zorgverleners dienen de voordelen en mogelijke risico’s van toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca aan deze personen af te wegen.

In een studie met het seizoensgebonden trivalent levend verzwakt influenzavaccin (T/LAIV), werd een verhoogde incidentie van medisch significante piepende ademhaling waargenomen bij kinderen van 12-23 maanden (zie rubriek 4.8).

Gevaccineerden dienen te worden geïnformeerd dat Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca een levend verzwakt virusvaccin is dat kan overgedragen worden op immuungecompromitteerde contactpersonen. Gevaccineerden dienen, indien mogelijk, nauwe omgang met ernstig immuungecompromitteerde personen (bv. ontvangers van een beenmergtransplantatie die isolatie vereisen) proberen te vermijden gedurende 1-2 weken na de vaccinatie. Verspreiding van het H5N1- vaccinvirus was uiterst beperkt bij volwassenen. De piekincidentie van herstel van het vaccinvirus trad op 1-2 dagen na vaccinatie in klinische studies met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca. In omstandigheden waar contact met ernstig immuungecompromitteerde personen onvermijdelijk is, dient het mogelijke risico van transmissie van het influenzavaccinvirus afgewogen te worden tegen het risico om het wild-type influenzavirus te verwerven of over te dragen.

Gevaccineerden die behandeld worden met antivirale middelen tegen influenza mogen Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca niet toegediend krijgen tot 48 uur na het stopzetten van de behandeling met antivirale middelen tegen influenza.

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de veiligheid van intranasale toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca aan kinderen met niet-herstelde craniofaciale malformaties.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar die met salicylaten behandeld worden, dient vaccinatie met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca (zie rubriek 4.4) vermeden te worden. Het gebruik van salicylaten bij kinderen en adolescenten dient tot 4 weken na de vaccinatie vermeden te worden tenzij het medisch aangewezen is, vanwege meldingen van het syndroom van Reye na gebruik van salicylaten tijdens een wild-type influenza-infectie.

De gelijktijdige toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca met geïnactiveerde vaccins of met het seizoensgebonden Fluenz Tetra-vaccin werd niet onderzocht.

Gegevens over de gelijktijdige toediening van het seizoensgebonden levend trivalent influenzavaccin, intranasaal (T/LAIV) met levend verzwakte vaccins (mazelen, bof en rubellavaccin (MBR), varicellavaccin en oraal toegediend poliovirus) zijn beschikbaar en suggereren dat gelijktijdige toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca met deze levende vaccins aanvaardbaar kan zijn.

Omdat antivirale middelen tegen influenza de werkzaamheid van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca mogelijk kunnen verminderen, wordt aanbevolen het vaccin niet toe te dienen alvorens 48 uur verstreken zijn sinds het stopzetten van de behandeling met antivirale middelen tegen influenza. De toediening van antivirale middelen tegen influenza binnen twee weken na vaccinatie kan de respons op het vaccin beïnvloeden.

Indien antivirale middelen tegen influenza samen met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca toegediend worden, dient de timing en de noodzaak van hervaccinatie bepaald te worden op basis van klinische inschatting.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen gegevens over het gebruik van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca bij zwangere vrouwen.

Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van T/LAIV en het seizoensgebonden Fluenz Tetra-vaccin bij zwangere vrouwen. In een database voor gezondheidsschadeclaims bij een verzekeraar in de VS was geen bewijs van significant negatieve maternale uitkomsten

bij 138 zwangere vrouwen van wie was gemeld dat ze het seizoensgebonden vaccin T/LAIV toegediend hadden kregen . In 27 meldingen van de toediening van T/LAIV aan zwangere vrouwen afkomstig in het Amerikaans Vaccine Adverse Event Reporting System (VAERS) werden geen ongewone patronen van zwangerschapscomplicaties of foetale uitkomsten waargenomen.

Ook werden in het VAERS geen ongewone patronen van zwangerschapscomplicaties of foetale uitkomsten waargenomen bij 113 meldingen van zwangere vrouwen die het AstraZeneca (H1N1) 2009 monovalent levend vaccin intranasaal toegediend kregen.

De resultaten van dieronderzoek naar ontwikkelingsstoornissen met T/LAIV en Fluenz Tetra duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit. Post-marketing gegevens van occasioneel onbedoeld gebruik van seizoensgebonden griepvaccins bij zwangere vrouwen bieden enige geruststelling.

Zorgverleners dienen het voordeel en de mogelijke risico’s van toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca aan zwangere vrouwen tegen elkaar af te wegen.

Borstvoeding

Het is niet bekend of Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca in de moedermelk wordt uitgescheiden. Aangezien sommige virussen via de moedermelk worden uitgescheiden, mag het vaccin niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven.

Vruchtbaarheid

Er zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot de mogelijke effecten van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca op de vruchtbaarheid bij mannen en vrouwen.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen.

4.8Bijwerkingen

Overzicht van het veiligheidsprofiel

De beoordeling van het veiligheidsprofiel van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca is gebaseerd op gegevens van een beperkt aantal volwassen proefpersonen.

In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca vergelijkbaar met het veiligheidsprofiel van de T/LAIV en Fluenz Tetra seizoengebonden vaccins (zie rubriek 5.1 voor meer informatie).

Klinische studies hebben de incidentie van bijwerkingen geëvalueerd bij 59 volwassenen van 18 tot 49 jaar, die minstens één dosis Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca toegediend kregen. Aanvullende gegevens zijn afkomstig van 289 volwassenen opgenomen in studies met kandidaat- vaccins voor 7 extra influenza subtypes en van 240 volwassenen en 259 kinderen opgenomen in studies met het monovalente pandemische 2009 H1N1-vaccin.

De meest voorkomende bijwerkingen in klinische studies met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca bij gezonde volwassenen waren hoofdpijn (25,4%) en infectie van de bovenste luchtwegen (10,2%).

Pediatrische patiënten

Overzicht van de bijwerkingen

In klinische studies en tijdens post-marketing surveillance met T/LAIV en Fluenz Tetra bij meer dan 110.000 kinderen en adolescenten van 2 tot 17 jaar, werden de volgende frequenties aan bijwerkingen gemeld:

Zeer vaak (≥ 1/10) Vaak (≥ 1/100, < 1/10)

Soms (≥ 1/1.000, < 1/100) Zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000) Zeer zelden (< 1/10.000)

Immuunsysteemaandoeningen

Soms: overgevoeligheidsreacties (waaronder gezichtsoedeem, urticaria en zeer zeldzame anafylactische reacties)

Voedings- en stofwisselingsstoornissen

Zeer vaak: verminderde eetlust

Zenuwstelselaandoeningen

Zeer vaak: hoofdpijn

Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen

Zeer vaak: neusverstopping/rinorroe

Soms: bloedneus

Huid- en onderhuidaandoeningen

Soms: huiduitslag

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

Vaak: myalgie

Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen

Zeer vaak: malaise

Vaak: pyrexie

Beschrijving van de geselecteerde bijwerkingen

Kinderen jonger dan 12 maanden

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca is niet geïndiceerd voor gebruik bij kinderen jonger dan 12 maanden (zie rubriek 4.2). De veiligheid en werkzaamheid van het vaccin werden niet vastgesteld in deze populatie. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

In een actief gecontroleerd klinisch onderzoek (MI-CP111) uitgevoerd met T/LAIV in vergelijking met het trivalent injecteerbare influenzavaccin werd bij baby’s in de leeftijdscategorie

van 6-11 maanden oud gedurende 180 dagen na de laatste vaccinatiedosis een grotere frequentie van het aantal ziekenhuisopnamen (ongeacht de reden) waargenomen (6,1% T/LAIV versus 2,6% injecteerbaar influenzavaccin). De meeste ziekenhuisopnamen waren te wijten aan infecties in het maag-darmkanaal en de luchtwegen en deden zich meer dan 6 weken na de vaccinatie voor. De frequentie van ziekenhuisopnames nam niet toe bij ontvangers van T/LAIV van 12 maanden en ouder en de cijfers voor baby’s en peuters van 12-23 maanden waren 3,2% voor T/LAIV tegenover 3,5% voor het injecteerbare influenzavaccin.

Piepende ademhaling bij kinderen jonger dan 24 maanden

In hetzelfde onderzoek werd tot aan 42 dagen vaker een piepende ademhaling waargenomen bij baby’s en peuters van 6-23 maanden (5,9% T/LAIV versus 3,8% injecteerbaar influenzavaccin). Overeenstemmende cijfers bij baby’s en peuters van 12-23 maanden waren 5,4% en 3,6% voor respectievelijk T/LAIV en voor het injecteerbare influenzavaccin. In totaal werden 20 personen (12

personen met T/LAIV (0,3%) en 8 personen met het injecteerbare influenzavaccin (0,2%)) gehospitaliseerd vanwege een medisch significante piepende ademhaling. Er waren geen overlijdens als gevolg van deze voorvallen en geen van de gehospitaliseerde kinderen moest kunstmatig beademd worden of opgenomen worden op de afdeling intensieve zorg. De frequentie van piepende ademhaling was niet verhoogd bij met T/LAIV gevaccineerden van 24 maanden en ouder.

Chronische aandoeningen

Hoewel de veiligheid bij kinderen en adolescenten met lichte tot matige astma werd vastgesteld voor T/LAIV, zijn er slechts beperkte gegevens beschikbaar voor kinderen met andere longziekten of met chronische cardiovasculaire, metabole of nieraandoeningen.

In een studie (D153-P515) bij kinderen van 6 tot 17 jaar die lijden aan astma (seizoensgebonden vaccin T/LAIV: n = 1114, seizoensgebonden injecteerbaar influenzavaccin: n=1115) waren er geen significante verschillen tussen de behandelingsgroepen voor wat betreft de incidentie van astma- exacerbaties, gemiddelde expiratoire piekstroom, astmasymptoomscores of scores voor nachtelijk ontwaken. De incidentie van een piepende ademhaling binnen 15 dagen na vaccinatie was lager bij personen gevaccineerd met T/LAIV dan bij personen met een geïnactiveerd seizoensgebonden vaccin (19,5% tegenover 23,8%; P = 0,02).

In een studie (AV010) bij kinderen en adolescenten van 9 tot 17 jaar met matige tot ernstige astma (seizoensgebonden vaccin T/LAIV: n = 24, placebo: n = 24) was er geen verschil tussen beide behandelingsgroepen voor het primaire veiligheidseindpunt, de percentuele verandering van het voorspelde geforceerde expiratoire volume (FEV1) in 1 seconde gemeten vóór en na vaccinatie.

Andere specifieke populaties:

Immuungecompromitteerde personen

Globaal genomen was het veiligheidsprofiel van T/LAIV bij een beperkt aantal proefpersonen met lichte tot matige niet-HIV-gerelateerde verminderde immuunfunctie, asymptomatische of licht symptomatische HIV-infectie of kanker (solide tumoren en hematologische maligniteiten) vergelijkbaar met dat van gezonde personen en wees het niet op enig ongunstig effect. Er zijn geen gegevens beschikbaar over personen met ernstige immunosuppressie (zie rubriek 4.4). Tijdens een pandemie kan gebruik van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca overwogen worden bij personen met lichte tot matige immunosuppressie na afweging van de verwachte voordelen ten opzichte van de mogelijke risico’s voor de betrokkene.

Post-marketing ervaring met seizoensgebonden T/LAIV

In zeer zeldzame gevallen is melding gemaakt van het syndroom van Guillain-Barré en van exacerbatie van de symptomen van het syndroom van Leigh (mitochondriale encefalomyopathie).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen de voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

Er zijn meldingen gemaakt van toediening van tweemaal de aanbevolen dosis van het seizoensgebonden Fluenz Tetra-vaccin en van het trivalent levend seizoensgebonden vaccin, intranasaal (T/LAIV) na het in de handel brengen. De gemelde bijwerkingen waren vergelijkbaar met die bij de aanbevolen enkele dosis T/LAIV en Fluenz Tetra.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: influenzavaccins, influenza levend verzwakt; ATC-code: J07BB03

De influenzavirusstam in Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca is (a) aan koude aangepast (cold-adapted; ca); (b) temperatuurgevoelig (temperature-sensitive; ts); en (c) verzwakt (attenuated; att). Het virus moet bij de gevaccineerde ontvanger de cellen infecteren die de nasofarynx bekleden en zich daarin repliceren om beschermende immuniteit te induceren.

Klinische studies

Deze rubriek beschrijft de klinische ervaring waargenomen in drie centrale studies bij volwassenen met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca. Daarnaast werden studies uitgevoerd met het AstraZeneca 2009 H1N1 pandemisch LAIV en het seizoensgebonden vaccin T/LAIV ook als ondersteunend beschouwd, omdat al deze vaccins door middel via hetzelfde proces vervaardigd worden, langs dezelfde weg toegediend worden en hoofdzakelijk bij naïeve personen gebruikt worden.

Pediatrische studies

H1N1 pandemisch vaccin LAIV bij kinderen van 2 tot 17 jaar

In de klinische studie MI-CP217 werden de veiligheid en beschrijvende immunogeniciteit beoordeeld van een levend verzwakt monovalent influenzavirusvaccin (afkomstig van A/California/7/2009) ontwikkeld voor de H1N1-pandemie in 2009 bij in totaal 326 gerandomiseerde proefpersonen (259 proefpersonen kregen monovalent vaccin; 65 proefpersonen kregen placebo) en 324 proefpersonen kregen één dosis experimenteel product. Van deze proefpersonen kregen er 319 een tweede dosis (256 proefpersonen kregen monovalent vaccin; 63 proefpersonen kregen placebo).

Bij kinderen, ongeacht hun serologische status bij aanvang van de studie, bedroegen de serologische responscijfers na vaccinatie met het monovalent vaccin 7,8% en 11,1% op respectievelijk dag 15 en 29, en 32,0% op dag 57. Bij de personen die een placebo kregen, ongeacht hun serologische status bij aanvang van de studie, bedroeg het serologische responscijfer 6,3% op dag 15 en 29 en 14,5% op dag 57. De serologische responscijfers waren iets hoger bij proefpersonen die seronegatief waren bij aanvang van de studie. In een surveillancestudie die uitgevoerd werd door het Amerikaans CDC (Griffin, et al, 2011) werd de werkzaamheid van het H1N1-pandemievaccin LAIV bij kinderen van 2 tot 9 jaar geschat op 81,9% (95%-BI:13,6; 96,2).

Werkzaamheid van T/LAIV

De gegevens over de werkzaamheid van T/LAIV in de pediatrische populatie bestaan

uit 9 gecontroleerde onderzoeken met in totaal 20.000 baby’s en peuters, kinderen en adolescenten, uitgevoerd gedurende 7 influenzaseizoenen. In vier placebogecontroleerde onderzoeken is

de tweede hervaccinatie van het seizoen opgenomen. Drie onderzoeken met injecteerbaar influenzavaccin en werkzame controle toonden de superioriteit van T/LAIV aan. Zie tabel 1 en 2 voor een samenvatting van de werkzaamheidsresultaten in de pediatrische populatie.

Tabel 1

Werkzaamheid van T/LAIV in placebogecontroleerde pediatrische onderzoeken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Aantal

 

Werkzaamheid

Werkzaamheid

 

 

 

 

(95%-BI)

c

Onderzoeks-

 

Leeftijds-

deelnemers

Influenza-

(95%-BI)c

 

nummer

Regio

bereika

aan het

seizoen

overeenkomstige

alle stammen

 

 

 

onderzoekb

 

stammen

ongeacht

 

 

 

 

 

 

overeenkomst

 

 

 

1.616

2000–2001

85,4%

85,9%

 

D153-P502

Europa

6 tot 35 M

(74,3; 92,2)

(76,3; 92,0)

 

 

1.090

2001–2002

88,7%

85,8%

 

 

 

 

 

 

 

 

(82,0; 93,2)

(78,6; 90,9)

 

 

 

 

 

 

 

 

1.886

73,5%

72,0%

 

D153-P504

Afrika,

6 tot 35 M

(63,6; 81,0)d

(61,9; 79,8)d

Latijns-Amerika

73,6%

46,6%

 

 

 

 

 

 

 

(33,3; 91,2)

(14,9; 67,2)

 

 

 

 

 

D153-P513

Azië/Oceanië

6 tot 35 M

62,2%

48,6%

 

(43,6; 75,2)

(28,8; 63,3)

 

 

 

 

 

 

Europa,

 

 

 

78,4%

63,8%

 

D153-P522

Azië/Oceanië,

11 tot 24 M

2002–2003

 

(50,9; 91,3)

(36,2; 79,8)

 

Latijns-Amerika

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2000–2001

72,9%

70,1%

 

D153-P501

Azië/Oceanië

12 tot 35 M

(62,8; 80,5)

(60,9; 77,3)

 

 

2001–2002

84,3%

64,2%

 

 

 

 

 

 

 

 

(70,1; 92,4)e

(44,2; 77,3)e

 

 

 

1996–1997

93,4%

93,4%

 

AV006

VS

15 tot 71 M

(87,5; 96,5)

(87,5; 96,5)

 

 

1997–1998

100%

87,1%

 

 

 

 

 

 

 

 

(63,1; 100)

(77,7; 92,6)f

aM = maanden

bAantal studiedeelnemers tijdens jaar 1 of jaar 2 van de primaire werkzaamheidsanalyse.

cDaling van het aantal door middel van kweek bevestigde gevallen van influenza ten opzichte van placebo.

dDe gegevens afkomstig uit klinische studie D153-P504 gelden voor studiedeelnemers die twee doses van het studievaccin of placebo ontvingen. Bij voorheen ongevaccineerde studiedeelnemers die één dosis kregen in jaar 1, bedroeg de werkzaamheid 57,7% (95%-BI: 44,7; 67,9) tegen gematchte stammen en 56,3% (95%-

BI: 43,1; 66,7) tegen alle stammen, ongeacht matching. Dit bevestigt dus de noodzaak van twee doses vaccin bij voorheen ongevaccineerde kinderen.

eBij studiedeelnemers die 2 doses kregen in jaar 1 en placebo in jaar 2 was de werkzaamheid in jaar 2 56,2% (95%-BI: 30,5; 72,7) tegen gematchte stammen en 44,8% (95%-BI: 18,2; 62,9) tegen alle stammen, ongeacht matching, in D153-P501, wat de noodzaak van een tweede seizoens-hervaccinatie aangeeft.

fDe primaire circulerende stam was antigeen verschillend van de H3N2-stam die in het vaccin voorkwam;

de werkzaamheid tegen de niet-overeenkomstige A/H3N2 stam was 85,9% (95%-BI: 75,3; 91,9).

Tabel 2

Relatieve werkzaamheid van T/LAIV in pediatrische studies met seizoengebonden

 

injecteerbaar influenzavaccin met werkzame controle

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verbeterde

Verbeterde

 

 

 

 

Aantal

 

werkzaamheid

 

 

 

 

 

werkzaamheid

Onderzoeks-

 

 

Leeftijds-

deelnemers

Influenza-

(95%-BI)

b

 

Regio

(95%-BI)

b

 

nummer

 

bereika

aan het

seizoen

 

alle stammen

 

 

 

 

onderzoek

 

overeenkomstige

ongeacht

 

 

 

 

 

stammen

 

 

 

 

 

 

overeenkomst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

44,5%

 

54,9%

 

 

 

 

 

 

2004

(22,4; 60,6)

(45,4; 62,9)c

MI-CP111

 

VS, Europa,

6 tot 59 M

minder gevallen

minder gevallen

 

Azië/Oceanië

dan bij

 

dan bij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

injecteerbaar

injecteerbaar

 

 

 

 

 

 

vaccin

 

vaccin

 

 

 

 

 

 

 

52,7%

 

52,4%

 

 

 

 

 

 

2002

(21,6; 72,2)

(24,6; 70,5)d

D153-P514

 

Europa

6 tot 71 M

minder gevallen

minder gevallen

 

dan bij

 

dan bij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

injecteerbaar

injecteerbaar

 

 

 

 

 

 

vaccin

 

vaccin

 

 

 

 

 

 

 

34,7%

 

31,9%

 

 

 

 

 

 

2002

(3,9; 56,0)

(1,1; 53,5)

D153-P515

 

Europa

6 tot 17 J

minder gevallen

minder gevallen

 

dan bij

 

dan bij

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

injecteerbaar

injecteerbaar

 

 

 

 

 

 

vaccin

 

vaccin

 

aM = maanden. J = jaar. Leeftijdsbereik zoals beschreven in het protocol voor het onderzoek.

bDaling van het aantal door middel van een kweek bevestigde gevallen van influenza ten opzichte van injecteerbaar influenzavaccin.

cBij gebruik van T/LAIV werden bij 3686 baby’s en peuters van 6–23 maanden 55,7% (39,9; 67,6) minder gevallen gezien dan bij gebruik van injecteerbaar influenzavaccin en bij 4166 kinderen in de leeftijdscategorie van 24–59 maanden 54,4% (41,8; 64,5) minder gevallen.

dBij gebruik van T/LAIV werden bij 476 baby’s en peuters van 6–23 maanden 64,4% (1,4; 88,8)

minder gevallen gezien dan bij gebruik van injecteerbaar influenzavaccin en bij 1609 kinderen in de leeftijdscategorie van 24–71 maanden 48,2% (12,7; 70,0) minder gevallen.

P/LAIV H5N1-vaccin

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca in een of meerdere subgroepen van pediatrische patiënten (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

Dit geneesmiddel is geregistreerd in het kader van een zogeheten ’voorwaardelijke toelating’. Dit betekent dat aanvullend bewijs over de baten van dit geneesmiddel wordt afgewacht.

Het Europees Geneesmiddelenbureau zal nieuwe informatie over dit geneesmiddel op zijn minst eenmaal per jaar beoordelen en zo nodig deze SPC aanpassen.

Studies bij volwassenen

Volwassenen van 18 tot 49 jaar

In klinische studie CIR 217 werden de veiligheid, infectiviteit en immunogeniciteit beoordeeld van een levend verzwakt vaccin afkomstig van het A/Vietnam/1203/2004 (H5N1) influenza-isolaat bij 21 proefpersonen die één 106.7 mediane 50% weefselkweek infectieuze dosis (TCID50) kregen, waarbij 18 van deze proefpersonen 4-8 weken later een tweede dosis kregen. Nog eens 21 proefpersonen kregen één 107.5 TCID50-dosis vaccinvirus waarbij 19 van deze proefpersonen 4-8 weken later een tweede dosis kregen. Na 1 of 2 106.7 TCID50-doses vaccin werden zowel HAI- (hemagglutinatieremming) als IgA-serologische responsen vastgesteld bij 10% van de proefpersonen, en werden bij neusspoeling

IgA-responsen vastgesteld bij 24% van de proefpersonen. Na 1 of 2 107.5 TCID50-doses vaccin werden zowel HAI- als IgA-serologische responsen vastgesteld bij 10% en 52% van de proefpersonen en werden nasale IgA-responsen vastgesteld bij 19% van de proefpersonen.

In klinische studie CIR 239 werden de veiligheid, infectiviteit en immunogeniciteit beoordeeld van een levend verzwakt vaccin afkomstig van het A/Hong Kong/213/2003 (H5N1) influenza-isolaat bij 17 proefpersonen die intranasaal één dosis 107.5 TCID50 van het vaccin toegediend kregen in isolatie, waarbij 16 van deze proefpersonen 4-8 weken later een tweede dosis kregen. Er werden bij geen van de proefpersonen HAI-responsen vastgesteld, noch na de eerste noch na de tweede dosis vaccin. serologische IgA-respons en neusspoelingrespons werden elk vastgesteld bij 18% van de proefpersonen.

Volwassenen van 22 tot 54 jaar

Klinische studie CIR 277 onderzocht of personen die eerder gevaccineerd werden met een pandemisch levend verzwakt H5N1 influenzavaccin, geprimed werden of een langdurige immuniteit ontwikkelden die opgespoord kon worden na de daaropvolgende toediening van een geïnactiveerd H5N1-vaccin.

Aan deze studie namen 69 proefpersonen deel, verdeeld over 5 groepen: groep 1 telde 11 proefpersonen die eerder 2 doses A/Vietnam/1203/2004 H5N1 pandemisch levend verzwakt influenzavaccin (P/LAIV) gekregen hadden in 2006-2007; groep 2 telde 10 proefpersonen die eerder 2 doses A/Hong Kong/213/2003 H5N1 P/LAIV gekregen hadden in 2007; groep 3 telde

8 proefpersonen die eerder 2 doses A/British Columbia/CN-6/2004 H7N3 P/LAIV gekregen hadden in 2010 (als controlegroep voor P/LAIV); groep 4 en 5 telden elk 20 proefpersonen die niet eerder gevaccineerd werden met LAIV en die influenza H5-naïef waren. Proefpersonen in groep 1 tot 4 kregen één 45-μg-dosis A/Vietnam/1203/2004 pandemisch geïnactiveerd influenzavaccin (P/IIV) terwijl proefpersonen uit groep 5 2 doses kregen, met een tussentijd van ongeveer 28 dagen.

Met P/LAIV H5N1 geprimede proefpersonen ontwikkelden een sterke antilichaamrespons op het wild-type H5N1-virus bij latere blootstelling aan het geïnactiveerde H5N1-vaccin, ook al was dergelijke antilichaamrespons bij de meeste proefpersonen niet detecteerbaar na de primaire 2 doses. Proefpersonen die geprimed waren met A/Vietnam/1203/2004 P/LAIV of met A/Hong Kong/213/2003 P/LAIV vertoonden een significant betere respons op één enkele dosis geïnactiveerd H5N1-vaccin dan P/LAIV-naïeve proefpersonen. De antilichaamrespons bij met A/Vietnam/1203/2004 P/LAIV geactiveerde proefpersonen was ook hoger dan die na 2 doses geïnactiveerd vaccin bij P/LAIV-naïeve proefpersonen (zie tabel 3).

Tabel 3 Antilichaamresponsen in de “serum microneutralization” (MN)- en “hemagglutinatie- inhibitie” (HAI)-test op dag 28 en 56 na toediening van een geïnactiveerd H5N1-vaccin

 

 

 

 

28 dagen na geïnactiveerd

56 dagen na geïnactiveerd

 

 

 

 

vaccina

 

 

 

 

vaccina

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Proef-

 

 

 

 

 

 

 

Proef-

 

 

personen

 

 

 

 

Geo-

personen met

Geome-

met 4-

 

 

 

 

4-voudige

voudige

 

 

 

 

metrisch

trisch

 

 

 

 

stijging van

stijging van

 

 

Aantal Vietnam

 

gemiddelde

gemiddel-

 

 

 

het aantal

het aantal

 

 

 

titer

de titer

Studie-

P/LAIV

Aantal

antilichamen

antilichamen

 

 

 

 

 

priming

geïnactiveerde

proef-

 

 

 

(percentage)b

 

 

(percentage)

groep

 

 

 

 

 

dosis

vaccin-

personen

 

 

 

 

 

 

 

 

b

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

doses

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

MN

 

HAI

MN

HAI

MN

HAI

MN

HAI

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H5N1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vietnam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

H5N1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hong Kong

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geen

20c

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Gegevens voor groep 3, proefpersonen oorspronkelijk gevaccineerd met een H7N3 P/LAIV worden niet getoond.

aDagen worden geteld vanaf de enige dosis P/IIV voor groep 1-4 en vanaf de eerste dosis van 2 doses P/IIV voor groep 5.

bSerologische respons gedefinieerd als een ≥ 4-voudige stijging van de antilichamentiter (≥ 1:20).

cSerummonsters waren beschikbaar voor 7 proefpersonen in groep 3 op dag 28 en voor 18 proefpersonen in groep 5 op dag 56.

De antilichaamrespons ontstond snel bij met P/LAIV H5N1 geprimede proefpersonen. Zeven van de 11 (64%) proefpersonen in groep 1 (ca A/Vietnam/1204/2004 [H5N1]) vertoonde een ≥ 4-voudige stijging van de HAI-antilichaamtiter op dag 7 na toediening van het geïnactiveerde vaccin, met een geometrisch gemiddelde titer (GMT) van 165 en een titerspreiding van 20 tot 1280 bij responders. Van de P/LAIV-naïeve proefpersonen vertoonde slechts 10% een ≥ 4-voudige stijging op dag 7. De antilichaamrespons bij met P/LAIV H5N1 geprimede proefpersonen was ook breder. Met H5N1 P/LAIV geprimede proefpersonen ontwikkelden een antilichaamrespons die 2 of meer claden H5N1- virussen van de A/Goose/Guangdong/1996 H5N1-lijn neutraliseerde, terwijl slechts enkele proefpersonen, zelfs in de vaccingroep die 2 doses geïnactiveerd H5N1 hadden gekregen, cross-clade neutraliserende antilichamen ontwikkelden. De affiniteit van antilichamen tegen het HA1-domein van de H5 HA in de met H5N1 P/LAIV geprimede groepen was significant hoger dan in de groep met 2 doses geïnactiveerd vaccin, wat een correlatie vertoonde met cross-clade H5N1-neutralisatie.

Er werden vergelijkbare responsen gezien bij met P/LAIV H7N7 en H7N9 geprimede proefpersonen, die een krachtige antilichaamrespons ontwikkelden op de overeenstemmende wild-type virussen bij volgende blootstelling aan het geïnactiveerde vaccin van hetzelfde subtype. Voor de H7N7 P/LAIV werden sterke antilichaamresponsen in serum vastgesteld via zowel MN als HAI bij 9 van 13 personen, waarbij piektiters bereikt werden op dag 14. Voor de H7N9 P/LAIV, ontwikkelden 8 van de 14 personen die één enkele dosis vaccin kregen en 13 van de 16 personen die twee doses vaccin kregen, een sterke antilichaamrespons; piektiters werden opnieuw bereikt op dag 14.

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Niet van toepassing.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Niet-klinische gegevens met Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca, en de seizoengebonden vaccins T/LAIV en Fluenz Tetra duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel niet-klinisch onderzoek op het gebied van toxiciteit bij herhaalde dosering, reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit, lokale tolerantie en neurovirulentie.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Sucrose

Dibasisch kaliumfosfaat

Monobasisch kaliumfosfaat

Gelatine (varkens, type A)

Arginine hydrochloride

Mononatriumglutamaat monohydraat

Water voor injecties

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

6.3Houdbaarheid

18 weken.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Bewaren in de koelkast (2 °C – 8 °C).

Niet in de vriezer bewaren.

Bewaar de neuspipet in de buitenverpakking ter bescherming tegen licht.

Het vaccin mag vóór gebruik eenmaal uit de koelkast worden gehaald en op een temperatuur beneden 25 °C worden bewaard gedurende een periode van maximaal 12 uur. Als het vaccin niet binnen deze periode van 12 uur is gebruikt, moet het worden weggegooid.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca wordt geleverd als een 0,2 ml-suspensie in een neuspipet voor eenmalig gebruik (type 1-glas), met tuit (polypropyleen met polyethyleen transferklep), beschermdop van de tuitpunt (synthetisch rubber), rode plunjerstaaf, plunjerstop (butylrubber) en dosisverdelingsklem.

Verpakkingsgrootte van 10.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Toediening

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca IS UITSLUITEND BEDOELD VOOR NASAAL GEBRUIK.

NIET MET EEN NAALD GEBRUIKEN. Niet injecteren.

Gebruik Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca niet indien de houdbaarheidsdatum verstreken is of indien de verstuiver beschadigd lijkt, bijvoorbeeld indien de plunjer los of verwijderd is van de verstuiver of indien er tekenen zijn van lekkage.

Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca wordt als verdeelde dosis in beide neusgaten toegediend.

Dien onmiddellijk of korte tijd na het toedienen van de helft van de dosis in het ene neusgat de andere helft toe in het andere neusgat.

De patiënt kan normaal ademhalen terwijl het vaccin wordt toegediend – het is niet nodig om actief te inhaleren of te snuiven.

Raadpleeg het toedieningsschema van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca (afbeelding 1) voor stap-voor-stap toedieningsinstructies.

Afbeelding 1 Toediening van Pandemisch influenzavaccin H5N1 AstraZeneca

Plunjerstop

Dosisverdelingsklem

Rubberen beschermdop

Plunjerstaaf

Controleer de

Maak de applicator

Positioneer de

vervaldatum

gereed

applicator

Het product moet worden

Verwijder de rubber

Zorg ervoor dat de

gebruikt vóór de datum

beschermdop. Verwijder

patiënt rechtop zit en

op het etiket van de

de dosisverdelingsklem

plaats de punt net in

applicator.

aan het andere uiteinde

het neusgat om er zeker

 

van de applicator niet.

van te zijn dat

 

 

Pandemisch

 

 

influenzavaccin H5N1

 

 

AstraZeneca in de neus

 

 

wordt toegediend.

Druk de plunjer in

Verwijder de

Spray in het andere

Druk de plunjer met een

dosisverdelingsklem

neusgat

enkele beweging zo snel

Knijp in de

Plaats de punt net in

mogelijk in totdat de

dosisverdelingsklem van

het andere neusgat

dosisverdelingsklem

de plunjer en verwijder

en duw de plunjer met

voorkomt dat u

deze voorafgaand aan

een enkele beweging zo

verder gaat.

toediening in het andere

snel mogelijk in om

 

neusgat.

het resterende vaccin

 

 

toe te dienen.

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

AstraZeneca AB

SE-151 85 Södertälje

Zweden

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/16/1089/001

9. DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 20 mei 2016

Datum van laatste verlenging: 20 april 2017

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld