Dutch
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Tandemact (pioglitazone / glimepiride) – Samenvatting van de productkenmerken - A10BD06

Updated on site: 10-Oct-2017

Naam van geneesmiddelTandemact
ATC codeA10BD06
Werkzame stofpioglitazone / glimepiride
ProducentTakeda Pharma A/S

1.NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Tandemact 30 mg/2 mg tabletten

Tandemact 30 mg/4 mg tabletten

Tandemact 45 mg/4 mg tabletten

2.KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING

Tandemact 30 mg/2 mg tabletten

Elke tablet bevat 30 mg pioglitazon (in de vorm van het hydrochloridezout) en 2 mg glimepiride.

Hulpstof met bekend effect:

Elke tablet bevat ongeveer 125 mg lactosemonohydraat (zie rubriek 4.4).

Tandemact 30 mg/4 mg tabletten

Elke tablet bevat 30 mg pioglitazon (in de vorm van het hydrochloridezout) en 4 mg glimepiride.

Hulpstof met bekend effect:

Elke tablet bevat ongeveer 177 mg lactosemonohydraat (zie rubriek 4.4).

Tandemact 45 mg/4 mg tabletten

Elke tablet bevat 45 mg pioglitazon (in de vorm van het hydrochloridezout) en 4 mg glimepiride.

Hulpstof met bekend effect:

Elke tablet bevat ongeveer 214 mg lactosemonohydraat (zie rubriek 4.4).

Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.FARMACEUTISCHE VORM

Tablet.

Tandemact 30 mg/2 mg tabletten

Wit tot gebroken wit, rond, convex en voorzien van de opdruk '4833 G' aan één zijde en '30/2' aan de andere zijde.

Tandemact 30 mg/4 mg tabletten

Wit tot gebroken wit, rond, convex en voorzien van de opdruk '4833 G' aan één zijde en '30/4' aan de andere zijde.

Tandemact 45 mg/4 mg tabletten

Wit tot gebroken wit, rond, plat en voorzien van de opdruk '4833 G' aan één zijde en '45/4' aan de andere zijde.

4.KLINISCHE GEGEVENS

4.1Therapeutische indicaties

Tandemact is bestemd als tweedelijnsbehandeling van volwassen patiënten met type 2 diabetes mellitus die metformine niet kunnen verdragen of bij wie het gebruik van metformine gecontra- indiceerd is en die reeds met een combinatie van pioglitazon en glimepiride worden behandeld.

Na start van de behandeling met pioglitazon moet de werkzaamheid ervan (bijvoorbeeld reductie in HbA1c) binnen 3 tot 6 maanden worden geëvalueerd. Bij patiënten die onvoldoende reageren, moet de behandeling worden gestaakt. Vanwege de mogelijke risico’s bij langdurig gebruik moet de

voorschrijver tijdens regelmatige vervolgafspraken opnieuw vaststellen of de patiënt nog baat heeft bij de behandeling met pioglitazon (zie rubriek 4.4).

4.2Dosering en wijze van toediening

Dosering

De aanbevolen dosering Tandemact is één tablet eenmaal per dag.

Als een patiënt hypoglykemie meldt, dient de dosering van Tandemact te worden verlaagd of moet een vrijecombinatietherapie worden overwogen.

Als een patiënt pioglitazon in combinatie met een ander sulfonylureumpreparaat dan glimepiride gebruikt, moet de patiënt worden gestabiliseerd met gelijktijdig toegediend pioglitazon en glimepiride voordat op Tandemact kan worden overgeschakeld.

Speciale patiëntengroepen

Ouderen

Artsen moeten de behandeling beginnen met de laagst beschikbare dosis en de dosis geleidelijk verhogen, vooral wanneer pioglitazon wordt gebruikt in combinatie met insuline (zie rubriek 4.4 Vochtretentie en hartfalen).

Verminderde nierfunctie

Tandemact dient niet te worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min, zie rubriek 4.3).

Verminderde leverfunctie

Tandemact dient niet te worden gebruikt bij patiënten met een verminderde leverfunctie (zie rubriek 4.3 en 4.4).

Pediatrische patiënten

De veiligheid en werkzaamheid van Tandemact bij kinderen en adolescenten jonger dan 18 jaar zijn nog niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.

Wijze van toediening

De tabletten moeten oraal worden ingenomen, kort voor of bij de eerste hoofdmaaltijd. De tabletten moeten met een glas water worden doorgeslikt.

4.3Contra-indicaties

Tandemact is gecontra-indiceerd bij patiënten met:

-overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen, of andere sulfonylurea of sulfonamiden

-hartfalen of voorgeschiedenis van hartfalen (NYHA-klasse I tot IV)

-actieve blaaskanker of een voorgeschiedenis van blaaskanker

-niet-onderzochte, macroscopische hematurie

-verminderde leverfunctie

-type 1 diabetes mellitus

-diabetisch coma

-diabetische ketoacidose

-ernstige nierfunctiestoornissen (creatinineklaring < 30 ml/min)

-zwangerschap

-borstvoeding (zie rubriek 4.6)

4.4Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Er is in klinisch onderzoek geen ervaring opgedaan met andere orale antihyperglycaemica die worden gebruikt als aanvulling op de behandeling met Tandemact of met gelijktijdig gebruik van glimepiride en pioglitazon.

Hypoglykemie

Wanneer de maaltijden op onregelmatig tijden worden gebruikt of helemaal worden overgeslagen, kan behandeling met Tandemact tot hypoglykemie leiden, die te wijten is aan de sulfonylureumcomponent. De symptomen kunnen bijna altijd onmiddellijk worden gereguleerd door de inname van koolhydraten (suiker). Kunstmatige zoetstoffen hebben geen effect.

Van andere sulfonylurea is bekend dat, ondanks aanvankelijk succesvolle tegenmaatregelen, opnieuw hypoglykemie kan optreden. Ernstige of langdurige hypoglykemie, die alleen tijdelijk wordt gereguleerd door de gebruikelijke hoeveelheden suiker, vereisen een onmiddellijke medische behandeling en soms een ziekenhuisopname.

Behandeling met Tandemact vereist een regelmatige opvolging van de glykemische controle.

Vochtretentie en hartfalen

Pioglitazon kan vochtretentie veroorzaken, wat hartfalen kan verergeren of bespoedigen. Wanneer patiënten behandeld worden die minstens één risicofactor hebben voor de ontwikkeling van congestief hartfalen (bijvoorbeeld een eerder hartinfarct of symptomatisch coronair lijden, of bij ouderen), zouden artsen moeten beginnen met de laagst beschikbare dosis pioglitazon en de dosis geleidelijk moeten opvoeren. Patiënten dienen te worden gevolgd op tekenen en symptomen van hartfalen, gewichtstoename of oedeem, zeker patiënten met een verminderde cardiale reserve. Er zijn post- marketing gevallen van hartfalen gerapporteerd bij gebruik van pioglitazon in combinatie met insuline of bij patiënten met een voorgeschiedenis van hartfalen. Aangezien insuline en pioglitazon beide zijn geassocieerd met vochtretentie, kan gelijktijdige toediening het risico op oedeem vergroten. Post- marketing gevallen van perifeer oedeem en hartfalen werden eveneens gerapporteerd bij patiënten die gelijktijdig pioglitazon en niet-steroïdale anti-inflammatoire geneesmiddelen gebruikten, met inbegrip van selectieve COX-2-remmers. Het gebruik van Tandemact dient te worden gestaakt als er een verslechtering in de cardiale status optreedt.

Een onderzoek naar de cardiovasculaire gevolgen van pioglitazon werd uitgevoerd bij patiënten jonger dan 75 jaar, met type 2 diabetes mellitus en een bestaande ernstige macrovasculaire aandoening. Pioglitazon of placebo werd toegevoegd aan de bestaande antidiabetica en cardiovasculaire therapie gedurende maximaal 3,5 jaar. Deze studie liet een toename zien van de meldingen van hartfalen, hoewel dit niet leidde tot een verhoogde mortaliteit in dit onderzoek.

Ouderen

Gebruik in combinatie met insuline moet bij ouderen met voorzichtigheid worden overwogen vanwege een verhoogd risico op ernstig hartfalen.

Met het oog op leeftijd-gerelateerde risico's (in het bijzonder blaaskanker, breuken en hartfalen) moet de balans van voordelen en risico's zorgvuldig worden overwogen, zowel vóór als tijdens de behandeling bij ouderen.

Blaaskanker

In een meta-analyse van gecontroleerde klinische studies met pioglitazon werd blaaskanker vaker gerapporteerd in de pioglitazongroep (19 gevallen onder 12506 patiënten, 0,15%) dan in de controlegroep (7 gevallen onder 10212 patiënten, 0,07%) HR=2,64 (95% CI 1,11-6,31, P=0,029). Na uitsluiting van alle patiënten die, ten tijde van de diagnose blaaskanker, minder dan één jaar aan de

studiemedicatie waren blootgesteld, bleven er nog 7 patiënten met blaaskanker (0,06%) in de pioglitazongroep over en 2 patiënten (0,02%) in de controlegroep. Epidemiologische studies wezen ook een licht verhoogd risico op blaaskanker bij patiënten met diabetes mellitus die behandeld werden met pioglitazon, hoewel niet uit alle studies een statistisch significant verhoogd risico bleek.

Risicofactoren voor blaaskanker moeten worden beoordeeld voor het opstarten van een behandeling met pioglitazon (risico's zijn leeftijd, voorgeschiedenis van roken, blootstelling aan een aantal beroeps- of chemotherapeutische middelen zoals cyclofosfamide, of eerdere behandeling met bestraling in het bekkengebied). Elke macroscopische hematurie moet worden onderzocht alvorens behandeling met pioglitazon te starten.

Patiënten moeten worden geadviseerd onmiddellijk contact op te nemen met hun arts als macroscopische hematurie of andere symptomen zoals dysurie of urinaire urgentie zich tijdens de behandeling ontwikkelen.

Leverfunctie

In zeldzame gevallen zijn verhoogde leverenzymen en hepatocellulaire disfunctie gerapporteerd tijdens postmarketingervaring met pioglitazon en glimepiride (zie rubriek 4.8). Hoewel er in zeer zeldzame gevallen een fatale afloop is gemeld, is een oorzakelijk verband niet aangetoond. Het wordt daarom aanbevolen dat bij patiënten die behandeld worden met Tandemact periodieke controle van leverenzymen plaatsvindt. Leverenzymen dienen te worden gecontroleerd voor aanvang van behandeling met Tandemact bij alle patiënten. Behandeling met Tandemact dient niet te worden gestart bij patiënten met verhoogde uitgangswaarden van leverenzymen (ALAT > 2,5 maal de bovengrens van de normaalwaarde) of met andere aanwijzingen voor een leveraandoening.

Na aanvang van behandeling met Tandemact wordt aanbevolen om op basis van een klinische beoordeling regelmatig leverenzymen te controleren. Als de ALAT-waarden tijdens behandeling met Tandemact zijn verhoogd tot 3 maal de bovengrens van de normaalwaarde, dient bepaling van de leverenzymen zo snel mogelijk herhaald te worden. Als de ALAT-waarden boven 3 maal de bovengrens van de normaalwaarde blijven, dient de behandeling te worden gestaakt. Als patiënten symptomen ontwikkelen die leverdisfunctie doen vermoeden, waaronder onverklaarde misselijkheid, braken, buikpijn, moeheid, anorexie en/of donkere urine, dienen de leverenzymen te worden gecontroleerd. De beslissing om behandeling van de patiënt met Tandemact voort te zetten, dient te worden gebaseerd op de klinische beoordeling in afwachting van de laboratoriumuitslagen. Als geelzucht wordt waargenomen, moet gebruik van het geneesmiddel worden gestaakt.

Gewichtstoename

In klinische studies met pioglitazon of sulfonylurea, als monotherapie of in combinatie, werd dosisgerelateerde gewichtstoename aangetoond, die te wijten kan zijn aan een stapeling van vet en in sommige gevallen geassocieerd kan zijn met vochtretentie. In sommige gevallen kan gewichtstoename een symptoom zijn van hartfalen, daarom dient het gewicht nauwkeurig te worden gecontroleerd. Dieetmaatregelen maken deel uit van de behandeling van diabetes. Aan patiënten moet het advies worden gegeven zich strikt aan een caloriegecontroleerd dieet te houden.

Hematologie

Bij behandeling met glimepiride zijn in zeldzame gevallen veranderingen in hematologie waargenomen (zie rubriek 4.8). Behandeling met Tandemact vereist daarom een regelmatige hematologische controle (met name van leukocyten en trombocyten).

Tijdens therapie met pioglitazon was er een kleine afname in de gemiddelde hemoglobinewaarde (4% relatieve afname) en hematocriet (4,1% relatieve afname), die consistent was met hemodilutie. Soortgelijke veranderingen werden gezien bij patiënten behandeld met metformine (hemoglobinewaarde 3-4% en hematocriet 3,6-4,1% relatieve afname) en, in mindere mate, bij

patiënten behandeld met een sulfonylureumderivaat en insuline (hemoglobinewaarde 1-2% en hematocriet 1-3,2% relatieve afname) in vergelijkende, gecontroleerde studies met pioglitazon.

Behandeling van patiënten met G6PD-deficiëntie met sulfonylureumpreparaten kan leiden tot hemolytische anemie. Omdat glimepiride tot de chemische klasse van de sulfonylureumpreparaten behoort, is voorzichtigheid geboden bij patiënten met G6PD-deficiëntie en moet een alternatief dat niet tot deze groep behoort, worden overwogen.

Oogaandoeningen

Post-marketing meldingen van nieuw ontstaan of verslechterend diabetisch macula-oedeem met afname van de gezichtsscherpte zijn gerapporteerd voor thiazolidinedionen, waaronder pioglitazon. Veel van deze patiënten meldden gelijktijdig perifeer oedeem. Het is onduidelijk of er wel of niet een directe relatie bestaat tussen pioglitazon en macula-oedeem, maar voorschrijvers dienen alert te zijn op de mogelijkheid van macula-oedeem als patiënten stoornissen in de gezichtsscherpte melden; een geschikte oftalmologische verwijzing dient overwogen te worden.

Polycysteus ovariumsyndroom

Als gevolg van de versterking van de werking van insuline kan behandeling met pioglitazon er bij patiënten met polycysteus ovariumsyndroom toe leiden dat er weer een ovulatie optreedt.

Bij deze patiënten bestaat de kans om zwanger te raken. Patiënten dienen op de hoogte te zijn van de kans op zwangerschap en als een patiënt zwanger wil worden of wordt, dient de behandeling te worden gestaakt (zie rubriek 4.6).

Overigen

Er werd een verhoogde incidentie van botfracturen waargenomen bij vrouwen in een gepoolde analyse van bijwerkingen van botfracturen vanuit gerandomiseerde, gecontroleerde dubbel geblindeerde studies (zie rubriek 4.8).

De incidentie was 1,9 fracturen per 100 patiëntjaren bij vrouwen die werden behandeld met pioglitazon ten opzichte van 1,1 fracturen per 100 patiëntjaren in de groep met een comparator. Het extra risico op fracturen dat werd waargenomen bij vrouwen behandeld met pioglitazon is op basis van deze gegevens 0,8 fracturen per 100 patiëntjaren van gebruik.

Sommige epidemiologische studies suggereerden een vergelijkbare stijging van het risico op fracturen bij zowel mannen als vrouwen.

Het risico op fracturen moet in overweging worden genomen bij patiënten die langdurig behandeld worden met pioglitazon (zie rubriek 4.8).

Pioglitazon dient met zorg te worden toegediend bij gelijktijdige toediening van cytochroom P450 2C8-remmers (bijvoorbeeld gemfibrozil) of -inductoren (bijvoorbeeld rifampicine). Glykemische controle dient nauwlettend te worden gevolgd. Een dosisaanpassing van pioglitazon binnen het aanbevolen doseringsbereik of aanpassingen van de diabetesbehandeling moeten worden overwogen (zie rubriek 4.5).

De tabletten bevatten lactosemonohydraat en mogen daarom niet worden toegediend aan patiënten met zeldzame erfelijke problemen van galactose intolerantie, Lapp lactase deficiëntie of glucose-galactose malabsorptie.

4.5Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie

Er zijn geen formele interactiestudies voor Tandemact uitgevoerd. Het gelijktijdig gebruik van de werkzame bestanddelen bij patiënten bij klinisch gebruik heeft echter niet in onverwachte interacties geresulteerd. De volgende vermeldingen geven de beschikbare informatie weer voor de afzonderlijke werkzame stoffen (pioglitazon en glimepiride).

Pioglitazon

Gelijktijdige toediening van pioglitazon met gemfibrozil (een remmer van cytochroom P450 2C8) zou resulteren in een drievoudige toename van de AUC van pioglitazon. Een verlaging van de dosis pioglitazon kan noodzakelijk zijn bij gelijktijdige toediening van gemfibrozil. Een nauwgezette opvolging van de glykemische controle dient dan te worden overwogen (zie rubriek 4.4). Gelijktijdige toediening van pioglitazon met rifampicine (een inductor van cytochroom P450 2C8) zou resulteren in een daling met 54% van de AUC van pioglitazon. Bij gelijktijdige toediening van rifampicine moet de dosis pioglitazon mogelijk worden verhoogd. Een nauwgezette opvolging van de glykemische controle dient te worden overwogen (zie rubriek 4.4).

Onderzoek naar interacties heeft aangetoond dat pioglitazon geen relevant effect heeft op de farmacokinetiek of farmacodynamiek van digoxine, warfarine, fenprocoumon en metformine. Gelijktijdige toediening van pioglitazon met sulfonylurea lijkt de farmacokinetiek van de sulfonylurea niet te beïnvloeden. Studies bij mensen hebben geen aanwijzingen opgeleverd voor inductie van de belangrijkste induceerbare cytochromen P450, 1A, 2C8/9 en 3A4. In vitro-studies hebben geen remming van enig subtype van het cytochroom P450 aangetoond. Interacties met door deze enzymen gemetaboliseerde stoffen, bijvoorbeeld orale anticonceptiva, ciclosporine, calciumantagonisten en HMG-CoA-reductaseremmers zijn niet te verwachten.

Glimepiride

Als glimepiride gelijktijdig met bepaalde andere geneesmiddelen wordt gebruikt, kunnen zowel ongewenste toenames als afnames in de hypoglykemische werking van glimepiride optreden. Om deze reden mag Tandemact enkel samen met andere geneesmiddelen worden gebruikt indien dit bekend is bij (of op voorschrift van) de arts.

Op basis van de ervaring met glimepiride en met andere sulfonylurea moeten de volgende interacties worden vermeld.

Wanneer één van de volgende werkzame bestanddelen wordt ingenomen, kan versterking van het bloedglucoseverlagende effect en dus in sommige gevallen hypoglykemie optreden, bijvoorbeeld:

fenylbutazon, azapropazon en oxyfenbutazon insuline en orale antidiabetica

metformine

salicylaten en p-aminosalicylzuur

anabole steroïden en mannelijke geslachtshormonen chlooramfenicol

claritromycine cumarineanticoagulantia disopyramide fenfluramine

fibraten ACE-remmers fluoxetine allopurinol sympathicolytica

cyclo-, tro- en ifosfamiden sulfinpyrazon

bepaalde langwerkende sulfonamiden tetracyclinen

MAO-remmers quinolon-antibiotica probenecide miconazol

pentoxifylline (hoge dosis parenteraal) tritoqualine

fluconazol

Wanneer één van de volgende werkzame bestanddelen wordt ingenomen, kan een afzwakking van het bloedglucoseverlagende effect en dus in sommige gevallen een hogere bloedsuikerspiegel optreden, bijvoorbeeld:

oestrogenen en progestagenen saluretica, thiazidediuretica

thyroïdstimulerende middelen, glucocorticoïden fenothiazinederivaten, chloorpromazine adrenaline en sympathicomimetica

nicotinezuur (hoge doses) en nicotinezuurderivaten laxatieven (langdurig gebruik)

fenytoïne, diazoxide

glucagon, barbituraten en rifampicine acetazolamide

H2-antagonisten, bètablokkers, clonidine en reserpine kunnen leiden tot versterking of verzwakking van het bloedglucoseverlagende effect.

Onder invloed van sympathicolytische werkzame bestanddelen zoals bètablokkers, clonidine, guanethidine en reserpine kunnen de tekenen van adrenerge contraregulatie op hypoglykemie verminderd of afwezig zijn.

Alcoholinname kan de hypoglykemische werking van glimepiride op onvoorspelbare wijze versterken of afzwakken.

Glimepiride kan de effecten van cumarinederivaten versterken of afzwakken.

4.6Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding

Vrouwen die zwanger kunnen worden / Anticonceptie bij mannen en vrouwen

Tandemact wordt niet aanbevolen voor gebruik bij vrouwen die zwanger kunnen worden die geen anticonceptie gebruiken. Als een patiënte zwanger wil worden, moet de behandeling met Tandemact worden gestaakt.

Zwangerschap

Risico gerelateerd aan pioglitazon

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van pioglitazon bij zwangere vrouwen. Experimenteel onderzoek met pioglitazon bij dieren toonde reproductietoxiciteit aan (zie rubriek 5.3). Het mogelijke risico bij de mens is niet bekend.

Risico gerelateerd aan glimepiride

Er zijn geen toereikende gegevens over het gebruik van glimepiride bij zwangere vrouwen. Onderzoek in dieren heeft reproductietoxiciteit aangetoond, die naar alle waarschijnlijkheid toe te schrijven was aan de farmacologische werking (hypoglykemie) van glimepiride.

Tandemact is gecontra-indiceerd tijdens de zwangerschap (zie rubriek 4.3). Als een patiënte zwanger wordt, moet de behandeling met Tandemact worden gestaakt.

Borstvoeding

Sulfonylureumderivaten als glimepiride worden in de moedermelk uitgescheiden. Pioglitazon is aangetroffen in de melk van zogende ratten. Het is niet bekend of pioglitazon bij de mens wordt uitgescheiden met de moedermelk.

Tandemact is gecontra-indiceerd tijdens borstvoeding (zie rubriek 4.3).

Vruchtbaarheid

In vruchtbaarheidsonderzoek met pioglitazon bij dieren werd geen effect op copulatie, impregnatie of vruchtbaarheidsindex aangetoond.

4.7Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen

Tandemact heeft geringe invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te bedienen. Het concentratie- en reactievermogen van de patiënt kan verminderd zijn als gevolg van hypo- of hyperglykemie door glimepiride of bijvoorbeeld door een visusstoornis.

Dit kan een risico inhouden in situaties waarin deze vermogens speciaal van belang zijn (zoals bij het besturen van een auto of het gebruiken van een machine).

Aan patiënten moet worden geadviseerd maatregelen te nemen ter voorkoming van een hypoglykemie tijdens het autorijden. Dit is met name belangrijk bij patiënten die de waarschuwingssymptomen voor hypoglykemie minder of niet herkennen, of bij wie zich frequent perioden van hypoglykemie voordoen. Onder dergelijke omstandigheden moet worden overwogen of het raadzaam is een voertuig te besturen of een machine te gebruiken.

Patiënten die stoornissen in het zicht ervaren, dienen voorzichtig te zijn met het besturen van voertuigen of het bedienen van machines.

4.8Bijwerkingen

Samenvatting van het veiligheidsprofiel

Er is klinisch onderzoek verricht met gelijktijdig toegediend pioglitazon en glimepiride (zie rubriek 5.1). Hypoglykemische reacties treden meestal onmiddellijk op en zijn te wijten aan de sulfonylureumcomponent in Tandemact. Symptomen kunnen bijna altijd meteen onder controle

worden gebracht door onmiddellijke inname van koolhydraten (suiker). Dit is een ernstige reactie die soms voorkomt (≥ 1/1.000 tot < 1/100) (zie rubriek 4.4). Matige tot ernstige trombocytopenie, leukopenie, erytrocytopenie, granulocytopenie, agranulocytose, hemolytische anemie en pancytopenie treden zelden op (≥ 1/10.000 tot < 1/1.000) (zie rubriek 4.4). Andere nevenwerkingen zoals botfractuur, gewichtstoename en oedeem treden vaak op (≥ 1/100 tot < 1/10) (zie rubriek 4.4).

Tabel met bijwerkingen

Bijwerkingen die gemeld werden tijdens dubbelblinde studies en post-marketing ervaring zijn hieronder weergegeven als MedDRA voorkeursterm per systeem/orgaanklasse en absolute frequentie. De frequenties zijn gedefinieerd als: zeer vaak (≥ 1/10), vaak (≥ 1/100, < 1/10); soms (≥ 1/1.000,

< 1/100); zelden (≥ 1/10.000, < 1/1.000); zeer zelden (< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald). Binnen iedere systeem/orgaanklasse worden bijwerkingen gerangschikt naar afnemende incidentie en vervolgens afnemende ernst.

Bijwerking

Frequentie van bijwerkingen

 

Pioglitazon

Glimepiride

Tandemact

Infecties en parasitaire aandoeningen

 

 

 

bovenste

vaak

 

vaak

luchtweginfectie

 

 

 

sinusitis

soms

 

soms

Neoplasmata, benigne, maligne en niet-

 

 

 

gespecifieerd (inclusief cysten en poliepen)

 

 

 

blaaskanker

soms

 

soms

Bloed- en lymfestelselaandoeningen

 

 

 

verandering in hematologie1

 

Zelden

zelden

Immuunsysteemaandoeningen

 

 

 

allergische shock 2

 

zeer zelden

zeer zelden

allergische vasculitis2

 

zeer zelden

zeer zelden

hypersensitiviteit en allergische reacties3

niet bekend

 

niet bekend

Voedings- en stofwisselingsstoornissen

 

 

 

hypoglykemie

 

 

soms

toegenomen eetlust

 

 

soms

Zenuwstelselaandoeningen

 

 

 

duizeligheid

 

 

vaak

hypoasthesie

vaak

 

vaak

hoofdpijn

 

 

soms

insomnia

soms

 

soms

Oogaandoeningen

 

 

 

stoornis van het gezichtsvermogen4

vaak

 

soms

macula-oedeem

niet bekend

 

niet bekend

Evenwichtsorgaan- en ooraandoeningen

 

 

 

vertigo

 

 

soms

Maagdarmstelselaandoeningen5

 

 

 

flatulentie

 

 

vaak

braken

 

zeer zelden

zeer zelden

diarree

 

zeer zelden

zeer zelden

misselijkheid

 

zeer zelden

zeer zelden

buikpijn

 

zeer zelden

zeer zelden

druk op de buik

 

zeer zelden

zeer zelden

vol gevoel in de maag

 

zeer zelden

zeer zelden

Lever- en galaandoeningen6

 

 

 

hepatitis

 

zeer zelden

zeer zelden

leverfunctiestoornis (met cholestase en geelzucht)

 

zeer zelden

zeer zelden

Huid- en onderhuidaandoeningen

 

 

 

transpireren

 

 

soms

overgevoeligheid voor licht

 

zeer zelden

zeer zelden

urticaria2

 

niet bekend

niet bekend

jeuk2

 

niet bekend

niet bekend

uitslag2

 

niet bekend

niet bekend

Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen

 

 

 

botfractuur7

vaak

 

vaak

Nier- en urinewegaandoeningen

 

 

 

glucosurie

 

 

soms

proteïnurie

 

 

soms

Algemene aandoeningen en

 

 

 

toedieningsplaatsstoornissen

 

 

 

oedeem8

 

 

vaak

vermoeidheid

 

 

soms

Bijwerking

Frequentie van bijwerkingen

 

Pioglitazon

Glimepiride

Tandemact

Onderzoeken

 

 

 

gewichtstoename9

vaak

Vaak

vaak

verhoogd lactaatdehydrogenase

 

 

soms

daling in de natriumconcentratie in serum

 

zeer zelden

zeer zelden

verhoogd alanineaminotransferase10

niet bekend

 

niet bekend

Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen

1Ontstaan van matige tot ernstige trombocytopenie, leukopenie, erytrocytopenie, granulocytopenie, agranulocytose, hemolytische anemie en pancytopenie is mogelijk. Gewoonlijk zijn deze bij staken van de behandeling omkeerbaar.

2In zeer zeldzame gevallen kunnen lichte overgevoeligheidsreacties zich ontwikkelen tot ernstige reacties met dyspneu, bloeddrukdaling en soms shock. Er kunnen overgevoeligheidsreacties van de huid optreden, zoals jeuk, uitslag en urticaria. Kruisallergeniciteit met sulfonylurea, sulfonamiden of verwante stoffen is mogelijk.

3In postmarketingrapporten werden hypersensitiviteitsreacties gemeld bij patiënten die behandeld werden met pioglitazon. Deze reacties omvatten anafylaxie, angio-oedeem en urticaria.

4Stoornissen van het gezichtsvermogen worden vooral in het begin van de behandeling gemeld en hangen samen met veranderingen in bloedglucose vanwege een tijdelijke verandering van de oogboldruk en brekingsindex van de lens, zoals ook bij andere hypoglykemische geneesmiddelen wordt waargenomen.

5Maagdarmklachten komen zeer zelden voor en leiden zelden tot staken van de therapie.

6Een verhoging van de leverenzymwaarden kan optreden. In zeer zeldzame gevallen kan een leverfunctiestoornis (bijvoorbeeld met cholestasis en geelzucht), of hepatitis die kan leiden tot leverfalen, ontstaan.

7Een gepoolde analyse van gemelde bijwerkingen van botfracturen werd uitgevoerd vanuit gerandomiseerde, comparator-gecontroleerde dubbel geblindeerde klinische studies bij meer dan 8100 met pioglitazon en 7400 met een comparator behandelde patiënten, met een behandelingsduur tot en met 3,5 jaar. Een hogere incidentie van fracturen werd waargenomen bij vrouwen die werden behandeld met pioglitazon (2,6%) versus een comparator (1,7%). Er werd geen verhoogd aantal fracturen waargenomen bij mannen die behandeld werden met pioglitazon (1,3%) versus een comparator (1,5%). In de 3,5 jaar durende PROactive studie hadden 44/870 (5,1%; 1,0 fracturen per

100patiëntjaren) van de met pioglitazon behandelde vrouwen fracturen vergeleken met 23/905 (2,5%; 0,5 fracturen per 100 patiëntjaren) van de vrouwelijke patiënten behandeld met een comparator. Het extra risico op fracturen dat werd waargenomen bij vrouwen behandeld met pioglitazon in deze studie is derhalve op basis van deze gegevens 0,5 fracturen per 100 patiëntjaren van gebruik. Er werd geen verhoogd aantal botbreuken waargenomen bij mannen die behandeld werden met pioglitazon (1,7%) vergeleken met een comparator (2,1%). Postmarketing is er melding gemaakt van botbreuken bij zowel mannelijke als vrouwelijke patiënten (zie rubriek 4.4).

8Oedeem werd gemeld bij 6-9% van de patiënten die gedurende één jaar behandeld werden met pioglitazon in gecontroleerde klinische studies. De percentages voor oedeem waren 2-5% in de vergelijkende groepen (sulfonylureumderivaten, metformine). De meldingen van oedeem waren in het algemeen licht tot matig van aard en leidden gewoonlijk niet tot het staken van de behandeling.

9Bij actieve comparator-gecontroleerde studies was de gemiddelde gewichtstoename met pioglitazon, dat als monotherapie gegeven werd, 2-3 kg in één jaar. Dit is vergelijkbaar met hetgeen werd waargenomen in een actieve vergelijkende groep van een sulfonylureumpreparaat. In

combinatiestudies leidde pioglitazon, toegevoegd aan sulfonylurea, tot een gemiddelde gewichtstoename van 2,8 kg in één jaar.

10 De incidentie van verhoogde ALAT-waarden groter dan driemaal de bovengrens van de normaalwaarde was bij klinische studies met pioglitazon gelijk aan die van placebo, maar minder dan die waargenomen bij een vergelijkende groep met metformine of een sulfonylureumderivaat. De gemiddelde waarden van leverenzymen namen af bij behandeling met pioglitazon.

Bij gecontroleerde klinische studies was de incidentie van meldingen van hartfalen hetzelfde bij behandeling met pioglitazon als bij de behandelingsgroep met placebo, metformine en sulfonylureumderivaat, maar was verhoogd in combinatiebehandeling met insuline.

In een uitkomstonderzoek bij patiënten met een reeds bestaande ernstige macrovasculaire aandoening, was de incidentie van ernstig hartfalen 1,6% hoger met pioglitazon dan met placebo, wanneer het werd toegevoegd aan een therapie die ook insuline bevatte. Echter, dit leidde niet tot een verhoogde mortaliteit in dit onderzoek. In dit onderzoek werd, bij patiënten die pioglitazon en insuline kregen toegediend, een groter percentage van patiënten met hartfalen geobserveerd in de groep van patiënten van 65 jaar en ouder vergeleken met deze jonger dan 65 jaar (9,7% in vergelijking met 4,0%). Bij patiënten die insuline gebruikten zonder pioglitazon was de incidentie van hartfalen 8,2% in de patiëntengroep van 65 jaar en ouder vergeleken met 4,0% in de patiëntengroep jonger dan 65 jaar. Hartfalen is gemeld bij het gebruik van pioglitazon sinds het op de markt werd gebracht, en frequenter wanneer pioglitazon werd gebruikt in combinatie met insuline of bij patiënten met een voorgeschiedenis van hartfalen (zie rubriek 4.4).

Melding van vermoedelijke bijwerkingen

Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9Overdosering

In klinisch onderzoek hebben patiënten hogere doses pioglitazon ingenomen dan de aanbevolen hoogste dosis van 45 mg per dag. De hoogst gemelde dosis van 120 mg per dag gedurende vier dagen, en vervolgens 180 mg per dag gedurende zeven dagen werd niet in verband gebracht met welke symptomen dan ook.

Na inname van een overdosis glimepiride kan hypoglykemie optreden, hetgeen 12 tot 72 uur kan duren en na een aanvankelijk herstel weer op kan treden. Mogelijk zijn tot maximaal 24 uur na inname geen symptomen aanwezig. Over het algemeen wordt observatie in een ziekenhuis aanbevolen. Misselijkheid, braken en epigastrische pijn kunnen optreden. De hypoglykemie kan over het algemeen vergezeld gaan van neurologische symptomen als rusteloosheid, tremor, visusstoornissen, coördinatieproblemen, slaperigheid, coma en convulsies.

De behandeling van een overdosis Tandemact bestaat in eerste instantie uit het voorkomen van absorptie van glimepiride door braken op te wekken en daarna water of limonade met actieve kool (adsorbens) en natriumsulfaat (laxans) te drinken. Na inname van grote hoeveelheden is een maagspoeling geïndiceerd, gevolgd door behandeling met actieve kool en natriumsulfaat. In geval van (ernstige) overdosering is ziekenhuisopname op een afdeling Intensieve Zorg geïndiceerd. Start zo snel mogelijk met de toediening van glucose, indien noodzakelijk in de vorm van een bolusinjectie van 50 ml van een 50%-oplossing, gevolgd door een infusie met een 10%-oplossing met strikte bewaking van de bloedglucosespiegel. De verdere behandeling moet symptomatischzijn.

Met name bij de behandeling van hypoglykemie als gevolg van een accidentele inname van Tandemact door baby's en jonge kinderen, moet de gegeven dosis glucose zorgvuldig worden gecontroleerd om de mogelijkheid van het ontstaan van een gevaarlijke hyperglykemie te voorkomen. De bloedglucosespiegel moet nauwkeurig worden gecontroleerd.

5.FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1Farmacodynamische eigenschappen

Farmacotherapeutische categorie: Geneesmiddelen voor diabetes, combinaties van orale bloedglucoseverlagende middelen; ATC-code: A10BD06.

Tandemact combineert twee antihyperglykemische werkzame bestanddelen met complementaire werkingsmechanismen teneinde de glykemische controle van patiënten met type 2 diabetes mellitus te verbeteren: pioglitazon, een lid van de klasse van thiazolidinedionen, en glimepiride, een lid van de klasse van sulfonylurea. Thiazolidinedionen werken voornamelijk door het verminderen van de insulineresistentie en sulfonylurea voornamelijk door het induceren van de insulinesecretie door de bètacellen van de pancreas.

Pioglitazon

Het effect van pioglitazon kan worden gemediëerd door een vermindering van de insulineresistentie. Bij dieren lijkt de werking van pioglitazon te zijn gebaseerd op activering van specifieke nucleaire receptoren (peroxisome proliferator activated receptor gamma (PPARg)), wat leidt tot een hogere insulinegevoeligheid van de lever-, vet- en skeletspiercellen.

Behandeling met pioglitazon heeft laten zien dat de glucose-uitstoot van de lever wordt verminderd en de afvoer van perifere glucose bij insuline-resistentie wordt verhoogd.

Zowel nuchter als na de maaltijd werd een verbetering geconstateerd van de glykemische controle bij patiënten met type 2-diabetes mellitus. De verbeterde glykemische controle gaat gepaard met een vermindering van insulineconcentratie in plasma, zowel nuchter als na de maaltijd. Een klinische studie met pioglitazon versus gliclazide in monotherapie werd uitgebreid tot twee jaar om de tijd tot falen van de behandeling te bepalen (gedefinieerd als het optreden van HbA1c ≥ 8,0% na de eerste zes maanden therapie). Kaplan-Meier-analyse toonde een kortere tijd tot falen van de behandeling aan bij patiënten behandeld met gliclazide, vergeleken met pioglitazon. Na twee jaar hield de glykemische controle (gedefinieerd als HbA1c < 8,0%) aan bij 69% van de patiënten behandeld met pioglitazon, vergeleken met 50% van de patiënten op gliclazide. In een twee jaar durende studie naar combinatietherapie, waarin pioglitazon vergeleken werd met gliclazide wanneer het werd toegevoegd aan metformine, was de glykemische controle gemeten als gemiddelde verandering van HbA1c ten opzichte van de uitgangswaarde na één jaar vergelijkbaar tussen de behandelingsgroepen. De mate van verslechtering van het HbA1c gedurende het tweede jaar was minder bij pioglitazon dan bij gliclazide.

In een placebogecontroleerde studie werden patiënten met onvoldoende glykemische controle ondanks een drie maanden durende optimalisatieperiode voor insuline gerandomiseerd naar pioglitazon of placebo voor een duur van 12 maanden. Bij de patiënten die pioglitazon kregen, werd een gemiddelde verlaging van HbA1c waargenomen van 0,45% vergeleken met patiënten die uitsluitend insuline bleven gebruiken, en een verlaging van de insulinedosis in de met pioglitazon behandelde groep.

Uit HOMA-analyse blijkt dat pioglitazon de bètacelfunctie verbetert en eveneens de insulinegevoeligheid verhoogt. Klinische studies die twee jaar duurden, hebben bewezen dat dit effect gehandhaafd wordt.

In klinische studies die één jaar duurden, zorgde pioglitazon consistent voor een statistisch significante vermindering van de albumine/creatinineratio vergeleken met de uitgangswaarde.

Het effect van pioglitazon (45 mg monotherapie versus placebo) werd onderzocht in een kleinschalige studie van 18 weken bij type 2 diabetespatiënten. Pioglitazon werd in verband gebracht met significante gewichtstoename. Het visceraal vet nam significant af, terwijl er een toename was van de hoeveelheid extra-abdominaal vet. Vergelijkbare veranderingen in de verdeling van lichaamsvet bij pioglitazon zijn gepaard gegaan met een verbetering van de insulinegevoeligheid. Bij de meeste

klinische studies werden in vergelijking met placebo, een verminderd totaal aantal plasma triglyceriden en vrije vetzuren en verhoogde HDL-cholesterolwaarden waargenomen, met kleine maar geen klinisch significante verhogingen van LDL-cholesterolwaarden.

Bij klinische studies met een duur tot twee jaar verminderde pioglitazon het totaal gehalte aan triglyceriden en vrije vetzuren in het plasma, en verhoogde pioglitazon de HDL-cholesterolwaarden, vergeleken met placebo, metformine of gliclazide. Pioglitazon veroorzaakte geen statistisch significante verhogingen van LDL-cholesterolwaarden vergeleken met placebo, terwijl afnames werden waargenomen met metformine en gliclazide. Bij een studie van 20 weken verminderde pioglitazon zowel het nuchtere triglyceridengehalte als postprandiale hypertriglyceridemie, door een effect op zowel geabsorbeerde als door de lever gesynthetiseerde triglyceriden. Deze effecten waren onafhankelijk van het effect van pioglitazon op de glykemie en waren statistisch significant verschillend ten opzichte van glibenclamide.

In het PROactive onderzoek, een cardiovasculair outcome-onderzoek van 5.238 patiënten met type 2 diabetes mellitus en een reeds bestaande ernstige macrovasculaire aandoening, werd na randomisatie pioglitazon of placebo maximaal 3,5 jaar toegevoegd aan een bestaande antidiabetische en cardiovasculaire behandeling. De gemiddelde leeftijd van de onderzoekspopulatie was 62 jaar en de gemiddelde duur van de diabetes was 9,5 jaar. Ongeveer eenderde van de patiënten ontving insuline in combinatie met metformine en/of een sulfonylureumderivaat.

Om voor inclusie in aanmerking te komen, moesten één of meer van de volgende factoren op de patiënten van toepassing zijn: myocardinfarct, beroerte, percutane cardiale interventie of coronaire arteriële bypass-graft, acuut coronair syndroom, coronaire vaatziekte of perifere arteriële obstructieve aandoening. Bijna de helft van de patiënten had een myocardinfarct in de voorgeschiedenis en circa 20% had een beroerte gehad. Ongeveer de helft van de onderzoekspopulatie voldeed aan ten minste twee van de inclusiecriteria met betrekking tot de cardiovasculaire voorgeschiedenis. Vrijwel alle patiënten (95%) gebruikten cardiovasculaire geneesmiddelen (bètablokkers, ACE-remmers, angiotensine-II-antagonisten, calciumkanaalblokkers, nitraten, diuretica, aspirine, statinen, fibraten).

Ondanks het feit dat het onderzoek faalde in zijn primaire eindpunt, dat was samengesteld uit alle mortaliteitsoorzaken, niet-fataal myocardinfarct, beroerte, acuut coronair syndroom, ernstige beenamputatie, coronaire revascularisatie en beenrevascularisatie, suggereerden de resultaten dat er geen lange termijn cardiovasculaire bezorgdheid is betreffende het gebruik van pioglitazon. De incidentie van oedeem, gewichtstoename en hartfalen nam echter toe. Er werd geen verhoging waargenomen in de mortaliteit bij het falen van de hartfunctie.

Glimepiride

De werking van glimepiride berust vooral op de stimulatie van de insulinesecretie door de bètacellen van de pancreas. Net als bij andere sulfonylurea is dit effect gebaseerd op een verhoogde gevoeligheid van de bètacellen van de pancreas voor de fysiologische glucosestimulans. Daarnaast lijkt glimepiride een uitgesproken extrapancreatisch effect te hebben, dat ook bij andere sulfonylurea wordt verondersteld.

Insulinesecretie

Sulfonylurea regelen de insulinesecretie door het sluiten van het ATP-gevoelige kaliumkanaal in het bètacelmembraan. Het sluiten van het kaliumkanaal veroorzaakt depolarisatie van de bètacel en resulteert – door het opengaan van de calciumkanalen – in een hogere instroom van calcium in de cel. Dit leidt via exocytose tot insuline-excretie. Glimepiride bindt met een hoge uitwisselingssnelheid aan een membraaneiwit van de bètacel dat met het ATP-gevoelige kaliumkanaal geassocieerd is, maar dat verschilt van de gebruikelijke bindingsplaats van sulfonylurea.

Extrapancreatische activiteit

De extrapancreatische effecten bestaan onder meer uit een toename van de gevoeligheid van perifere weefsels voor insuline en een vermindering van de insulineopname door de lever.

De opname van glucose uit het bloed in het perifere spier- en vetweefsel gebeurt via speciale transporteiwitten in het celmembraan. Het transport van glucose in deze weefsels vormt de

snelheidsbeperkende stap in het verbruik van glucose. Glimepiride verhoogt zeer snel de hoeveelheid actieve glucosetransportmoleculen in de plasmamembranen van de spier- en vetcellen, hetgeen leidt tot stimulering van de glucoseopname. Glimepiride verhoogt de activiteit van het glycosyl- fosfatidylinositol-specifieke fosfolipase C, hetgeen gecorreleerd zou kunnen zijn met de geïnduceerde lipogenese en glycogenese in geïsoleerde spier- en vetcellen. Glimepiride remt de productie van glucose in de lever door het verhogen van de intracellulaire concentratie van fructose-2,6-bifosfaat, hetgeen op zijn beurt weer de gluconeogenese remt.

Algemeen

Voor gezonde personen bedraagt de minimale effectieve orale dosis ongeveer 0,6 mg. Het effect van glimepiride is dosisafhankelijk en reproduceerbaar. De fysiologische respons op acute lichaamsbeweging, reductie van de insulineafscheiding, blijft bij het gebruik van glimepiride aanwezig.

Er was geen significant verschil in de effectiviteit ongeacht of glimepiride 30 minuten of onmiddellijk voor een maaltijd werd ingenomen. Bij diabetespatiënten kan met één dosis per dag gedurende 24 uur een goede metabole controle worden verkregen.

Hoewel de hydroxymetaboliet van glimepiride bij gezonde personen een kleine, maar significante daling van de serumglucose veroorzaakte, is het slechts verantwoordelijk voor een klein deel van het totale effect.

Pediatrische patiënten

Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant om de resultaten in te dienen van onderzoek met Tandemact in alle subgroepen van pediatrische patiënten met diabetes mellitus type 2 (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2Farmacokinetische eigenschappen

Tandemact

Onderzoek bij vrijwilligers heeft aangetoond dat Tandemact bioequivalent is aan toediening van pioglitazon en glimepiride gegeven als afzonderlijke tabletten.

De volgende gegevens geven de farmacokinetische eigenschappen van de afzonderlijke werkzame stoffen van Tandemact weer.

Pioglitazon

Absorptie

Na orale toediening wordt pioglitazon snel geabsorbeerd en maximale plasmaconcentraties van onveranderd pioglitazon worden gewoonlijk binnen 2 uur na toediening bereikt. Proportionele toenamen van de plasmaconcentratie werden waargenomen voor doses van 2-60 mg. Steady state wordt na 4-7 dagen inname bereikt. Herhaalde inname leidt niet tot een accumulatie van de verbinding of metabolieten. De absorptie wordt niet door voedselinname beïnvloed. De absolute biologische beschikbaarheid is meer dan 80%.

Distributie

Het geschatte distributievolume bij mensen bedraagt 0,25 l/kg.

Pioglitazon en alle actieve metabolieten worden extensief aan plasmaproteïne gebonden (> 99%).

Biotransformatie

Pioglitazon wordt extensief door de lever gemetaboliseerd door hydroxylatie van alifatische methyleengroepen. Dit gebeurt voornamelijk door middel van het cytochroom P450 2C8 alhoewel andere iso-vormen er in mindere mate bij betrokken kunnen zijn. Drie van de zes geïdentificeerde

metabolieten zijn actief (M-II, M-III en M-IV). Lettende op de activiteit, concentratie en eiwitbinding, dragen pioglitazon en metaboliet M-III in gelijke mate bij aan de effectiviteit. Op basis hiervan is de bijdrage van M-IV aan de effectiviteit ongeveer het drievoudige ten opzichte van die van pioglitazon, terwijl de relatieve effectiviteit van M-II minimaal is.

In vitro-studies hebben geen aanwijzingen opgeleverd dat pioglitazon enig subtype van het cytochroom P450 remt. Inductie van de belangrijkste induceerbare P450-isoenzymen bij de mens, cytochromen 1A, 2C8/9 en 3A4, is niet aangetoond.

Interactiestudies hebben laten zien dat pioglitazon geen relevant effect heeft op de farmacokinetiek en farmacodynamiek van digoxine, warfarine, fenprocoumon en metformine. Gelijktijdige toediening van pioglitazon met gemfibrozil (een remmer van cytochroom P450 2C8) of met rifampicine (een inductor van cytochroom P450 2C8) zou leiden tot respectievelijk een toename en een afname van de plasmaconcentratie van pioglitazon (zie rubriek 4.5).

Eliminatie

Na orale toediening van radioactief gemerkt pioglitazon bij de mens, werd het gemerkte pioglitazon voornamelijk in de faeces (55%) en een geringere hoeveelheid in de urine (45%) teruggevonden. Bij dieren kon slechts een kleine hoeveelheid onveranderd pioglitazon in de urine en faeces worden gevonden. De gemiddelde plasma eliminatiehalfwaardetijd van onveranderd pioglitazon bij de mens bedraagt 5 tot 6 uur en van de totale actieve metabolieten 16 tot 23 uur.

Lineariteit/non-lineariteit

Onderzoek met enkelvoudige doses toont lineariteit van de farmacokinetiek aan in het therapeutisch dosisbereik.

Oudere patiënten

De steady-state farmacokinetiek voor patiënten van 65 jaar en ouder, en jonge personen is vergelijkbaar.

Patiënten met een verminderde nierfunctie

Bij patiënten met een verminderde nierfunctie zijn de plasmaconcentraties van pioglitazon en de metabolieten lager dan die bij personen met een normale nierfunctie, maar de orale klaring van de oorspronkelijke stof is vergelijkbaar. De concentratie vrij (ongebonden) pioglitazon is daarom onveranderd.

Patiënten met een verminderde leverfunctie

De totale plasmaconcentratie van pioglitazon is onveranderd, maar het distributievolume ligt hoger. De intrinsieke klaring is daarom lager en gaat gepaard met een hogere fractie aan ongebonden pioglitazon.

Glimepiride

Absorptie

Na orale toediening is de biologische beschikbaarheid van glimepiride volledig. Voedselinname heeft geen relevante invloed op de absorptie, alleen de absorptiesnelheid neemt hierdoor licht af. Ongeveer 2,5 uur na orale inname worden maximale serumconcentraties (Cmax) bereikt (gemiddeld 0,3 µg/ml bij een meervoudige toediening van 4 mg per dag).

Distributie

Glimepiride heeft een heel laag distributievolume (ongeveer 8,8 liter) dat bij benadering gelijk is aan het verdelingsvolume van albumine, een hoge eiwitbinding (> 99%) en een lage klaring (ongeveer 48 ml/min).

Bij dieren wordt glimepiride in de melk uitgescheiden. Glimepiride passeert de placenta. Passage door de bloed-hersenbarrière is laag.

Biotransformatie en eliminatie

De gemiddelde dominante halfwaardetijd in serum, die van belang is voor de serumconcentraties bij meervoudige dosering, is ongeveer 5 tot 8 uur. Na hoge doses werden iets langere halfwaardetijden geobserveerd.

Na één dosis radioactief gelabeld glimepiride werd 58% van de radioactiviteit in de urine teruggevonden, en 35% in de faeces. Er werd in de urine geen onveranderde stof ontdekt. Er werden twee metabolieten – hoogst waarschijnlijk als gevolg van levermetabolisme (het belangrijkste enzym is CYP2C9) – aangetroffen, zowel in de urine als in de faeces: het hydroxy- en het carboxy-derivaat. Na orale toediening van glimepiride waren de uiteindelijke halfwaardetijden van deze metabolieten respectievelijk 3 tot 6 en 5 tot 6 uur.

Vergelijking van een enkele en een herhaalde dosering éénmaal per dag toonde geen belangrijke verschillen aan in farmacokinetiek. De intra-individuele variatie was zeer laag. Er vond geen relevante opstapeling plaats.

De farmacokinetiek was bij mannen en vrouwen vergelijkbaar, en eveneens bij jongere en oudere patiënten (ouder dan 65 jaar). Bij patiënten met een lage creatinineklaring bestond er een tendens tot verhoging van de klaring van glimepiride en verlaging van de gemiddelde serumconcentraties, hoogst waarschijnlijk als gevolg van een snellere eliminatie door een lagere eiwitbinding. De renale eliminatie van de twee metabolieten was verzwakt. Er wordt van uitgegaan dat bij dergelijke patiënten over het algemeen geen extra risico voor opstapeling bestaat.

De farmacokinetiek bij vijf niet-diabetespatiënten na een galbuisoperatie was gelijk aan die bij gezonde vrijwilligers.

Lineariteit/non-lineariteit

Er bestaat een lineair verband tussen dosis en zowel Cmax als AUC (gebied onder de tijd/concentratiecurve).

5.3Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek

Er is geen dieronderzoek uitgevoerd met de gecombineerde producten van Tandemact. De volgende gegevens zijn bevindingen uit onderzoeken die met pioglitazon of glimepiride afzonderlijk zijn uitgevoerd.

Pioglitazon

In toxiciteitsstudies werd na herhaalde toediening aan muizen, ratten, honden en apen telkens verhoging van het plasmavolume geconstateerd met daarmee gepaard gaande hemodilutie, anemie en reversibele excentrische harthypertrofie. Ook werden een verhoogde vetdepositie en -infiltratie waargenomen.

Deze bevindingen werden bij alle species waargenomen bij plasmaconcentraties die kleiner of gelijk waren aan viermaal de klinische blootstelling. Vertraagde groei bij de foetus was duidelijk in dierstudies met pioglitazon. Dit was toe te schrijven aan de werking van pioglitazon in het verlagen van de maternale hyperinsulinemie en een toename van de insulineresistentie die optreedt gedurende de zwangerschap, waardoor de beschikbaarheid van metabole substraten voor de groei van de foetus wordt gereduceerd.

Bij onderzoek aan de hand van een uitgebreide reeks van in vitro- en in vivo-genotoxiciteitstesten bleek pioglitazon niet genotoxisch te zijn. Bij ratten die gedurende een periode van maximaal 2 jaar met pioglitazon werden behandeld, werd een verhoogd aantal gevallen van hyperplasie (mannetjes en vrouwtjes) en tumoren (mannetjes) van het epitheel van de urineblaas geconstateerd.

De vorming en aanwezigheid van nierstenen met bijbehorende irritatie en hyperplasie werd naar voren gebracht als het basismechanisme voor de geobserveerde tumorigene reactie in de mannelijke rat. Een

mechanistisch onderzoek gedurende 24 maanden in mannelijke ratten toonde aan dat de toediening van pioglitazon resulteerde in een verhoogde incidentie van hyperplastische veranderingen aan de blaas. Verzuring door de inname van voedsel deed de incidentie van tumoren significant verminderen, maar niet geheel verdwijnen. De aanwezigheid van microkristallen versterkte de hyperplastische reactie, maar werd niet gezien als de primaire oorzaak van hyperplastische veranderingen. De relevantie voor de mens – van deze tumorigene bevinding in de mannelijke rat – kan niet worden uitgesloten.

Er werd geen tumorigene respons vastgesteld bij muizen van beide geslachten. Bij honden of apen die gedurende maximaal 12 maanden waren behandeld met pioglitazon werd geen hyperplasie van de urineblaas geconstateerd.

In een diermodel van familiaire adenomateuze polypose (FAP) verhoogde de behandeling met twee andere thiazolidinedionen de multipliciteit van tumoren in het colon. De relevantie van deze bevindingen is onbekend.

Glimepiride

Preklinische effecten die werden waargenomen bij een blootstelling die de maximale blootstelling bij de mens overschrijdt, werden bij klinisch gebruik niet relevant geacht of werden veroorzaakt door het farmacodynamisch effect (hypoglykemie) van de stof. Deze bevinding is gebaseerd op onderzoek naar conventionele veiligheidsfarmacologie, herhaalde dosistoxiciteit, genotoxiciteit, carcinogeniciteit en reproductietoxiciteit. In het laatste onderzoek (dat embryotoxiciteit, teratogeniciteit en toxiciteit tijdens de ontwikkeling omvat) werden de bijwerkingen als secundair beschouwd aan de hypoglykemische effecten die bij het moederdier en haar nakomelingen door de stof werden geïnduceerd.

6.FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1Lijst van hulpstoffen

Microkristallijne cellulose

Croscarmellose-natrium

Hydroxypropylcellulose

Lactosemonohydraat

Magnesiumstearaat

Polysorbaat 80

6.2Gevallen van onverenigbaarheid

Niet van toepassing.

6.3Houdbaarheid

3 jaar.

6.4Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren

Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

6.5Aard en inhoud van de verpakking

Aluminium/aluminium blisterverpakkingen, verpakkingen van 14, 28, 30, 50, 90 of 98 tabletten.

Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen

Geen bijzondere vereisten.

7.HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Takeda Pharma A/S

Dybendal Alle 10

2630 Taastrup

Denemarken

8.NUMMERS VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/06/366/005

EU/1/06/366/006

EU/1/06/366/007

EU/1/06/366/008

EU/1/06/366/009

EU/1/06/366/010

EU/1/06/366/011

EU/1/06/366/012

EU/1/06/366/013

EU/1/06/366/014

EU/1/06/366/015

EU/1/06/366/016

EU/1/06/366/017

EU/1/06/366/018

EU/1/06/366/019

EU/1/06/366/020

EU/1/06/366/021

EU/1/06/366/022

9. DATUM EERSTE VERGUNNINGVERLENING//VERLENGING VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 8 januari 2007

Datum van laatste verlenging: 22 maart 2012

10.DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).

Commentaar

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
  • Hulp
  • Get it on Google Play
  • Over
  • Info on site by:

  • Presented by RXed.eu

  • 27558

    Geneesmiddelen op recept vermeld