Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Rapilysin (reteplase) – Samenvatting van de productkenmerken - B01AD08

Updated on site: 09-Oct-2017

Naam van geneesmiddelRapilysin
ATC codeB01AD08
Werkzame stofreteplase
ProducentActavis Group PTC ehf

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Rapilysin 10 U poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie.

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Eén flacon bevat 10 U* reteplase ** in 0,56 g poeder

Eén voorgevulde injectiespuit bevat 10 ml water voor injecties.

De gereconstitueerde oplossing bevat 1 U reteplase per ml.

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

*De sterkte van reteplase is uitgedrukt in units (U) waarbij gebruik gemaakt is van een referentie- standaard welke specifiek is voor reteplase en niet vergelijkbaar is met units welke worden gebruikt voor andere trombolytica.

**Recombinant plasminogeen activator geproduceerd in Escherichia coli met behulp van recombinant DNA technologie

3.FARMACEUTISCHE VORM

Poeder en oplosmiddel voor oplossing voor injectie.

Wit poeder en heldere kleurloze vloeistof (water voor injecties).

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Rapilysin is geïndiceerd voor trombolytische therapie bij verdenking van een myocardinfarct met aanhoudende ST elevatie of recent linker bundeltak blok, binnen 12 uur na het optreden van de acuut myocard infarct (AMI) symptomen.

4.2Dosering en wijze van toediening

Behandeling met reteplase dient zo snel mogelijk na het optreden van de symptomen van het AMI te worden begonnen.

Rapilysin dient voorgeschreven te worden door artsen die ervaren zijn in het gebruik van trombolytische behandelingen en met faciliteiten om het effect van de behandeling te volgen.

Dosering

Dosering van Rapilysin

Rapilysin wordt toegediend als een 10 U bolus dosis, na 30 minuten gevolgd door een tweede 10 U bolus dosis (dubbele bolus).

Iedere bolusinjectie wordt toegediend als een langzame intraveneuze injectie, binnen 2 minuten. Men dient zich er van te verzekeren dat de injectie niet per ongeluk paraveneus wordt toegediend. Heparine en acetylsalicylzuur dienen te worden toegediend voorafgaand aan en na de toediening van Rapilysin om het risico op hernieuwde trombose te verminderen.

Dosering van heparine

De aanbevolen dosis heparine bedraagt 5000 I.E als bolusinjectie voorafgaand aan de behandeling met reteplase en gevolgd door een infuus met 1000 I.E per uur na de tweede reteplase bolusinjectie. Heparine dient gedurende minimaal 24 uur, bij voorkeur 48 - 72 uur, te worden toegediend met als doel de aPTT-waarden 1,5 tot 2 x hoger dan normaal te houden.

Dosering van acetylsalicylzuur

De startdosis van acetylsalicylzuur vóór starten van de trombolyse dient minimaal 250 mg (250 – 350 mg) te bedragen, gevolgd door 75-150 mg per dag tot minimaal de dag van ontslag uit het ziekenhuis.

Pediatrische patiënten

Er zijn geen gegevens beschikbaar.

Wijze van toediening

Reteplase wordt geleverd als gevriesdroogde substantie in flacons. Het lyofilisaat wordt gereconstitueerd met de inhoud van de bijbehorende injectiespuit. Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.

Rapilysin dient bij voorkeur te worden toegediend via een intraveneuze lijn die alleen voor de toediening van Rapilysin wordt gebruikt. Andere geneesmiddelen mogen niet worden toegediend via de lijn die is gereserveerd voor Rapilysin, noch tegelijkertijd met, noch voorafgaand aan, noch na de toediening van Rapilysin. Dit geldt voor alle producten inclusief heparine en acetylsalicylzuur die toegediend dienen te worden voorafgaand aan en na toediening van reteplase om het risico van hernieuwde trombose te verminderen.

Bij patiënten bij wie dezelfde lijn moet worden gebruikt, moet deze lijn (inclusief een Y-lijn), voorafgaand aan en na toediening van Rapilysin, grondig worden gespoeld met 0,9 % natrium- chloride-oplossing of 5 % glucose-oplossing.

4.3Contra-indicaties

Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.

Trombolytische therapie verhoogt het risico op bloedingen. Reteplase is daarom gecontra-indiceerd in de volgende situaties:

-Bekende hemorrhagische diathese

-Patiënten die orale anticoagulantia gebruiken (bijv. natriumwarfarine)

-Intracraniële neoplasmata, arterioveneuze malformaties of aneurysmata

-Neoplasmata met een verhoogde bloedingsneiging

-Cerebrovasculair accident in de anamnese

-Recente (d.w.z. < 10 dagen) langdurige en intensieve externe hartmassage

-Ernstige ongecontroleerde hypertensie

-Actief ulcus pepticum

-Portale hypertensie (oesofagus-varices)

-Ernstige lever- of nierinsufficiëntie

-Acute pancreatitis, pericarditis, bacteriële endocarditis

-Binnen 3 maanden na een ernstige bloeding, uitgebreid trauma of ingrijpende chirurgie (bijv. CABG, intracraniële of intraspinale chirurgie of trauma), bevalling, orgaanbiopsie, eerdere punctie van een niet te comprimeren bloedvat.

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Iedere patiënt, waarbij een behandeling met reteplase wordt overwogen, dient zorgvuldig geëvalueerd te worden. Zie rubriek 6.2 voor informatie over product onverenigbaarheden.

Bloedingen

De meest voorkomende complicatie tijdens behandeling met reteplase is een bloeding. In de volgende omstandigheden kan het risico van behandeling met reteplase toegenomen zijn en dient dit risico zorgvuldig te worden afgewogen tegen de te verwachten voordelen:

-Cerebrovasculaire aandoeningen

-Systolische bloeddruk bij begin van de behandeling > 160 mm Hg

-Recente (binnen tien dagen) gastro-intestinale of urogenitale bloedingen.

-Grote kans op stolsels in het linker hartdeel, bijv. mitralisstenose met atriumfibrilleren

-Septische trombophlebitis of geoccludeerde arterioveneuze canule op een ernstig geïnfecteerde plaats

-ouder dan 75 jaar

-Iedere andere aandoening waar bloedingen een significant gevaar vormen of bijzondere moeilijkheden opleveren door de plaats van de bloeding.

Het gelijktijdig gebruik van heparine kan bijdragen tot het ontstaan van een bloeding. Daar tijdens behandeling met reteplase lysis van de fibrine optreedt, kunnen bloedingen optreden bij recente punctieplaatsen. Daarom dienen tijdens trombolytische therapie alle mogelijke bloedingsplaatsen zorgvuldig te worden gecontroleerd (inclusief insertieplaatsen van catheters, arteriële en veneuze punctieplaatsen, plaatsen waar in een bloedvat is gesneden en naaldpunctieplaatsen). Het gebruik van starre katheters alsook intramusculaire injecties en niet-noodzakelijke manipulaties met de patiënt dienen te worden vermeden tijdens de behandeling met reteplase.

Er dient voorzichtigheid betracht te worden als het middel samen wordt gebruikt met andere geneesmiddelen die invloed uitoefenen op de hemostase zoals heparine, laagmoleculaire heparinen, heparinoïden, orale anticoagulantia, trombocytenaggregatieremmers, anders dan acetylsalicylzuur, zoals dipyridamol, ticlopidine, clopidogrel of glycoproteïne IIb/IIIa receptorantagonisten.

Indien ernstige bloedingen, met name cerebrale bloedingen, optreden dient elke gelijktijdige behandeling met heparine direct te worden gestaakt. Tevens dient de tweede bolusinjectie van reteplase niet te worden toegediend indien voor zijn toediening een ernstige bloeding is opgetreden. In het algemeen is het niet noodzakelijk om stollingsfactoren toe te dienen gezien de relatief korte halfwaardetijd van reteplase. De meeste patiënten die een bloeding ontwikkelen kunnen behandeld worden door staken van het trombolyticum en de antistollingstherapie, volumeherstel en manuele druk op het vat. Protamine dient te worden overwogen indien heparine is toegediend binnen vier uur voor het ontstaan van de bloeding. Bij patiënten die niet reageren op deze conservatieve maatregelen, dient

het oordeelkundig gebruik van transfusie-producten te worden overwogen. Transfusies met cryoprecipitaat, fibrinogeen, vers bevroren plasma en trombocyten dienen te worden overwogen, waarbij na iedere toediening een herbeoordeling op basis van klinische parameters en laboratoriumwaarden dient plaats te vinden. Het is wenselijk om met de infusie van cryoprecipitaat of fibrinogeen een plasmafibrinogeengehalte van 1 g/l na te streven.

Tot op heden zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar over het gebruik van reteplase bij patiënten met een diastolische druk > 100 mmHg bij de start van de trombolytische behandeling.

Ritmestoornissen

Coronair-trombolyse kan aanleiding geven tot ritmestoornissen als gevolg van de reperfusie. Het wordt ten sterkste aanbevolen anti-aritmische therapie voor de behandeling van bradycardie en/of ventriculaire ritmestoornissen (bijv. ventriculaire tachycardie of fibrillatie) beschikbaar te hebben tijdens toediening van reteplase.

Herhaalde toediening

Daar er geen ervaring is met herhaalde toediening van reteplase wordt opnieuw toedienen van reteplase niet aanbevolen. Echter, vorming van antilichamen tegen het reteplase molecuul is niet waargenomen. Indien een anafylactische reactie optreedt, dient de injectie direct te worden stopgezet en adequate therapie te worden gestart.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er zijn geen interactiestudies uitgevoerd. Retrospectieve analyses van klinische studies hebben geen klinisch relevante interacties aangetoond met andere geneesmiddelen en reteplase bij gelijktijdig gebruik bij patiënten met AMI. Heparine, vitamine K antagonisten en geneesmiddelen die de functie van de trombocyten beïnvloeden (zoals acetylsalicylzuur, dipyridamol en abciximab) kunnen het risico op bloedingen doen toenemen indien voorafgaand, tijdens of na behandeling met reteplase toegediend.

Hierop dient speciaal gelet te worden tijdens perioden met een laag plasmafibrinogeengehalte (tot circa twee dagen na fibrinolytische behandeling bij AMI).

Zie rubriek 4.2 voor informatie over product onverenigbaarheden.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Zwangerschap

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van reteplase bij zwangere vrouwen. De enige beschikbare gegevens uit dierstudies betreffen studies uitgevoerd bij konijnen die vaginale bloedingen gepaard gaande met abortus (zie rubriek 5.3) lieten zien. Het potentiële risico bij zwangere vrouwen is niet bekend.

Behalve in levensbedreigende situaties dient Rapilysin niet gebruikt te worden bij zwangere vrouwen

Borstvoeding

Het is onbekend of reteplase wordt uitgescheiden in de moedermelk. Moedermelk dient de eerste 24 uur na trombolytische therapie niet te worden gegeven.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en van het vermogen om machines te bedienen

Niet relevant.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

De meest vaak gemelde bijwerkingen die samenhangen met reteplase behandeling zijn bloedingen, voornamelijk op de plaats van injectie. Lokale reacties op de plaats van injectie kunnen ook voorkomen.

Zoals bij andere trombolytische middelen, zijn terugkerende ischemie/angina, hypotensie en hartfalen/longoedeem frequent gemeld als sequelae van myocard infarct en/of trombolytische toediening.

Bloedingen

De meest voorkomende bijwerking die voor kan komen tijdens de behandeling met reteplase is een bloeding.

Meldingen van intracraniële bloeding, waarvan vele fataal, zijn van bijzonder belang.

Een systolische bloeddruk > 160 mm Hg bij starten van de behandeling met reteplase ging samen met een verhoogd risico op cerebrale bloedingen. Het risico van intracraniële bloeding en fatale intracraniële bloeding neemt toe naarmate de leeftijd toeneemt. Bloedtransfusies waren zelden noodzakelijk. Overlijden en blijvende invaliditeit zijn niet zelden gemeld bij patiënten die een beroerte (waaronder ook een intracraniële bloeding) en andere ernstige bloedingen hebben gehad.

Tabel met bijwerkingen

De frequentie van gemelde bijwerkingen wordt vermeld in de volgende tabel. De frequenties worden gedefinieerd als zeer vaak (≥1/10), vaak (≥1/100, <1/10), soms (≥1/1.000, <1/100), zelden (≥1/10.000, <1/1.000 ), zeer zelden (<1/10.000) en niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).

Systeem/orgaanklasse

Frequentie

Bijwerkinging gezien bij reteplase

Immuunsysteemaandoeningen

Soms

Overgevoeligheidsreacties (bijv.

 

 

allergische reacties)1

 

Zeer zelden

Ernstige anafylactische/anafylactoïde

 

 

reacties1

Zenuwstelselaandoeningen

Soms

Cerebrale bloeding 2

 

Zeer zelden

Bijwerkingen gerelateerd aan het

 

 

zenuwstelsel (bijv. epileptische

 

 

toevallen, convulsies, afasie,

 

 

spraakstoornis, delirium, acuut

 

 

hersensyndroom, opwinding,

 

 

confusie, depressie, psychose)

Hartaandoeningen3

Zeer vaak

Opnieuw optreden van ischemie/

 

 

angina, hypotensie en hartfalen/

 

 

longoedeem

 

Vaak

Aritmie (bijv. AV-block,

 

 

atriumfibrilleren/flutter, ventriculaire

 

 

tachycardie/fibrilleren,

 

 

elektromechanische dissociatie

 

 

(EMD)), hartstilstand, cardiogene

 

 

shock en nieuwe infarcering

 

Soms

Mitralisinsufficiëntie, longembolie,

 

 

overige systemische embolieën/

 

 

cerebrale embolie en

 

 

ventrikelseptumdefect

Bloedvataandoeningen

Vaak

Gastro-intestinale bloedingen

 

 

(haematemesis, melaena), gingivale

 

 

of urogenitale bloeding

 

Soms

Haemopericardium, retroperitoneale

 

 

bloeding, hersenbloeding, epistaxis,

 

 

haemoptysis, oogbloedingen en

 

 

bloeduitstortingen

Algemene aandoeningen en

Zeer vaak

Bloeding op de plaats van injectie

toedieningsplaatsstoornissen

 

(bijv. hematoom), een lokale reactie

 

 

op de plaats van injectie,

 

 

bijvoorbeeld een branderig gevoel

Letsels, intoxicaties en

Niet bekend

Vetembolie, wat kan leiden tot

verrichtingscomplicaties

 

overeenkomstige gevolgen in de

 

 

betreffende organen4

1.Beschikbare documentatie over reteplase wijst niet op een antilichaam-gerelateerde basis voor deze overgevoeligheidsreacties.

2.Ischemische of hemorrhagische cerebrovasculaire gebeurtenissen kunnen hieraan bijdragen of een onderliggende aandoening zijn.

3.Alsook bij andere trombolytica, zijn deze cardiovasculaire gebeurtenissen gemeld als gevolg van een myocardinfarct en/of toediening van trombolytica. Deze gebeurtenissen kunnen levensbedreigend zijn en tot de dood leiden.

4.Deze gebeurtenis is gemeld voor de therapeutische klasse van trombolytische middelen.

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb, website www.lareb.nl.

4.9Overdosering

In het geval van overdosering kunnen depletie van fibrinogeen en andere stollingsfactoren (bijv. stollingsfactor V) verwacht worden, met als gevolg kans op bloedingen.

Voor verdere informatie zie rubriek 4.4, onder bloeding.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmaco-therapeutische groep: antitrombotica, ATC code: B01AD

Werkingsmechanisme

Reteplase is een recombinant plasminogeenactivator die de splitsing van endogeen plasminogeen katalyseert, waardoor plasmine ontstaat. Deze plasminogenolyse treedt met voorkeur op in de aanwezigheid van fibrine. Plasmine zorgt voor een trombolytische werking door de afbraak van fibrine, dat de belangrijkste component is van de thrombusmatrix.

Reteplase (10 +10 U) verlaagt dosis-afhankelijk de plasma fibrinogeenspiegels met ongeveer 60-80 %. De fibrinogeenspiegel normaliseert binnen twee dagen. Zoals ook met andere plasminogeen- activatoren, treedt vervolgens een rebound-fenomeen op gedurende welke de fibrinogeenspiegels een maximum bereiken binnen 9 dagen en verhoogd blijven gedurende ca. 18 dagen.

Dalingen van de plasmaspiegels van plasminogeen en 2-antiplasmine normaliseren binnen 1-3 dagen. Stollingsfactor V, VIII, 2-macroglobuline en C1-esterase-remmer zijn slechts weinig

gereduceerd en normaliseren binnen 1 - 2 dagen . De werking van plasminogeenactivatorremmer-1 (PAI-1) kan verminderd zijn tot ca. nul, maar normaliseert zeer snel, binnen twee uur, met een rebound-fenomeen. Prothrombine-activatie-fragment-1-spiegel en thrombine-antithrombine-III- complexen nemen toe tijdens trombolyse hetgeen wijst op thrombineproduktie. De klinische relevantie hiervan is onbekend.

Klinische werkzaamheid en veiligheid

Een grote vergelijkende mortaliteitsstudie (INJECT) bij ongeveer 6000 patiënten toonde aan dat reteplase de incidentie van hartfalen (een secundair werkzaamheidscriterium) significant deed afnemen en minimaal even effectief was als streptokinase in het verlagen van de mortaliteit (primair eindpunt). In twee klinische studies die de doorgankelijkheid van de coronairvaten als primair werkzaamheidscriterium hadden (RAPID I en RAPID II), bleek de behandeling met reteplase in vergelijking met de behandeling met alteplase (in het 3-uurs en in het versnelde doseringsschema) samen te gaan met een vroege doorgankelijkheid bij een groter deel van de patiënten ( primair werkzaamheidscriterium) en met een lagere incidentie van hartfalen (secundair werkzaamheidscriterium). Een klinisch onderzoek bij ongeveer 15.000 patiënten, waarbij reteplase werd vergeleken met het versnelde doseringsschema van alteplase (GUSTO III) (reteplase : alteplase 2:1 randomisatie), liet geen statistisch verschillende resultaten zien voor het primaire eindpunt van de 30-dagen mortaliteit (reteplase: 7,47 %, alteplase: 7,23 %, p = 0,61) of voor het gecombineerde eindpunt van de 30-dagen mortaliteit en niet-fatale invaliderende beroerte (reteplase: 7,89 %, alteplase: 7,88 %, p = 0,99). Over het geheel genomen was de incidentie van beroertes in de reteplasegroep 1,64 % en in de alteplasegroep 1,79 %. In de reteplasegroep waren 49,4 % van deze beroertes fataal en 27,1 % invaliderend. In de alteplasegroep waren 33,0 % fataal en 39,8 % invaliderend.

5.2Farmacokinetische gegevens

Eliminatie

Na intraveneuze bolusinjectie van 10+10 U aan patiënten met AMI, vindt distributie van het reteplase- antigeen in het plasma plaats met een dominante halfwaardetijd (t1/2α) van 18 ± 5 minuten en vindt eliminatie plaats met een terminale halfwaardetijd (t1/2β) van 5,5 uur ± 12,5 minuten bij een plasmaklaring van 121 ± 25 ml/min. Reteplaseactiviteit wordt geklaard uit het plasma met een snelheid van 283 ± 101 ml/min., resulterend in een dominante halfwaardetijd (t1/2α) van 14,6 ±

6,7 min en een terminale halfwaardetijd (t1/2β) van 1,6 uur ± 39 min. Slechts minimale hoeveelheden reteplase konden immunologisch worden aangetoond in de urine. Exacte gegevens over de belangrijkste eliminatieroutes van reteplase bij mensen zijn niet beschikbaar en de consequenties voor patiënten met lever- of nierinsufficiëntie zijn niet bekend. Dierproeven bij de rat tonen aan dat de lever en de nieren de belangrijkste organen zijn voor een actieve opname en lysosomale afbraak. Aanvullende in-vitro studies in humaan plasma suggereren dat complexvorming met C1-inactivator,

2 -antiplasmine en 2 -antitrypsine bijdraagt aan de inactivatie van reteplase in het plasma. De relatieve bijdrage van de inhibitoren aan de inactivatie van reteplase vermindert als volgt: C1- inactivator > 2 -antiplasmine > 2 –antitrypsine.

De halfwaardetijd van reteplase was toegenomen bij patiënten met AMI in vergelijking met gezonde vrijwilligers. Een verdere toename van de halfwaardetijd bij patiënten met een myocardinfarct en ernstig gestoorde lever- of nierfunctie kan niet worden uitgesloten. Er zijn echter geen klinische gegevens beschikbaar over de farmacokinetiek van reteplase bij deze patiënten. Gegevens bij dieren tonen aan dat bij ernstige nierfunctiestoornissen, met een uitgesproken toename van het serumcreatinine en het serumureum, een toename van de halfwaardetijd van reteplase moet worden verwacht. Lichte nierfunctiestoornissen hadden geen significant effect op de farmacokinetiek van reteplase.

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Acute toxiciteitsstudies zijn uitgevoerd bij ratten, konijnen en apen. Subacute toxiciteitsstudies zijn uitgevoerd bij ratten, honden en apen. Het belangrijkste acute symptoom na eenmalige hoge doses van reteplase bij ratten en konijnen was een voorbijgaande apathie, kort na de injectie. Bij cynomolgusapen varieerde het sedatieve effect van lichte apathie tot bewusteloosheid, veroorzaakt door een reversibele dosis-gerelateerde daling van de bloeddruk. Er was een toename van lokale bloedingen op de plaats van de injectie.

Er zijn geen onverwachte bijwerkingen aangetoond in subacute toxiciteitsstudies. Herhaaldelijk toedienen van het humane peptide reteplase aan honden leidde tot immunologisch-allergische reacties. Vele in vitro en in vivo testen met verschillende genetische eindpunten hebben aangetoond dat reteplase niet genotoxisch is.

Reproductietoxiciteits studies zijn uitgevoerd bij ratten (fertiliteits- en embryo-foetotoxiciteitsstudie inclusief een fase van werpen) en bij konijnen (embryo-foetotoxiciteitsstudie, alleen ‘dose-range finding’ studie). Bij ratten, een diersoort ongevoelig voor de farmacologische effecten van reteplase, waren er geen nadelige effecten op de fertiliteit, de embryo-foetale ontwikkeling en bij de nakomelingen. Bij konijnen werden vaginale bloedingen en abortussen waargenomen, mogelijk in verband te brengen met voortgezette hemostase, maar er werden geen foetale afwijkingen waargenomen. Met reteplase werd geen pre- en postnatale toxiciteitsstudie uitgevoerd.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Poeder: Tranexaminezuur dikaliumwaterstoffosfaat fosforzuur

sucrose Polysorbaat 80

Oplosmiddel:

Water voor injecties

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Dit geneesmiddel mag niet gemengd worden met Heparine en/of acetylsalicylzuur.

In verband met het ontbreken van onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere geneesmiddelen gemengd worden.

Heparine en Rapilysin zijn onverenigbaar als ze in oplossing gemengd worden. Er kunnen ook andere onverenigbaarheden bestaan. Er mogen geen andere geneesmiddelen toegevoegd worden aan de oplossing voor injectie.

6.3Houdbaarheid

Houdbaarheid in originele verpakking: 3 jaar.

Gereconstitueerd product:

Chemische en fysische stabiliteit na reconstitutie in water voor injecties is aangetoond gedurende 8 uur tussen 2 C en 30 C.

Vanuit een microbiologisch standpunt dient het product onmiddellijk na reconstitutie te worden gebruikt. Als het niet onmiddellijk wordt gebruikt, is de gebruiker verantwoordelijk voor de bewaartermijn na reconstitutie en de condities voor gebruik.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Niet bewaren boven 25 °C.

Bewaar de flacon in de buitenverpakking ter bescherming tegen licht.

Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na reconstitutie, zie rubriek 6.3.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Iedere verpakking bevat:

2 kleurloze glazen flacons (type I) met een rubberen (butyl) sluiting en een aluminium flip-off dop, met 0,56 mg poeder.

2 voorgevulde glazen spuiten (borosilicaat, type I) voor eenmalig gebruik, met een bromobutyl plunjerstop en een broombutylrubber dop, met 10 ml oplosmiddel.

2 reconstitutie pinnen

2 naalden 19 G1

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies

Er is onverenigbaarheid gemeld tussen enkele voorgevulde glazen spuiten (waaronder Rapilysin) met bepaalde verbindingsstukken zonder naald. Daarom dient de verbinding tussen de glazen spuit en de intraveneuze toegang zeker gesteld te zijn voor gebruik. In geval van onverenigbaarheid kan een adapter gebruikt worden, deze kan onmiddellijk na toediening gelijktijdig met de glazen spuit verwijderd worden.

De gehele bereiding en toediening dient aseptisch te gebeuren.

1.Verwijder het beschermkapje van de injectieflacon met Rapilysin 10 U en maak de rubberstop schoon met een alcoholdoekje.

2.Open de verpakking van de reconstitutiepin, verwijder beide beschermkapjes van de reconstitutiepin.

3.Steek de pin door de rubberstop in de injectieflacon met Rapilysin 10 U.

4.Neem de 10 ml spuit uit de verpakking. Verwijder het afsluitdopje van de spuit. Verbind de spuit met de reconstitutiepin en breng de 10 ml oplosmiddel over in de injectieflacon met Rapilysin 10 U.

5.Laat de reconstitutiepin met de spuit vastzitten op de injectieflacon en zwenk de injectieflacon zachtjes om het Rapilysin 10 U-poeder op te lossen. NIET SCHUDDEN.

6.Reconstitutie van het preparaat resulteert in een heldere, kleurloze oplossing. Als de oplossing niet helder en kleurloos is dient deze vernietigd te worden.

7.Zuig 10 ml Rapilysin 10 U-oplossing terug op in de spuit. Door overvulling kan een kleine hoeveelheid in de injectieflacon overblijven.

8.Maak de spuit los van de reconstitutiepin. De dosis is nu gereed voor intraveneuze toediening.

9.De gereconstitueerde oplossing moet direct worden gebruikt. Na reconstitutie is het noodzakelijk de oplossing visueel te beoordelen. Alleen heldere en kleurloze oplossingen mogen geïnjecteerd worden. Als de oplossing niet helder en kleurloos is dient zij vernietigd te worden.

10.Andere geneesmiddelen mogen niet worden toegediend via de lijn die is gereserveerd voor Rapilysin, niet tegelijkertijd met, niet voorafgaand aan en niet na de toediening van Rapilysin.

Dit geldt voor alle producten, inclusief heparine en acetylsalicylzuur die toegediend dienen te worden voorafgaand aan en na toediening van reteplase, om het risico van hernieuwde trombose te verlagen.

11.Bij patiënten bij wie dezelfde lijn moet worden gebruikt, moet deze lijn (inclusief een Y-lijn), voorafgaand aan en na toediening van Rapilysin, grondig worden gespoeld met 0,9 % natrium- chloride-oplossing of 5 % dextrose-oplossing (zie rubriek 4.2 Dosering en wijze van toediening).

Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale voorschriften.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Actavis Group PTC ehf. Reykjavikurvegi 76-78 220 Hafnarfjordur IJsland

8.NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/96/018/001

9.DATUM VAN EERSTE VERGUNNING/HERNIEUWING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste vergunning: 29 augustus 1996

Datum van laatste hernieuwing: 29 augustus 2006

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van de European Medicines Agency http://www.ema.europa.eu.

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld